Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:208
Civiel recht
Hoger beroep
25,800 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep zal worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres A] en [appellant] aan de [adres B] in [woonplaats] . Vanwege de vorm van hun percelen hebben partijen een tientallen meters lange erfgrens.
3.2.2.
De erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bestaat uit achtereenvolgens een muur, een overkapping, een camper-carport en wederom een muur.
In de overkapping van [geïntimeerde] zitten ramen van plexiglas die zijn gericht op het perceel van [appellant] .
3.2.3.
Aan de zijde van het perceel van [appellant] bestaat de erfafscheiding uit een rij beuken die op korte afstand van de erfafscheiding van [geïntimeerde] zijn geplant.
3.2.4.
De camper-carport is het hoogste gebouw aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Deze camper-carport is 3,42 meter hoog. De beuken aan de zijde van [appellant] zijn ongeveer tot de hoogte van de camper-carport gesnoeid.
3.2.5.
Achter de camper-carport heeft [geïntimeerde] netten tegen de beuken gespannen om bladafval op te vangen.
3.2.6.
Artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente [XX] 2024 (APV) luidt:
“De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1,0 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.”
Het doel van het hoger beroep en de vorderingen waarover het hof moet oordelen
3.3.1.
Volgens [appellant] moet het hof het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellant] heeft bedoeld dat het hof het bestreden vonnis uitsluitend dient te vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en niet voor zover die vorderingen zijn afgewezen. Het is helder dat het hoger beroep van [appellant] uitsluitend is gericht tegen zijn veroordeling om de haag aan de achterzijde te snoeien (5.1 van het vonnis) en de daaraan verbonden dwangsomveroordeling (5.2 van het vonnis). [appellant] heeft dat zo vermeld onder het kopje ‘kern van het hoger beroep’ en dat blijkt ook zo uit zijn grieven. [geïntimeerde] heeft dat ook zo opgevat.
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg met betrekking tot de haag aan de achterzijde, gevorderd (samengevat):
dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn,
alle bomen (op of) binnen een straal van twee meter van de erfgrens, althans binnen een door de rechtbank te bepalen afstand tussen de percelen,
primair: te verwijderen en verwijderd te houden;
subsidiair: terug te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte;
meer subsidiair: de overhang weg te snoeien en dat één keer per kwartaal te herhalen;
en daaraan een dwangsom te verbinden.
3.3.3.
De rechtbank heeft de primaire vordering en de meer subsidiaire vordering afgewezen. De subsidiaire vordering met betrekking tot de haag aan de achterzijde van de woning heeft de rechtbank toegewezen met dien verstande dat zij heeft beslist dat de beukenhaag vanaf de woning van [appellant] lopende tot en met de camper-carport niet teruggesnoeid hoeft te worden tot een hoogte van twee meter maar tot de hoogte van de camper-carport. De beukenhaag vanaf het einde van de camper-carport moet wel teruggesnoeid worden tot twee meter. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen van het vonnis. Dat heeft tot gevolg dat het hof geen oordeel kan geven over vorderingen van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit hoger beroep dus geen betrekking kan hebben op onderwerpen die niet hiervoor in 3.3.2 zijn genoemd (een haag aan de voorzijde van de woningen en de badkamer van [appellant] die 9 centimeter over de erfgrens is gebouwd), en ook niet op de primaire vordering tot verwijdering van de haag. Voor het hof is dus uitgangspunt dat de haag niet hoeft te worden verwijderd. Het gaat alleen nog maar om de vraag of [appellant] de haag moet snoeien en zo ja, tot welke hoogte.
Het hof kan ook niet meer oordelen over de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] om de overhang ieder kwartaal weg te snoeien. Aangezien deze meer subsidiaire vordering uitdrukkelijk is afgewezen en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, kan het hof daarover niet alsnog oordelen.
Het snoeien van de beukenhaag (grieven 1 en 2)
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beukenhaag die tegen de camper-carport staat geen onrechtmatige hinder oplevert, maar wel vanaf het uiteinde van de camper-carport. De rechtbank heeft beslist dat [appellant] ervoor moet zorgen dat de haag niet hoger wordt dan de camper-carport op de plek waar deze daarnaast staat en dat [appellant] de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport tot twee meter moet terugsnoeien. De grieven 1 en 2 zijn tegen deze oordelen gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
3.4.2.
Het recht van [appellant] om in zijn tuin een haag bij de erfgrens te hebben, wordt begrensd doordat hij [geïntimeerde] geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Dat volgt uit artikel 5:37 BW. Daarin is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (vgl. o.a. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106).
De stelplicht dat sprake is van onrechtmatige hinder, rust op [geïntimeerde] .
3.4.3.
De hinder die [geïntimeerde] ervaart van de beukenhaag bestaat volgens hem uit bladafval en uit schaduwvorming. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar heeft aangevoerd dat sprake is van hinder, maar niet iedere hinder is onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] te weinig heeft aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Voor wat betreft het bladafval heeft [geïntimeerde] (in zijn memorie van antwoord) slechts herhaald dat de beukenhaag voor veel bladafval zorgt en dat de hoeveelheid niet meer als normaal is te beschouwen en zelfs buitenproportioneel is. Gelet op de betwisting van dat standpunt door [appellant] , had van [geïntimeerde] mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht wat ‘normaal’, of ‘veel’ of ‘buitenproportioneel’ is. [geïntimeerde] heeft een net gespannen om het blad in op te vangen. Daaruit volgt echter niet dat het bladverlies zodanig omvangrijk is, dat dit onrechtmatige hinder veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat in ieder geval niet. Het hof is van oordeel dat van [geïntimeerde] had mogen worden verlangd dat hij nader had toegelicht waarom de hoeveelheid bladafval als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.131/01
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. T.M. Kools te Roosendaal,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna in (mannelijk) enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 13 december 2023.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank beslist over een haag van [appellant] aan de voorzijde van de woningen, over een ‘overbouw’ (de badkamer van [appellant] is 9 centimeter over de erfgrens gebouwd) en over de beuken die aan de achterzijde van de woningen de erfafscheiding met [appellant] vormen.
3.1.2.
In dit hoger beroep gaat het alleen nog maar over de beuken aan de achterzijde van de woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die beuken een haag vormen en niet verwijderd hoeven te worden. Over de hoogte van die beukenhaag heeft de rechtbank beslist dat de haag die tegen de camper-carport staat, niet hoger mag worden dan die camper- carport en dat de haag vanaf het uiteinde van de camper-carport moet worden teruggesnoeid tot maximaal twee meter hoog. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de beukenhaag op die manier te snoeien en gesnoeid te houden en beslist dat [appellant] een dwangsom moet betalen als hij daaraan niet voldoet.
3.1.3.
[appellant] is terecht in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet veroordeeld kon worden tot het snoeien van de beukenhaag tot de genoemde hoogte(n).
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
[geïntimeerde] had bijvoorbeeld kunnen aanvoeren wat de hoeveelheid bladafval is ten opzichte van (een) andere (soort) beplanting. Dat heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] is ook niet ingegaan op het verweer van [appellant] dat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij in reactie daarop bijvoorbeeld had aangevoerd welke variëteit beuk het betreft en wanneer die variëteit blad verliest. Dat er blad op het dak van de carport valt, is voor [geïntimeerde] lastig en dus voor hem hinderlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat het onrechtmatige hinder betreft. Zoals hiervoor (in 3.4.2) al is vermeld, zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder van belang. Uit het niet weersproken verweer van [appellant] volgt dat de hinder van bladafval slechts beperkt in tijd is, omdat de bladeren pas vallen als er knoppen aan de beuken komen. Het hof onderkent dat het voor [geïntimeerde] vervelend is als er veel blad van de beukenhaag op het dak van zijn carport en in zijn tuin valt, maar het blad is weg te vegen en veroorzaakt geen schade. [geïntimeerde] heeft over (eventuele) schade alleen aangevoerd dat de goot van de carport verstopt raakt, maar dat is te voorkomen door tijdig het blad te verwijderen.
Voor wat betreft de lichtinval heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] niets heeft gesteld over de omvang van de ontneming van zonlicht, over welk deel van de tuin meer schaduw zou hebben en ook niet om hoeveel uur per dag het gaat. Volgens [appellant] blijkt nergens uit dat de moestuin geen goede bezonning meer heeft. De tuinen liggen volgens [appellant] op het zuidoosten, de haag leidt nauwelijks tot een afname van het aantal zonuren en [geïntimeerde] heeft zijn tuin volgebouwd met opstallen. Een eventuele schaduwwerking is volgens [appellant] daarvan afkomstig. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord eenvoudigweg herhaald dat de haag voor aanzienlijke schaduw zorgt in zijn moestuin. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daar niet mee kon volstaan. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij duidelijk had aangegeven op welke momenten hij zonlicht mist en hoe lang. Nu [geïntimeerde] op geen van de door [appellant] genoemde omstandigheden is ingegaan, heeft hij onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat (de haag van) [appellant] zorgt voor onrechtmatige hinder.
3.4.4.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien van de beukenhaag, alsnog moet worden afgewezen.
De dwangsom (grief 3)
3.5.
Grief 3 heeft betrekking op de beslissing om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot het snoeien van de beukenhaag. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief slaagt. Er resteert namelijk geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden.
De eindconclusie (grief 4)
3.6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, maar alleen voor zover daar grieven tegen zijn gericht (zie hiervoor 3.3.1 tot en met 3.3.3). [appellant] heeft weliswaar in zijn toelichting op grief 4 vermeld dat de rechtbank niet kon komen tot de beslissingen als genoemd in 5.1 tot en met 5.5 van het vonnis, maar het hof begrijpt dat daarmee is bedoeld achter 5.1 tot en met 5.4. Met 5.5 zijn immers de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
3.6.2.
De uitkomst is dat (uiteindelijk) alle vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Dat betekent dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Dat heeft tot gevolg dat het hof [geïntimeerde] hoofdelijk (vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) zal veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 314,-
salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.542,-
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 137,47
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 1.214,- ( 1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.878,47
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om de haag te snoeien en gesnoeid te houden (5.1 van het dictum), een dwangsom te betalen indien [appellant] niet aan de veroordeling voldoet (5.2 van het dictum) en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (5.4 van het dictum) en voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd (5.3 van het dictum);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot het snoeien en gesnoeid houden van de beukenhaag aan de achterzijde van de woningen af;
veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg, begroot op € 1.542,-, en in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.878,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.
griffier rolraadsheer