Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-07-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:2064
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.351.120/01 arrest van 22 juli 2025 in de zaak van Stichting Hoofdstraat Best , gevestigd te Best, appellante, advocaat: mr. M. van Heeren te Breda, tegen 1 [geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats], 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], geïntimeerden, advocaat: mr. F.M.A. Rooijakkers te Eindhoven. als vervolg op de door de rolraadsheer gewezen rolbeslissing van 25 februari 2025 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/386719 / HA ZA 22-568 gewezen vonnissen van 21 december 2022, 31 januari 2024 en 30 oktober 2024, tussen appellante – de Stichting – als eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de appeldagvaarding van 30 januari 2025; de rolbeslissing van 25 februari 2025; de akte na rolbeslissing van de zijde van de Stichting, met producties 1 tot en met 5; de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden] Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij genoemde rolbeslissing heeft de rolraadsheer geconstateerd dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat het eindvonnis waarvan beroep een verklaring voor recht bevat inhoudende dat [geïntimeerden] onbezwaard en onbelast eigenaar is van een stuk grond zoals nader aangegeven in de dagvaarding eerste aanleg. Niet is gebleken dat het hoger beroep conform de regeling van artikel 3:27 lid 2 BW is ingeschreven in de registers. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zij hebben ieder bij akte gereageerd. 2.2. De Stichting stelt in haar akte dat artikel 3:27 lid 2 BW niet van toepassing is en dat zij daarom ontvankelijk is in het hoger beroep. De bijzondere procedure van artikel 3:27 lid 2 BW moet volgens de Stichting worden onderscheiden van een verklaring voor recht als bedoeld in artikel 3:302 BW. De Stichting stelt dat het in deze zaak de vraag is of de verklaring voor recht een verklaring was met bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW of dat deze strekte tot het verkrijgen van een declaratoire uitspraak tussen partijen als bedoeld in artikel 3:302 BW. Alleen in het eerste geval zijn de processuele bepalingen van artikel 3:27 lid 2 BW van toepassing. De Stichting stelt dat [geïntimeerden] geen verklaring met bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW heeft gevorderd. De Stichting stelt dat [geïntimeerden] de procedure van artikel 3:27 BW niet heeft gevoerd, niet heeft willen voeren en dat ook vaststaat dat de openbare oproeping van derden-belanghebbenden niet heeft plaatsgevonden. De Stichting verzoekt het hof haar bij arrest of rolbeslissing ontvankelijk te verklaren en de zaak voor memorie van grieven te zetten. 2.3. [geïntimeerden] heeft daartegen aangevoerd dat de Stichting was geregistreerd als juridisch eigenaar. Na het bestreden eindvonnis is de strook grond overgedragen aan [geïntimeerden] Op 23 december 2024 is daartoe door een notaris een Registerverklaring ingeschreven in het Kadaster. Het geschil is in volle omvang aan het hof voorgelegd. Daarmee dus ook het oordeel over de eigendomsuitwijzing die bestemd is om in de registers te worden ingeschreven. Volgens [geïntimeerden] is werking jegens derden beoogd en deze derden kunnen nu niet in het kadaster zien dat de strook grond nog onderdeel is van een hoger beroepsprocedure. Het doel van de Stichting is om de ingeschreven eigendomssituatie in het Kadaster te (doen) vernietigen. Als die vordering wordt toegewezen, dan zou dat moeten leiden tot een aanpassing. Er is daarmee sprake van een verklaring voor recht met een bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW en strekt ertoe derden te beschermen. [geïntimeerden] concludeert de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger