Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:2308
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.340.253/01 arrest van 26 augustus 2025 in de zaak van [de B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. J.E. van Nuland te Maastricht, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] , terwijl zij, waar aan de orde, afzonderlijk zullen worden aangeduid als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. P.H.L. Dankers te Heerlen, op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2024 (hierna: het bestreden vonnis), door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/387503/ HA ZA 22-615) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord; - de akte uitlaten met productie 13 zijdens [appellante] ; - de antwoordakte zijdens [geïntimeerden] , door hen ook akte uitlaten genoemd. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3. De beoordeling Waar deze zaak in essentie over gaat 3.0. Deze zaak gaat over een borgstelling door [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] . Zij maakt deel uit van een overeenkomst tot koop en verkoop van activa die in 2016 is gesloten tussen [appellante] als koper, de vader van [geïntimeerde 1] als verkoper en [geïntimeerde 1] als garant (borg). [geïntimeerde 2] heeft, als echtgenote van [geïntimeerde 1] , de overeenkomst medeondertekend. In de kern vordert [appellante] in deze procedure de nakoming door [geïntimeerde 1] van de borgstelling. Partijen strijden onder meer over de aan de borgstelling te geven uitleg. De rechtbank heeft de uitleg van [geïntimeerden] gevolgd en op die basis de vordering van [appellante] afgewezen. Daartegen is [appellante] in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Hierna zal het hof uiteenzetten waarom dat zo is. De feiten 3.1. Geen grief is gericht tegen de feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld in het bestreden vonnis. Het hof zal die feiten in dit hoger beroep daarom ook tot uitgangspunt nemen, zij het met een enkele aanvulling. a. [appellante] (koper) en [persoon A] (verkoper) hebben op 8 juli 2016 een overeenkomst tot koop en verkoop van activa gesloten (hierna: de overeenkomst). [persoon A] (hierna: vader [geïntimeerde 1] ) was de vader van [geïntimeerde 1] en de schoonvader van [geïntimeerde 2] . b. Met de overeenkomst heeft vader [geïntimeerde 1] zijn onderneming verkocht aan [appellante] . De koopprijs wordt in artikel 3 van de overeenkomst gerelateerd aan de jaarlijkse omzet over 4 afzonderlijke jaren, gerekend vanaf 1 juli 2016. De koopprijs is dan telkens een percentage van die jaarlijkse omzet, met een maximum. De overeenkomst bevat daarover het volgende: “ Artikel 3 Koopprijs 3.1 De grondslag van de koopprijs van de Activa van de Onderneming (de “koopprijs”) betreft de thans bestaande omzet van Verkoper, welke omzet door partijen wordt ingeschat op een bedrag van minimaal € 400.000,- per jaar. Partijen gaan ervan uit dat de omvang van de omzet de komende vier jaren tenminste op hetzelfde niveau zal blijven. De maximale Koopprijs bedraagt volgens Partijen de helft van de hiervoor bedoelde omzet en derhalve een bedrag van € 200.000,-. De Koopprijs zal in vier tranches worden uitgekeerd aan Verkoper, zoals hierna nader bepaald wordt. 3.2 De eerste tranche van de Koopprijs bedraagt 20% van de gefactureerde en betaalde omzet gemeten per 1 juli 2017 over de periode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 met Bij brief van 24 januari 2020 heeft [appellante] aan [geïntimeerden] bericht dat zij zich met de stellingname van [geïntimeerden] in de brief van 21 januari 2020 niet verenigt. h. Bij vonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank in de eerdere procedure, zakelijk weergegeven voor zover hier van belang, de overeenkomst geldig geoordeeld, vader [geïntimeerde 1] schadeplichtig geoordeeld wegens onrechtmatige concurrentie en de vereffenaars van de nalatenschap van vader [geïntimeerde 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 259.536,27. De rechtbank is tot dat bedrag gekomen door vast te stellen dat vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] een schadevergoeding verschuldigd was van € 354.000,27, en daarmee een bedrag van € 94.464,00 te verrekenen. Laatstgenoemd bedrag was volgens de rechtbank de koopsom die [appellante] nog verschuldigd was aan vader [geïntimeerde 1] uit hoofde van de overeenkomst. Daarbij baseerde de rechtbank zich op de berekeningen van de in de eerdere procedure door de rechtbank als deskundige benoemde [persoon B] (hierna: de deskundige), zoals opgenomen in de brief van de deskundige aan de rechtbank van 22 maart 2022. i. Bij dagvaarding van 23 november 2022 heeft [appellante] het onderhavige geding aanhangig gemaakt. De procedure bij de rechtbank 3.2. In de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] gevorderd (enigszins verkort weergegeven): 1. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] de overeenkomst, waarin [geïntimeerde 1] zich tot borg gesteld heeft jegens [appellante] voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van vader [geïntimeerde 1] , niet rechtsgeldig hebben vernietigd; 2. [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 72.596,52, met rente; 3. [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten, met rente. 3.3. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna worden ingegaan, voor zover het in hoger beroep van belang is. 3.4. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten, met rente. Het hoger beroep 3.5. [appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, met rente. 3.6. [geïntimeerden] hebben de grieven van [appellante] bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in het hoger beroep respectievelijk bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel onder aanvulling dan wel verbetering van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de beide instanties, met inbegrip van nakosten. 3.7. De grieven van [appellante] slagen niet. Het hof zal hierna uiteenzetten waarom dat zo is. De uitkomst zal zijn dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze zoals opgenomen in het laatste deel van dit arrest, het zogenoemde dictum. De bespreking van de grieven 3.8. In de kern richten de grieven van [appellante] zich alle tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder c en onder d weergegeven artikelen 9.1 en 9.2 van de overeenkomst, en de gevolgen die de rechtbank aan die uitleg verbindt. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt. 3.9. Op grond van hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de rechtbank (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2024, pagina 2) staat tussen partijen vast dat op grond van het bepaalde in artikel 9.2 van de overeenkomst [geïntimeerde 1] zich tegenover [appellante] tot borg heeft gesteld voor de verplichting van (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] tot betaling van het in artikel 9.1 van de overeenkomst genoemde bedrag van € 72.569,52 wegens voor vader [geïntimeerde 1] verrichte dien Concreet betekent dit voor deze zaak dat om vast te stellen wat partijen met de in geschil zijnde borgstellingsbepaling van artikel 9.2 zijn overeengekomen, moet worden nagegaan, in het licht van de omstandigheden van deze zaak, wat met het oog op die borgstellingsbepaling de zin is die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De uitleg van de borgstelling, gelet op haar bewoordingen en de verdere contractuele context 3.13. Over de uitleg van de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst hebben [geïntimeerden] betoogd, zakelijk weergegeven, dat zij deze bij het aangaan ervan zo hebben begrepen, mede gelet op de erin gebruikte bewoordingen en hetgeen daaruit evident blijkt ook wat betreft de samenhang met het bepaalde in artikel 9.1 van de overeenkomst, dat zij op grond daarvan tegenover [appellante] pas financieel zouden hoeven bijspringen als vader [geïntimeerde 1] de in artikel 9.1 genoemde vordering wegens verrichte diensten ter grootte van ruim € 72.569,52 niet zelf zou voldoen en verrekening met de koopsom geheel of gedeeltelijk niet mogelijk zou blijken. Naar het oordeel van het hof brengen de omstandigheden in deze zaak mee dat de door [geïntimeerden] bepleite uitleg dient te worden gevolgd. Daarvoor acht het hof het volgende van belang. 3.14. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de overeenkomst door de advocaat van [appellante] is opgesteld en voor het eerst in concept aan [geïntimeerden] is voorgelegd op 7 juli 2016, dus één dag voor de ondertekening van de overeenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat partijen over de borgstelling van artikel 9.2 hebben onderhandeld. Verder staat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat [geïntimeerden] in de aanloop naar en ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst en de daarin opgenomen borgstelling, geen bijstand van een advocaat hadden. Door [appellante] is weliswaar bij herhaling gesteld, onder verwijzing naar haar in de procedure bij de rechtbank overgelegde producties 9 en 10, dat [geïntimeerden] wel (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat), maar die producties als zodanig geven daarover geen duidelijkheid. Productie 9 bevat een veelheid aan tussen diverse betrokkenen, waaronder [geïntimeerde 1] , gewisselde e-mailberichten op 8 en 10 juli 2016, dus kort vóór en na de ondertekening van de overeenkomst, maar zonder dat daaruit duidelijk blijkt dát [geïntimeerden] (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat) en door wie dan precies. Het had op de weg van [appellante] gelegen om dat concreet te verduidelijken. Het hof gaat er daarom aan voorbij. Ook productie 10 vormt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen onderbouwing van de stelling van [appellante] dat [geïntimeerden] (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat). 3.15. Onder de zojuist besproken omstandigheden komt naar het oordeel van het hof bij de uitleg van de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst groot gewicht toe aan de bewoordingen waarin zij is gesteld, bezien vanuit de verdere context van de overeenkomst, en de redelijke verwachtingen die [geïntimeerden] daaraan mochten ontlenen omtrent de betekenis en reikwijdte van de borgstelling. Duidelijkheidshalve citeert het hof hier nogmaals de borgstelling zoals opgenomen in artikel 9.2: “Garant [ [geïntimeerde 1] , toevoeging hof] stelt zich tegenover Koper [ [appellante] , toevoeging hof] bij wijze van zelfstandige verbintenis onherroepelijk garant voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van Verkoper [vader [geïntimeerde 1] , toevoeging hof] jegens Koper. (…).” Afgaande op deze bewoordingen gaat het om een (onherroepelijke) borgstelling “voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] ” . Zoals hiervoor (in rechtsoverweging 3.9) is overwogen, sta