Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:2003
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
3,439 tokens
Volledig
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.336.228/01
arrest van 15 juli 2025
in de zaak van
Bouwbedrijf Lymbouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Lymbouw
advocaat: mr. M.B.A. Alkema te Breda,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna, zowel gezamenlijk als individueel, aan te duiden als [geïntimeerden] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun te Tilburg.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 maart 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/400751 / HA ZA 22-434 gewezen vonnis van 30 augustus 2023.
5Het verdere verloop van de procedure
5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 25 maart 2025;
- het rolbericht van Lymbouw waarin zij bericht af te zien van haar recht om getuigen te horen;
- het rolbericht dat Lymbouw waarin zij bericht eveneens af te zien van het nemen van een memorie na niet gehouden getuigenverhoor en arrest vraagt.
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6De verdere beoordeling
6.1.
Bij genoemd tussenarrest van 25 maart 2025 heeft het hof Lymbouw toegelaten te bewijzen dat zij de opdracht heeft gekregen om de conform de oorspronkelijke opdracht gemonteerde spruwer met voldoende afvoercapaciteit te vervangen door een spruwer met veel overcapaciteit.
6.2.
Lymbouw heeft van haar stelling geen bewijs geleverd. Grief XIV slaagt niet; haar komt geen vordering toe uit hoofde van het door haar gestelde meerwerk.
6.3.
Het hof concludeert dat grief V, gedeeltelijk, en de grieven VI, VII, XII, XIX tot en met XXIII, XXV, XXVII en XXVIII slagen. Dit leidt tot een vernietiging van het bestreden vonnis.
6.4.
Beide partijen nemen voor de berekening van hun vorderingen als uitgangspunt de resterende aanneemsom ter hoogte van € 196.340,96. Het hof zal onderstaand de vorderingen van partijen met inachtneming van de inhoudelijke beslissingen berekenen aan de hand van het meerwerk, het minderwerk en de besparingen, de post “puien en kozijnen” en de schadevergoeding. Bij het noemen van de posten worden de letteraanduidingen gebruikt zoals die onder punt 120 van de inleidende dagvaarding door Lymbouw zijn weergegeven.
Het meerwerk
6.4.1.
De rechtbank heeft onder r.o.. 4.15 e.v. van het bestreden vonnis de meerwerkposten beoordeeld. Deze beoordeling blijft in hoger beroep, met uitzondering van de beoordeling van post d, (zie grief XII), in stand.
6.4.2.
Het bedrag aan meerwerk dat aan Lymbouw toekomt, is dan als volgt:
b. schoonhouden bouwterrein 324,73
c. steigerhuur 324,73
d. noodvoorziening 955,91
f. dakbedekking 129,89
i. meerwerk muurtoilet 1.254,50
j. gordingen aanpassen 552,15
k. opmetselen binnenspouwblad 1.702,51
l. tweede drukschot 1.004,31
m. ensuite kast afbreken 872,88
n. voegwerk herstellen en metselwerk 2.323,04
o. dakdoorvoeren verwijderen 498,67
totaal 9.943,32
Minderwerk en besparingen
6.5.1.
In hoger beroep staat vast dat de post “houten binnendeurkozijnen” ter hoogte van
€ 14.145,40 als minderwerk op de aanneemsom in mindering worden gebracht (zie r.o. 3.3.3. van het tussenarrest). Dit geldt ook voor de post “tegelwerk”, door de rechtbank berekend op € 26.373,31. Lymbouw heeft tegen de berekening van dit bedrag geen grief gericht. Opgeteld komt dit neer op een bedrag aan minderwerk van € 40.518,71.
6.5.2.
Lymbouw heeft in de berekening van haar vordering onder punt 120 van de inleidende dagvaarding een aantal posten in mindering gebracht; zij heeft deze posten berekend voor zover dit minderwerk voor haar besparingen heeft opgeleverd. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor het in mindering brengen van de staartkosten en aannemers-provisie op het minderwerk geen grond bestond en heeft de posten herrekend naar bedragen inclusief staartkosten en btw. Vervolgens heeft de rechtbank deze opnieuw berekende posten als minderwerk in mindering gebracht op de aanneemsom.
6.5.3.
Het hof stelt allereerst vast dat Lymbouw geen, althans geen voldoende kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de post dd “overstek en overkapping” niet is uitgevoerd.
Zoals het hof in r.o. 3.19.1 van het tussenarrest heeft overwogen, heeft Lymbouw als gevolg van de opzegging door [geïntimeerden] , recht op de voor het gehele werk geldende prijs, verminderd met de besparingen die voor haar uit de opzegging zijn voortgevloeid. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de besparingen ligt bij [geïntimeerden] , maar Lymbouw heeft de plicht om de omvang van de besparingen aan [geïntimeerden] duidelijk te maken.
Lymbouw stelt dat haar besparingen bestaan uit het geoffreerde bedrag minus de aannemersprovisie van 10% en 7,35% aan staartkosten. [geïntimeerden] heeft niet althans onvoldoende betwist dat Lymbouw, bij opzegging van de overeenkomst door [geïntimeerden] , recht heeft op de staartkosten, berekend over de posten die als gevolg van deze opzegging niet zijn uitgevoerd, maar hij heeft de gestelde aannemersprovisie wel betwist.
Het hof stelt vast dat partijen aldus niet zozeer strijden over de omvang van de besparingen maar over hetgeen van de aanneemsom resteert na aftrek van de besparingen. Naar het oordeel van het hof heeft Lymbouw niet, althans niet voldoende voldaan aan haar plicht om de omvang van de besparingen duidelijk te maken. De enkele stelling dat zij bij het opstellen van de offerte elke post met een bedrag van 10% aan aannemersprovisie heeft verhoogd, dit overigens met uitzondering van de lichtstraat waarover 13% provisie is berekend (zie punt 36 conclusie van antwoord in reconventie), is onvoldoende. Het ligt op de weg van Lymbouw om aan te geven welke kosten zij als gevolg van de opzegging heeft bespaard zodat daaruit kan worden afgeleid welk deel van de aanneemsom dan resteert. Met andere woorden: welke uitgaves (zoals materiaalkosten) en arbeidskosten heeft Lymbouw, hoewel geoffreerd, als gevolg van de opzegging, niet gedaan resp. gedragen. Deze bedragen strekken dan in mindering op de aanneemsom. Onder verwijzing naar (p. 12 van) het calculatierapport dat behoort bij de offerte, is er geen enkele onderbouwing voor de gestelde 10% aan aannemersprovisie maar wel voor de staartkosten van 7,35%, aldaar omschreven als “werkvoorbereiding van 2%, uitvoeringskosten/winst/risico van 5% en de car-verzekering van 0,35%”.
Het hof concludeert dat Lymbouw recht heeft op het bedrag dat gelijk is aan de staartkosten over de werkzaamheden die zij als gevolg van de opzegging door [geïntimeerden] niet heeft verricht.
6.5.4.
Hoewel het werk dat Lymbouw als gevolg van de opzegging niet heeft verricht, juridisch niet te duiden is als minderwerk, zal het hof voor de berekening van het bedrag waarop Lymbouw recht heeft, deze niet verrichte posten onder het minderwerk meenemen en vervolgens de staartkosten over deze posten berekenen. Deze staartkosten worden dan als resterende aanneemsom aan Lymbouw toegewezen.
Volledig
6.5.5.
Tegen de door de rechtbank gemaakte berekening van de omvang van het minder-werk is door geen van partijen een grief gericht. Het gaat dan om:
e. metselwerk, gevel injecteren 649,47
g. naïsolatie, stelpost spouwisolatie 9.742,01
h. stelpost vloerisolatie 6.494,68
dd. overstek en overkapping 652,51
ee. binnendeuren, architraven etc 10.813,72
ff. balustrade vastzetten 334,15
gg. nieuwe trap slaapkamer 4.695,94
ii. vensterbanken 3.718,42
jj. nieuwe plinten 8.763,52
kk. smeerlatten 573,48
totaal € 46.437,90
6.5.6.
Daarbij moet vervolgens nog het minderwerk van de lichtstraat worden opgeteld, ter hoogte van € 7.205,14, zijnde het geoffreerde bedrag ter hoogte van € 5.546,96 vermeerderd met 7,35% staartkosten en dit bedrag dan vermeerderd met 21% btw. Hierop moet een bedrag van € 1.815,00 in mindering worden gebracht, nu [geïntimeerden] heeft erkend dat dit deel van het werk is uitgevoerd. De rechtbank heeft dit in r.o. 4.98 van het bestreden vonnis vastgesteld. Het minderwerk van de lichtstraat is dan € 7.205,14 minus € 1.815,00 is € 5.390,14 inclusief 7,35% staartkosten en 21% btw.
6.5.7.
Het totaal aan berekend “minderwerk” komt dan neer op € 92.346,75 (€ 40.518,71 + € 46.437,90 + € 5.390,14).
6.5.8.
Lymbouw heeft recht op de staartkosten over de posten genoemd in r.o. 6.5.5 en 6.5.6., dit vermeerderd met btw. Het hof heeft voormelde bedragen (€ 46.437,90 + € 5.390,14 = € 51.828,04) eerst herrekend naar een bedrag exclusief 21% btw, zijnde € 42.833,09. In dit bedrag zit 7,35% aan staartkosten, hetgeen dan neerkomt op € 2.932,65. Inclusief btw komt dit dan neer op € 3.548,51.
Puien en kozijnen
6.6.
Grief V ziet op de post “puien en kozijnen”, post aa in het overzicht van Lymbouw. Direct voorafgaande aan de partiële ontbinding zou Lymbouw deze post moeten uitvoeren voor een bedrag van € 106.628,83 inclusief btw. Het is dan ook dit bedrag dat zij als minderwerk moet betrekken in haar vordering.
Daar staat tegenover dat [geïntimeerden] recht heeft op een bedrag van € 3.481,17 ten titel van vervangende schadevergoeding, zijnde de door hem betaalde prijs voor deze post ter hoogte van € 110.110,00 inclusief btw minus voormeld bedrag.
Schadevergoeding
6.7.
Tot slot berekent het hof de aan [geïntimeerden] toekomende schadevergoeding op een bedrag van € 13.481,17, zijnde de vertragingsschade, door het hof in het tussenarrest vastgesteld op € 10.000,00 en bovenstaande vervangende schadevergoeding.
Saldo na verrekening
6.8.1.
Per saldo heeft [geïntimeerden] jegens Lymbouw nog recht op een bedrag van € 2.623,96, namelijk
de restant aanneemsom € 196.340,96
plus:
het meerwerk 9.943,32
de staartkosten 3.548,51
minus:
het minderwerk, incl de post puien en kozijnen 198.975,58 (106.628,83 + 92.346,75)
de schadevergoeding 13.481,17
6.8.2.
De hoofdvordering van Lymbouw dient dan ook te worden afgewezen en de hoofdvordering van [geïntimeerden] jegens Lymbouw voor voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te worden toegewezen. Nu dit een lager bedrag is dan de rechtbank heeft toegewezen, zal het hof [geïntimeerden] veroordelen om het door Lymbouw teveel betaalde, aan haar terug te betalen.
6.8.3.
Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren, nu beide partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.
7
7. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van Lymbouw af;
veroordeelt Lymbouw tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 2.623,96 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2019 tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot terugbetaling aan Lymbouw van al hetgeen zij naar aanleiding van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, voor zover dit een hoger bedrag betreft dan zij op grond van de bovenstaande veroordeling aan [geïntimeerden] verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, A.L. Bervoets en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2025.
griffier rolraadsheer