Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:1968
Strafrecht
Hoger beroep
14,781 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001024-22
Uitspraak : 7 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 mei 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-217426-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1967,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen, met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel zal toewijzen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft - met uitzondering van een referte ter zake van het aan de haren trekken onder feit 1 - primair vrijspraak van het overige onder 1 en het onder 2 en 4 tenlastegelegde bepleit en, in het verlengde daarvan, niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen tot schadevergoeding. Subsidiair, in geval van enige bewezenverklaring, is gelet op het tijdsverloop van 5,5 jaren verzocht om te volstaan met een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voorts is verzocht om aan de verdachte geen contactverbod met zijn oudste zoon [slachtoffer 3] op te leggen. Ten slotte heeft de verdediging zich, in geval van een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2, gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de daaraan verbonden vorderingen van de benadeelde partijen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt door verjaring het recht op strafvervolging na zes jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld en na twaalf jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie jaren maar minder dan acht jaren is gesteld.
Mishandeling wordt ingevolge artikel 300 Sr bestraft met een gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren. Voor partner- en kindermishandeling geldt ingevolge het bepaalde in artikel 304 dat deze gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd. Derhalve geldt voor partner- en kindermishandeling een maximumgevangenisstraf van vier jaren en dus een verjaringstermijn van twaalf jaren.
Op grond van artikel 71 Sr vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop het
feit is gepleegd. Ter zake van kindermishandeling geldt op grond van artikel 71, onder 3º, Sr, zoals dat geldt sinds 1 januari 2020 als gevolg van een wetswijziging per die datum, dat de periode van verjaring aanvangt op de dag nadat het slachtoffer achttien jaar is geworden. Die uitzondering geldt weliswaar ook bij feiten die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn gepleegd, alleen niet indien die feiten vóór 1 januari 2020 al waren verjaard.
Op grond van artikel 72, eerste lid, Sr wordt door een daad van vervolging de verjaring
gestuit. Op 8 maart 2022 heeft het Openbaar Ministerie de inleidende dagvaarding doen uitgaan aan de verdachte. De verjaring is derhalve gestuit op 8 maart 2022.
Een mishandeling op zichzelf bezien betreft geen voortdurend delict, daargelaten een oordeel over eventuele stelselmatigheid, maar ziet op incidentele gedragingen.
Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde geldt dat dit feit -dat volgens de steller van de tenlastelegging ziet op een ruime pleegperiode waarin de verdachte meerdere partnermishandelingen worden verweten- verjaard is voor zover de verdenking betrekking heeft op mishandeling(en) in de periode vóór 8 maart 2010. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde geldt dat dit feit -dat volgens de steller van de tenlastelegging eveneens ziet op een ruime pleegperiode waarin de verdachte meerdere kindermishandelingen van drie van zijn kinderen wordt verweten- verjaard is voor zover de verdenking betrekking heeft op mishandeling(en) in de periode vóór 1 januari 2008. Deze datum is gerelateerd aan de latere aanvangsdatum van de verjaringstermijn als gevolg van de hiervoor genoemde wetswijziging per 1 januari 2020.
Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van:
feit 1, voor zover ziende op de tenlastegelegde periode van 1 januari 2007 tot en met 7 maart 2010 en
feit 2, voor zover ziende op de tenlastegelegde periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.
Voor het overige is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof heeft geconstateerd dat tijdens de behandeling in eerste aanleg – in strijd met het bepaalde in artikel 311, vierde lid, Sv en op straffe van nietigheid – aan de verdachte niet het recht is gelaten om het laatst te spreken. De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op 22 april 2022 weliswaar het laatste woord gekregen en in dat kader verklaard, maar naar aanleiding daarvan heeft de advocate van de benadeelde partijen nog het een en ander aangevoerd. Hierop heeft de verdachte niet nogmaals het laatste woord gekregen, maar is het onderzoek door de voorzitter gesloten. Het hof is van oordeel dat dit gebrek leidt tot nietigheid van het vonnis.
Het hof overweegt daarbij nog dat voor dit gebrek expliciet aandacht is gevraagd ter terechtzitting in hoger beroep en dat door de verdediging, noch door het Openbaar Ministerie, is aangevoerd dat de verdachte door het niet krijgen van het laatste woord in zijn verdedigingsbelangen is geschaad.
Nu aldus op de hoofdzaak door de rechtbank is beslist terwijl sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim en de zaak geheel opnieuw inhoudelijk in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman is behandeld in hoger beroep, behoort het vonnis te worden vernietigd, maar acht het hof gehoord ook de standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie geen termen aanwezig de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde bepleit.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat zich in het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevindt, nu de afgelegde verklaringen weinig concreet zijn. Bovendien heeft [slachtoffer 2] verklaard over mishandelingen die voor haar geboorte zouden hebben plaatsgevonden, hetgeen een indicatie is dat deze verklaring in overleg met haar moeder is opgesteld, en heeft [slachtoffer 3] bij de familierechter andersluidend verklaard dan in de onderhavige strafprocedure. Hij zou ook weer contact met zijn vader willen en hebben gezocht. Voorts heeft [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris verklaard dat haar vader nooit iemand heeft mishandeld en dat zij enkel aangifte tegen haar vader heeft gedaan om achter de locatie van haar moeder te komen. Later is zij ook weer bij haar vader gaan wonen. Deze omstandigheden maken volgens de verdediging dat behoedzaam met de verklaringen omgegaan moet worden. Behoudens één video-opname, zijn er geen objectieve bewijsmiddelen, zoals letselomschrijvingen of andere getuigenverklaringen, die de aangiftes en verklaringen van de toenmalige echtgenote en de kinderen van de verdachte ondersteunen. Op basis van deze video-opname is enkel te bewijzen dat de verdachte zijn toenmalige echtgenote aan de haren heeft getrokken, zoals tenlastegelegd onder feit 1, en in zoverre heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de overige onder 1 en 2 tenlastegelegde handelingen dient de verdachte te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 4
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt. Het bewijs voor dit feit zou bestaan uit de aangifte van [slachtoffer 4] en het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt beschreven hoe [betrokkene 1] zich gedraagt bij de bespreking van enkele handelingen. Echter, volgens aangeefster [slachtoffer 4] was [betrokkene 1] niet aanwezig bij de gestelde bedreiging. Bovendien hebben de broers van verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , de verklaring van de verdachte dat hij zijn dochter niet heeft bedreigd, bevestigd. De verdachte dient derhalve ook van het onder 4 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Met de rechtbank, overweegt het hof hieromtrent als volgt.
De betrouwbaarheid van de verklaringen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaringen van de echtgenote en de kinderen van de verdachte. Voor zover de verdediging hiermee bedoelt aan te geven dat deze verklaringen niet betrouwbaar zijn, overweegt het hof, met de rechtbank, hiertoe als volgt.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat zowel [slachtoffer 1] , als de kinderen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , concreet en gedetailleerd hebben verklaard over handelingen die de verdachte jegens hen heeft gepleegd. Ten aanzien van specifieke mishandelingen, specifieke voorwerpen die de verdachte daarbij heeft gebruikt en specifiek letsel, komen de verklaringen van de kinderen op belangrijke punten met elkaar overeen. Ook wordt de context – zoals de aanleiding en de bijkomende omstandigheden – van de diverse mishandelingen door hen beschreven. Met de rechtbank, stelt het hof vast dat [slachtoffer 1] en de kinderen de verdachte niet onnodig of overdreven in diskrediet hebben gebracht. Zo hebben alle drie de kinderen verklaard dat de verdachte zijn jongste kind [betrokkene 1] niet heeft mishandeld en dat de mishandelingen niet dagelijks plaatsvonden. Met de rechtbank heeft het hof, gelet op het voorgaande en anderszins, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende verklaringen van de kinderen en van de toenmalige echtgenote van de verdachte te twijfelen en hecht daaraan geloof. Het hof overweegt daarbij nog dat [slachtoffer 2] op 10 mei 2024 door de raadsheer-commissaris van het hof is gehoord en toen heeft verklaard dat zij in het eerder op 14 december 2019 bij de politie afgenomen verhoor naar waarheid heeft verklaard.
Het hof kijkt evenwel anders aan tegen de verklaring van de verdachte en acht deze niet geloofwaardig, noch aannemelijk. De positieve woorden die hij over de relatie met zijn toenmalige echtgenote heeft geuit ten overstaan van de politie, worden weersproken door aangeefster [slachtoffer 1] en de kinderen. Verdachtes woorden dat zij in de 20 jaar huwelijk altijd met liefde, genegenheid, vrede en begrip met elkaar zijn omgegaan, vindt geen enkele bevestiging in het dossier. Hetzelfde lot volgen zijn woorden dat zij nooit onenigheid hebben gehad en aangeefster [slachtoffer 1] alle vrijheid had die ieder mens op aard heeft, zonder restricties. Ook de ontkenning ten overstaan van de rechtbank dat het niet klopt dat aangeefster [slachtoffer 1] is mishandeld gedurende het huwelijk, zij niet naar buiten mocht en zo een geïsoleerd leven leidde, vindt geen steun in het dossier. Aangeefster en de kinderen spreken dit niet alleen tegen, maar in de medische informatie ziet het hof eveneens bevestiging voor de stelselmatigheid van het door de verdachte gebezigde geweld tegen aangeefster [slachtoffer 1] gedurende het huwelijk. Ook die informatie draagt daarmee bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en die van de kinderen.
Ten aanzien van feit 1
Net als de rechtbank, kan naar het oordeel van het hof, op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen, allereerst worden vastgesteld dat de verdachte in de periode van 8 maart 2010 tot en met 8 oktober 2019 te Waalwijk zijn toenmalige echtgenote mevrouw [slachtoffer 1] heeft mishandeld.
Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de kinderen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat de verdachte zijn echtgenote tegen haar gezicht en haar lichaam sloeg en stompte en dat hij ook tegen haar lichaam schopte. Met de rechtbank leidt het hof uit het dossier af dat deze gedragingen stelselmatig gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden. De laatste keer was op 8 oktober 2019. De dag erna heeft aangeefster [slachtoffer 1] de echtelijke woning verlaten om niet meer terug te keren.
Dat de verdachte aan het hoofdhaar van zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer 1] heeft getrokken blijkt uit de door haar gedane aangifte en uit de video-opname die ter terechtzitting in eerste aanleg is getoond en tevens door het hof in raadkamer is bekeken. Deze opname is gemaakt op 12 maart 2019 en daarop is, volgens verbalisant [verbalisant 1] die zijn waarnemingen in een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 72) heeft gerelateerd, te zien dat de verdachte tweemaal aan de haren trekt van mevrouw [slachtoffer 1] . De verdachte heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zijn vrouw en kinderen in deze video acteerden. Wat zijn eigen rol was, wilde hij niet zeggen. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard zichzelf niet op de beelden te herkennen. Het hof acht deze verklaringen van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Ten aanzien van voornoemd proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] overweegt het hof nog dat de verbalisant hierin telkens als verdachte aanmerkt: [betrokkene 3] , geboren op [geboortedag 5] 1973 (te weten de broer van de verdachte). Het hof is, gelet op het navolgende, van oordeel dat dit een kennelijke vergissing van de verbalisant is en dat de verbalisant telkens heeft bedoeld: de verdachte, [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1967.
Conclusie
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 7.725,00. Dit bedrag valt uiteen in
€ 2.725,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld en met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij ten aanzien van de materiële schade uit van de datum van het indienen van de vordering, te weten 29 maart 2022, nu niet duidelijk is op welk moment exact deze schade is ontstaan, en gaat ten aanzien van de immateriële schade uit van de laatste dag van de pleegperiode, te weten 8 oktober 2019.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 7.725,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 2.500,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele vergoeding. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade opgelopen en de schade gesteld op een bedrag van € 5.500,00. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de benadeelde partij sloeg in haar gezicht en op haar armen en benen met een vlakke hand of met zijn hand gebald in een vuist. Soms droeg de verdachte ook ringen, waardoor de klappen nog meer pijn deden. Soms kreeg ze één klap, soms meerdere klappen achter elkaar. De benadeelde partij had hierdoor vaak blauwe plekken op haar lichaam. Zij leefde elke dag in angst of zij die dag weer mishandeld zou worden. Dit leidde tot veel stress. Ook is de benadeelde partij getuige geweest van het huiselijke geweld dat de verdachte tegen haar moeder heeft gepleegd en dit heeft haar ook getraumatiseerd. De benadeelde partij was niet alleen bang voor zichzelf, maar ook voor haar zus, broertjes en haar moeder. Zij heeft dagelijks herbelevingen aan hetgeen haar is overkomen en zij leeft in angst. Ook heeft de benadeelde partij PTSS-klachten.
Het hof is van oordeel dat voornoemde gevolgen onmiskenbaar aanleiding kunnen zijn om ter genoegdoening een bedrag aan immateriële schade toe te kennen. Het hof zal de omvang van de door de verdachte veroorzaakte immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 2.500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst van de aantasting van de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, de aard van het lichamelijke en geestelijke letsel en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Bijgevolg zal het meer gevorderde aan immateriële schade worden afgewezen.
Het hof merkt hierbij nog op dat de vordering door de verdediging niet inhoudelijk is betwist.
Conclusie
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld en met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij uit van de laatste dag van pleegperiode, te weten: 8 oktober 2019. De meer gevorderde schade wordt afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van:
feit 1, voor zover ziende op de tenlastegelegde periode van 1 januari 2007 tot en met 7 maart 2010 en
feit 2, voor zover ziende op de tenlastegelegde periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 6] 1983 te [geboorteplaats 2] ;
[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2003 te [geboorteplaats 3] ;
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2001 te [geboorteplaats 4] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.725,00 (zevenduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 2.725,00 (tweeduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.725,00 (zevenduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 2.725,00 (tweeduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op
29 maart 2022 en van de immateriële schade op 8 oktober 2019.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
8 oktober 2019.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 7 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 maart 2010 tot en met 8 oktober 2019 te Waalwijk en/of Eindhoven en/of Enschede en/of Losser, althans in Nederland, zijn echtgenoot/echtgenote [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1]
meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen en/of op/tegen het lichaam te trappen/schoppen en/of
aan haar hoofdhaar en/of o(o)r(en) te trekken en/of
met een tuinslang op/tegen het lichaam te slaan en/of
met een telefoon en/of stoel tegen het hoofd en/of het lichaam te gooien en/of
met haar hoofd tegen de/een (badkamer)deur, althans een hard voorwerp, aan te duwen/slaan en/of
bij haar keel te pakken en/of (vervolgens) de keel dicht te knijpen;
2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks 1 januari 2008 tot en met 8 oktober 2019 te Waalwijk en/of Eindhoven en/of Enschede en/of Losser, althans in Nederland, zijn kind(eren)
[slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 2] 2000 en/of
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2001 en/of
[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2003,
heeft mishandeld door
hen/hem/haar in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan/stompen
voornoemde [slachtoffer 3] met een tuinslang op/tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of trappen tegen het lichaam;
4.hij op of omstreeks 12 oktober 2019 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch,
[slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen
“ “Als ik om 18:00 geen adres heb ga jij met mij mee en ga ik je vermoorden. Niemand gaat je terugvinden” en/of
“ “Ik ga je met een mes vermoorden” en/of “Ik ga je met een mes op je keel vermoorden” en/of
“ “Ik ga tie-wraps om je polsen doen en met een hamer al je vingers breken” en/of
“ “Ik ga vandaag [slachtoffer 4] vermoorden”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en/of door (daarbij)
een stoel op te heffen en/of (vervolgens) te doen alsof hij, verdachte, die stoel in de richting van (het lichaam van) voornoemde [slachtoffer 4] wilde gooien en/of
een leeg blikje met zijn, verdachtes, handen om te draaien en/of daarbij te zeggen dat dit met haar, [slachtoffer 4] ’s, nek zou gebeuren.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd, waaronder de kennelijke verschrijving onder feit 1 van de aldaar vermelde achternaam van de echtgenoot/echtgenote [slachtoffer 1] , die het hof heeft verbeterd in [slachtoffer 1] . De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op tijdstippen in de periode van 8 maart 2010 tot en met 8 oktober 2019 te Waalwijk zijn echtgenote [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1]
( (meermalen) tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen en/of tegen het lichaam te trappen/schoppen en/of
( aan haar hoofdhaar te trekken en/of
( met een telefoon en stoel tegen het hoofd en/of het lichaam te gooien en/of
( met haar hoofd tegen de badkamerdeur aan te slaan;
2.hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 oktober 2019 te Waalwijk zijn kinderen
[slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 2] 2000 en/of
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2001 en/of
[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2003,
heeft mishandeld door
hen tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan/stompen;
4.hij op 12 oktober 2019 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen
“ “Als ik om 18:00 geen adres heb ga jij met mij mee en ga ik je vermoorden. Niemand gaat je terugvinden” en
“ “Ik ga je met een mes vermoorden” en
“ “Ik ga tie-wraps om je polsen doen en met een hamer al je vingers breken”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en door (daarbij)
een stoel op te heffen en vervolgens te doen alsof hij, verdachte, die stoel in de richting van voornoemde [slachtoffer 4] wilde gooien en
een leeg blikje met zijn, verdachtes, handen om te draaien en daarbij te zeggen dat dit met haar, [slachtoffer 4] ’s, nek zou gebeuren.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Verdachte was aangehouden op verdenking van huiselijk geweld, waarna de telefoon van zijn dochter werd onderzocht en het filmpje werd gevonden. Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij verdachte herkent, omdat hij met verdachte in verhoor zat, alvorens hij het filmpje heeft gezien. Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] inderdaad het verhoor heeft afgenomen van verdachte. De verhoren van zijn broer [betrokkene 3] zijn afgenomen door een andere verbalisant, genaamd [verbalisant 2] . Het hof twijfelt gelet hierop niet aan de herkenning van verbalisant [verbalisant 1] dat het verdachte is die op het filmpje wordt waargenomen.
Daarnaast kan worden bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode, op
verschillende momenten, een telefoon en een stoel tegen [slachtoffer 1] heeft gegooid. Uit de
aangiftes van de kinderen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt
immers dat de verdachte een telefoon tegen het hoofd en een stoel tegen het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gegooid. Dat deze gedragingen in de bewezenverklaarde pleegperiode, te weten van 8 maart 2010 tot en met 8 oktober 2019, hebben plaatsgevonden blijkt uit het feit dat volgens de bewijsmiddelen op het moment van die gedragingen ook het jongste kind [betrokkene 1] al geboren was. [betrokkene 1] is geboren tijdens de pleegperiode, namelijk op 4 augustus 2012.
Ten aanzien van het gooien met de stoel heeft [slachtoffer 4] verklaard dat zij, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] op dat moment boven waren. [slachtoffer 2] heeft hierover verklaard dat dit in 2017/2018 was. Ten aanzien van het gooien van de telefoon heeft [slachtoffer 2] verklaard dat
[betrokkene 1] en [slachtoffer 3] aan het spelen waren en lawaai maakten, waardoor de verdachte boos
werd, vervolgens [slachtoffer 3] sloeg en een telefoon gooide tegen [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 3] over deze gedraging is gelijkluidend, met dien verstande dat hij heeft verklaard dat geen sprake was van spelen, maar van een ruzie tussen hem en zijn broertje [betrokkene 1] over de desbetreffende telefoon, omdat [betrokkene 1] deze van hem afpakte.
Ten slotte stelt het hof, op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, vast dat de verdachte op 8 oktober 2019 zijn echtgenote met haar hoofd tegen de badkamerdeur
heeft geslagen. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat zij op 8 oktober 2019 bij haar moeder letsel, namelijk een blauwe plek bij haar oog, heeft waargenomen.
Aan de verdachte is tevens tenlastegelegd dat hij zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer 1] aan haar oren heeft getrokken, haar met een tuinslang heeft geslagen en haar bij haar keel heeft gepakt en vervolgens de keel heeft dichtgeknepen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] aan haar oren heeft getrokken en haar bij haar keel heeft gepakt en de keel heeft dichtgeknepen. Het dossier bevat hierover alleen de verklaring van [slachtoffer 1] zelf. In artikel 342, tweede lid, Sv is bepaald dat de rechter het
bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de
verklaring van het slachtoffer/aangever. Er moet dus meer bewijs zijn, iets dat die verklaring
ondersteunt. Uit het dossier zijn geen andere concrete aanknopingspunten af te leiden die de
verklaring van [slachtoffer 1] betreffende genoemde gedragingen in voldoende mate ondersteunen. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat niet wordt voldaan aan het vereiste
bewijsminimum.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt wel van het slaan met de tuinslang en dat dit zich kort na de miskraam heeft voorgedaan. Uit de medische verklaring (aanvullend proces-verbaal d.d. 13 augustus 2021) blijkt dat de miskraam op 19 juni 2007 heeft plaatsgevonden. Deze gedraging heeft derhalve niet in de tenlastegelegde pleegperiode plaatsgevonden.
Net als de rechtbank, zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Voor het overige wordt het verweer van de verdediging verworpen en acht het hof het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen
bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en
met 8 oktober 2019 te Waalwijk zijn kinderen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft
mishandeld door hen tegen het gezicht en het lichaam te slaan en te stompen. Ook ten aanzien van zijn kinderen geldt dat uit het dossier blijkt dat deze gedragingen stelselmatig gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden.
Aan verdachte is voorts tenlastegelegd dat hij [slachtoffer 3] heeft geschopt tegen het lichaam. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet voldoende is komen vast te staan dat deze gedraging zich zou hebben voorgedaan in de tenlastegelegde pleegperiode. [slachtoffer 3] heeft immers verklaard over een gedraging op 10 oktober 2019 waarbij hij is geschopt door de verdachte. Deze datum valt net na de tenlastegelegde pleegperiode, na het vertrek van [slachtoffer 1] . Net als de rechtbank in eerste aanleg deed, zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Voor het overige wordt het verweer van de verdediging verworpen en acht het hof het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 4
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen
bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte op 12 oktober 2019 zijn dochter
[slachtoffer 4] in Rosmalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met
zware mishandeling. Hij heeft haar dreigend de woorden toegevoegd: “Als ik om 18:00 uur geen adres heb ga jij met mij mee en ga ik je vermoorden. Niemand gaat je terugvinden.”
Dat de verdachte dit heeft gezegd tegen [slachtoffer 4] blijkt zowel uit haar aangifte als uit de bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] , waarover zij bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard toen naar waarheid te hebben verklaard.
[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij een appbericht heeft gestuurd naar [slachtoffer 2] om hulp van de politie in te roepen. [slachtoffer 2] heeft hierover verklaard dat zij van [slachtoffer 4] een app-bericht ontving waarin stond dat zij de politie moest bellen, omdat ze haar wilden vermoorden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (dossierpagina 8) blijkt dat [slachtoffer 2] dit ook zo heeft gezegd tegen de verbalisant, die zij en [slachtoffer 3] naar aanleiding van het appbericht van [slachtoffer 4] hebben opgebeld.
Daarnaast slaat het hof, net als de rechtbank, acht op het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 15), waaruit blijkt dat [slachtoffer 4] kort na aankomst van de politie tegen verbalisant [verbalisant 4] heeft verteld dat ze volgens haar vader en ooms zou moeten weten waar
haar moeder zou zitten en, mocht zij niet met een adres komen voor 18.00 uur, dat zij dan
vermoord zou worden door haar vader.
Naar het oordeel van het hof kan op basis van de gebezigde bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij haar met een mes gaat vermoorden en dat hij tie-wraps om haar polsen doet en met een hamer al haar vingers breekt. Het dossier bevat hierover ten eerste de verklaring van [slachtoffer 4] .
Dictum
Uit het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 26) blijkt bovendien dat haar jongste broer [betrokkene 1] de vertelling van [slachtoffer 4] gelijktijdig heeft uitgebeeld. [betrokkene 1] beeldde de volgende handelingen uit: de stoel opheffen en slaande beweging maken, het met een hamer slaan op de vingers, het dood maken waarbij hij een snijbeweging over de keel maakte. De
verbalisant heeft hierover gerelateerd dat dit uitbeelden door [betrokkene 1] zo gelijktijdig met de verklaring van [slachtoffer 4] gebeurde dat uit te sluiten is dat [betrokkene 1] slechts een toneelstukje opvoerde naar aanleiding van hetgeen [slachtoffer 4] aan de politie vertelde.
Weliswaar heeft [slachtoffer 4] verklaard dat [betrokkene 1] op het moment van de gedragingen
boven was, maar uit onder meer de verklaring van de verdachte zelf blijkt dat [betrokkene 1]
beneden was. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 4] bij aankomst van de politie heeft gevraagd naar boven te gaan en haar broertje mee te nemen en op de vraag of het klopt dat de verdachte [slachtoffer 4] heeft bedreigd door te zeggen dat hij haar gaat vermoorden, heeft de verdachte geantwoord dat dit niet waar is en dat [slachtoffer 4] op een gegeven moment begon te huilen omdat [betrokkene 1] begon te huilen. Het hof is derhalve van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 4] in voldoende mate wordt ondersteund.
Net als de rechtbank slaat het hof bovendien acht op het feit dat in de dagen daaraan voorafgaand druk op de kinderen werd uitgeoefend door de verdachte en zijn broer(s) om te achterhalen waar hun moeder [slachtoffer 1] verbleef. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat ze continu werden ondervraagd door haar vader en haar ooms. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard over de druk die in die dagen op hen werd uitgeoefend. Zo heeft zij onder meer verklaard dat de verdachte hen bleef bedreigen, dat hij hen de schuld bleef geven, dat zij iedere dag werden verhoord door hun oom en hun vader en dat de verdachte druk bleef uitoefenen op hen. Deze verklaringen onderstrepen de betrouwbaarheid en daarmee de geloofwaardigheid van het verhaal van [slachtoffer 4] dat de verdachte haar op 12 oktober 2019 heeft bedreigd.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte tevens heeft gezegd: “Ik ga je met een mes op je keel vermoorden” en “Ik ga vandaag [slachtoffer 4] vermoorden”. Net als de rechtbank in eerste aanleg deed, zal het hof de verdachte dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Voor het overige wordt het verweer van de verdediging verworpen en acht het hof het onder 4 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandelingen van zijn toenmalige echtgenote, aan mishandelingen van drie van zijn kinderen en aan bedreiging met de dood en met zware mishandeling van zijn oudste dochter.
De mishandelingen van zijn echtgenote en drie van zijn kinderen – [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – vonden stelselmatig plaats gedurende een periode van 9,5 jaar respectievelijk bijna 12 jaar, waarbij moet worden opgemerkt dat de bewezenverklaarde pleegperioden zijn beperkt door de omstandigheid dat bepaalde gebeurtenissen reeds verjaard zijn. Deze mishandelingen hebben de gezondheid, de lichamelijke integriteit en de psychische integriteit van zijn toenmalige echtgenote en zijn kinderen ernstig geschonden. Het beeld dat zijn zoon [slachtoffer 3] heeft geschetst – dat de kinderen onderaan de trap zaten te luisteren naar hun ouders boven, terwijl hun moeder schreeuwde van de pijn – is schrijnend.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in een aantal gevallen de kinderen getuige waren van de mishandelingen van hun moeder, zoals onder feit 1 bewezenverklaard.
Aan de mishandelingen van de oudste drie kinderen, zoals onder feit 2 is bewezenverklaard, hielden zij blauwe plekken over. Datzelfde gold overigens ook voor hun moeder, de toenmalige echtgenote van de verdachte. De mishandelingen vonden bovendien in hun eigen huis plaats, terwijl zij zich juist daar zonder enig voorbehoud veilig zouden moeten kunnen voelen. Dit geldt eens te meer voor de kinderen, die zich bij hun beide ouders veilig zouden moeten kunnen voelen. De verdachte heeft aldus zijn plicht als vader om zijn kinderen in hun kwetsbare positie de juiste zorg te bieden op zeer ernstige wijze verzaakt en zich schuldig gemaakt aan een ernstig vorm van huiselijk geweld.
[slachtoffer 1] heeft uiteindelijk de beslissing genomen om de verdachte te verlaten. Na een
laatste mishandeling op 8 oktober 2019, waarbij zij met haar hoofd tegen de badkamerdeur
werd geslagen, heeft zij de volgende dag de woning verlaten en is zij naar een opvanghuis gegaan. Zij is vertrokken, terwijl zij de kinderen niet mee kon nemen. Dat zij zich kennelijk hiertoe genoodzaakt zag, indiceert de ernst van de situatie waarin zij en de kinderen zich lange tijd bevonden. Net als de rechtbank rekent het hof het de verdachte zeer zwaar aan dat hij zijn toenmalige echtgenote een normaal en veilig leven en zijn kinderen een normale jeugd heeft ontnomen. Met zijn handelen heeft de verdachte de ontwikkeling van zijn kinderen mogelijk ernstig verstoord. De kans dat [slachtoffer 1] en de kinderen de rest van hun leven last zullen blijven houden van het feit dat haar toenmalige echtgenoot respectievelijk hun vader heeft gezorgd voor een onveilige thuissituatie is erg groot. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaringen die namens [slachtoffer 1] en dochter [slachtoffer 2] ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voorgelezen.
Net als de rechtbank rekent het hof het de verdachte ook zwaar aan dat hij door zijn proceshouding geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en geen inzicht in zijn handelen, laat staan berouw, heeft getoond. Integendeel, de verdachte portretteert zichzelf als het slachtoffer. Zo heeft de verdachte bij de politie verklaard dat sprake is van een complot tegen hem en heeft de verdachte over de op de terechtzitting in eerste aanleg getoonde video-opname verklaard dat [slachtoffer 1] en zijn kinderen daarin hebben geacteerd; hij noemde het zelfs een ‘soap’. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf niet op de beelden herkent.
Dictum
Het lijkt er derhalve op dat de verdachte de ernst van de situatie niet inziet of wil inzien, niets heeft geleerd van de gebeurtenissen en de gevolgen daarvan, noch de oorzaak van zijn verwerpelijke gedrag gaat aanpakken.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2024, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader is door de raadsman weliswaar bevestigd dat de echtscheiding inmiddels is ingeschreven, maar ontkent de verdachte zelf nog steeds dat sprake is van enige echtscheiding. Door tussenkomst van een familierechtelijke procedure is er beeldcontact met de jongste zoon [betrokkene 1] . Ook heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer 3] contact met hem zoekt en dat [slachtoffer 4] uit eigen beweging naar hem toe is gekomen. Ten slotte is aangevoerd dat de verdachte over een eigen woning beschikt en nog steeds fulltime werkzaam is in de horecazaak van zijn broer en hiermee een inkomen genereert.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat niet alleen sprake is van deels gedateerde feiten, maar ook dat de redelijke termijn voor berechting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is overschreden. Immers, de redelijke termijn is op 13 oktober 2019, de dag waarop de verdachte door de politie is verhoord en in verzekering is gesteld, aangevangen en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 6 mei 2022. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen de hiervoor geldende termijn van twee jaren. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 7 maanden. Op 9 mei 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 7 april 2025. De redelijke termijn voor berechting in hoger beroep die eveneens twee jaren betreft, is derhalve met bijna 11 maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat op navolgende wijze.
Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat oplegging van een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt, passend en geboden is bij huiselijk geweldsdelicten als de onderhavige. Gelet op de aard en de ernst van de drie bewezenverklaarde feiten kan derhalve niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie. De door de verdediging aanvankelijk verzochte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van slechts 3 dagen (gelijk aan de duur van het voorarrest) in combinatie met een taakstraf en een voorwaardelijke vrijheidsstraf doet onvoldoende recht aan de ernst, de duur, de frequentie en de gevolgen van de feiten. Het hof gaat aan dat verzoek derhalve voorbij.
Alles afwegende acht het hof in beginsel, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en bestraffing door de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, een passende reactie op het bewezenverklaarde. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn die de verdachte allerminst valt te verwijten, is het hof evenwel van oordeel dat het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf dient te worden verminderd met 1 maand. Dit resulteert dan in een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. Deze straf acht het hof gezien alle omstandigheden passend en geboden. Anders dan de rechtbank heeft gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof daaraan een proeftijd van 5 jaren verbinden, nu er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte de scheiding van [slachtoffer 1] niet lijkt te erkennen, terwijl ter terechtzitting in hoger beroep een kopie van de kennisgeving van inschrijving van die echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand van ’s-Gravehage per 26 oktober 2022 door de gemachtigd advocaat van benadeelde partij [slachtoffer 1] is overgelegd. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte de scheiding niet wil accepteren, zo hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd vanuit geloofsoverwegingen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij contact met zijn kinderen wil, terwijl uit de toelichting van de advocaat van benadeelde partij [slachtoffer 1] volgt dat de verdachte nog steeds naar zijn toenmalige vrouw en kinderen op zoek is. Dit vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte het in eerste aanleg opgelegde contactverbod heeft overtreden door in contact te treden met zijn oudste zoon [slachtoffer 3] .
Omwille van voornoemde omstandigheden, zal het hof – net als de rechtbank in eerste aanleg – ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten en ter bescherming van [slachtoffer 1] en de kinderen, naast de gevangenisstraf, ook een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr aan de verdachte opleggen en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. De maatregel die inhoudt dat de verdachte zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , geldt voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest. Voor het geval de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, zal telkens vervangende hechtenis voor de duur van 2 weken worden opgelegd (tot een maximum van 6 maanden).
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om hem niet langer het contact met [slachtoffer 3] te verbieden, omdat [slachtoffer 3] contact met de verdachte zoekt en de verdachte dit weliswaar afhoudt, maar dit contact wel gewenst is. Net als de rechtbank kan het hof louter op basis van deze uitlatingen van de verdachte niet vaststellen of [slachtoffer 3] daadwerkelijk (nog) contact zoekt met zijn vader en of [slachtoffer 3] het contact met zijn vader wil herstellen of dat er wellicht andere redenen ten grondslag liggen aan het eventueel zoeken van contact. Het hof deelt de visie van de rechtbank dat als [slachtoffer 3] daadwerkelijk contactherstel wenst met de verdachte en het op te leggen contactverbod hieraan in de weg staat, [slachtoffer 3] dit dan alsnog bij het Openbaar Ministerie kenbaar kan maken en met het Openbaar Ministerie zoekt naar een passende modus. Het staat de verdachte in ieder geval niet vrij hier zelf op te beslissen.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf en een vrijheids-beperkende maatregel wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 11.225,00. Dit bedrag bestaat uit € 2.725,00 aan materiële schade (onderverdeeld in 2 posten) en € 8.500,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.