Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-08-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:2259
Strafrecht
Hoger beroep
6,792 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000696-25
Uitspraak : 13 augustus 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-175406-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte wel ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het bestreden vonnis is op 30 oktober 2024 bij verstek gewezen. Het verstekvonnis (de mededeling uitspraak) is op 15 december 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in een zodanig geval binnen veertien dagen na deze betekening hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep eerst na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, namelijk op 7 maart 2025. Daarom dient de verdachte in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
De raadsvrouw heeft nog bepleit dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte zich – op het moment dat het verstekvonnis aan hem betekend is – in een moeilijke periode bevond. Er was onder andere sprake van problematiek op het gebied van alcohol en vermoedelijk drugs. Op het moment dat het verstekvonnis aan de verdachte is betekend, is de inhoud hiervan derhalve volledig langs hem heen gegaan. Op 6 maart 2025 is de raadsvrouw op de hoogte geraakt van het verstekvonnis, waarna op 7 maart 2025 direct hoger beroep is ingesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat in geval van het niet tijdig instellen van het hoger beroep, de daar op gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend kan worden gepasseerd indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Van dergelijke omstandigheden is het hof in dit geval niet gebleken. Dat de verdachte zich in een moeilijke periode bevond, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de verdachte bekend was – of bekend kon zijn – met het vonnis van de politierechter. Daarnaast mag de verdachte in het algemeen bekend worden verondersteld met de termijn voor het instellen van hoger beroep, nu dat een termijn is van openbare orde en deze termijn is opgenomen in de wet.
Enige andere verontschuldigbare omstandigheid is gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Nu niet van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is gebleken, leidt dit ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. R.A.T.M. Dekkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. E.E. Vrieler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.