Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:1916
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,625 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.149/01
arrest van 8 juli 2025
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van
1
[appellant],
2. [appellante],beiden wonende te [woonplaats],
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. S.J.H.G.M. Schils te Urmond, gemeente Stein,
tegen
1
[geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 20 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 29 juni 2022, 22 maart 2023, 7 juni 2023 en 29 mei 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellanten – partij [appellanten] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerden – partij [geïntimeerden] – als eisers in conventie, verweerders in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met een productie;
de memorie van grieven tevens incidentele vordering ex artikel 351 Rv met producties, genummerd 11 tot en met 23;
de antwoordmemorie in het incident van de zijde van [geïntimeerden] met twee producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
Partijen zijn buren van elkaar en hebben een geschil over, kort gezegd, de ligging van de kadastrale en juridische grens tussen de percelen van partijen, het oprichten van een gemeenschappelijke scheidsmuur, het verwijderen en verwijderd houden van beplanting aan de zijkant en achterkant van de woning van [appellanten] en een vleugel, staander en bestrating aan de voorzijde van de woning van [appellanten]
3.2.
De rechtbank heeft – samengevat – voor recht verklaard dat de kadastrale grens zoals vastgelegd door het Kadaster op 2 september 2020 tevens de juridische erfgrens is tussen de percelen van partijen. Verder is [appellanten] veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd te houden van de vleugel, staander en bestrating aan de voorzijde van hun woning voor zover deze op of over de erfgrens ligt danwel noodzakelijk is voor de oprichting van een scheidsmuur. [appellanten] dient medewerking te verlenen aan de oprichting van een gemeenschappelijke scheidsmuur. [appellanten] is voorts veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van alle in 3.3. van het vonnis van 29 mei 2024 genoemde beplanting. De rechtbank heeft onder meer ten aanzien van de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. van het vonnis van 29 mei 2024 een dwangsom opgelegd. De vordering in reconventie is afgewezen. [appellanten] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Het vonnis is behoudens de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.3.
Bij vonnis van 23 september 2024, hersteld bij vonnis van 1 november 2024, heeft de voorzieningenrechter in een executiegeschil de tenuitvoerlegging geschorst ten aanzien van een aantal beslissingen in het bestreden vonnis van 29 mei 2024. Het gaat dan om de veroordeling tot het verwijderen en verwijderd te houden van de vleugel, staander en bestrating aan de voorzijde van de woning van [appellanten] voor zover deze op of over de erfgrens ligt danwel noodzakelijk is voor de oprichting van een scheidsmuur en het verlenen van medewerking aan de oprichting van een scheidsmuur. Voorts is de veroordeling onder 3.3. van het vonnis van 29 mei 2024 geschorst voor zover het gaat om de beplanting zoals nader aangeduid in 3.1. van het herstelvonnis van 1 november 2024. Tot slot is gelet op het vorenstaande de opgelegde dwangsom gedeeltelijk geschorst, namelijk op de wijze zoals bepaald in 3.1. van het herstelvonnis van 1 november 2024.
3.4.
[appellanten] vordert in deze procedure – samengevat – dat het hof bij arrest in incident, uitvoerbaar bij voorraad, primair de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis van 29 mei 2024, danwel subsidiair de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van die onderdelen van de bestreden vonnissen die niet geschorst zijn door het herstelvonnis van 1 november 2024 te schorsen, totdat in hoger beroep definitief is beslist, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.
3.5.
[geïntimeerden] heeft na het wijzen van het vonnis van 29 mei 2024 executiemaatregelen aangekondigd, waaraan inmiddels uitvoering is gegeven. Het maximumbedrag van
€ 25.000,00 aan dwangsommen is geïnd. [geïntimeerden] heeft daarna aangekondigd verder te gaan met de executie van het bestreden vonnis. In de incidentele antwoordconclusie heeft [geïntimeerden] echter medegedeeld dat is besloten om vanaf de datum van voornoemde conclusie af te zien van het nemen van verdere executiemaatregelen. [geïntimeerden] verzoekt het gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] in het incident niet-ontvankelijk te verklaren, althans [appellanten] die vorderingen te ontzeggen en het tussen partijen gewezen vonnis van 29 mei 2024 althans het herstelvonnis van 1 november 2024, ongewijzigd in stand te laten, subsidiair de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen vanaf de datum van dit arrest totdat in hoger beroep definitief is beslist. Met veroordeling van [appellanten] in de (na)kosten van dit incident.
3.6.
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.7.
Het hof stelt vast dat in het bestreden vonnis de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet is gemotiveerd. De incidentele vordering zal daarom worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor in overweging 3.6 onder (a) en (b) weergegeven maatstaven.
3.8.
Nu volgens [geïntimeerden] het maximumbedrag van € 25.000,00 aan dwangsommen is geïnd, hetgeen door [appellanten] wordt bevestigd, en daarmee de executie voor wat betreft de dwangsommen is voltooid, zal [geïntimeerden], om meer dwangsommen te kunnen innen eerst een nieuwe procedure bij de rechtbank aanhangig moeten maken om het maximumbedrag aan dwangsommen te verhogen. [geïntimeerden] geeft echter, in tegenstelling tot eerdere berichten, aan dat hij die procedure op dit moment niet zal opstarten. De (verdere) executie van het bestreden vonnis van 29 mei 2024 zal [geïntimeerden] – totdat einduitspraak is gedaan in deze hoger beroepsprocedure – dus niet doorzetten.
3.9.
Het hof overweegt dat het uitgangspunt bij de gevorderde schorsing is dat degene die een veroordeling heeft gekregen, wordt vermoed het vereiste belang bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerden] het vereiste belang heeft bij executie van het bestreden vonnis. Echter, nu [geïntimeerden] heeft aangegeven dat hij niet verder zal overgaan tot executie van het vonnis van 29 mei 2024 totdat het hof in hoger beroep in de hoofdzaak bij einduitspraak heeft beslist en hij subsidiair heeft geconcludeerd tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat vonnis en het herstelvonnis 1 november 2024 en aldus beide partijen zich kunnen vinden in een schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, ligt in deze omstandigheden besloten dat het hof in het belang van beide partijen tot deze schorsing zal overgaan. Gelet daarop zal de vordering in het incident worden toegewezen.
Dictum
Het hof:
in het incident:
schorst de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 29 mei 2024 totdat in de hoofdzaak bij einduitspraak is beslist;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak staat op de rol van 8 juli 2025 voor memorie van antwoord, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 juli 2025.
griffier rolraadsheer