Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-19
ECLI:NL:GHSHE:2025:1733
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
5,946 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 19 juni 2025
Zaaknummer : 200.351.596/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11207536 \ AZ VERZ 24-54
in de zaak in hoger beroep van:
[de werknemer]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
verweerder in het voorwaardelijk zelfstandig verzoek,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. M.A. Ploemen te Heerlen,
tegen
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in het voorwaardelijk zelfstandig verzoek,
hierna aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor te Maastricht.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het op 18 februari 2025 ter griffie ingekomen beroepschrift en het gewijzigd en verbeterd beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (producties A-D) en producties E-I, ingekomen ter griffie op 19 februari 2025;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, ingekomen ter griffie op 31 maart 2025;
het verweerschrift in hoger beroep met producties 20-24 (waarvan productie 22 is nagestuurd op 21 mei 2025) tevens voorwaardelijk zelfstandig (tegen-) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ingekomen ter griffie op 15 mei 2025);
de mondelinge behandeling van 22 mei 2025, waarbij zijn gehoord: [de werknemer] , bijgestaan door mr. Ploemen en [bestuurder] , bestuurder, namens [de werkgever] , bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
Beoordeling
3.1.
In overweging 2.1. tot en met 2.10. heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep.
3.2.1.
[de werknemer] is op grond van een arbeidsovereenkomst op 8 maart 2010 in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van [de werkgever] in de functie van vrachtautochauffeur/kraanautochauffeur. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing (hierna: de cao).
3.2.2.
De functie van [de werknemer] bestond voor 50% uit chaufferen en voor 50% uit andere werkzaamheden zoals laden, lossen, verplaatsen van de lading, soms ook handmatig, het verwisselen van hulpstukken van de kraan, af- en aankoppelen van hydraulische slangen, werken met de handschop en bezem, verplaatsen van bouwhekken en bijbehorende materialen. Dit werk werd verricht in opdracht van diverse opdrachtgevers van [de werkgever] .
3.2.3.
Op 3 december 2019 was [de werknemer] betrokken bij een bedrijfsongeval. De dag daarna heeft [de werknemer] zich ziekgemeld. Als gevolg van het ongeval is [de werknemer] destijds arbeidsongeschikt geraakt voor het verrichten van de eigen functie.
3.2.4.
Bij beslissing van 3 november 2021 heeft het UWV aan [de werknemer] een WIA-uitkering toegekend met ingang van 30 november 2021 op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35,44%. Tegen deze beslissing hebben [de werknemer] en [de werkgever] bezwaar aangetekend.
3.2.5.
[de werknemer] heeft in ieder geval sinds maart 2022 weer werkzaamheden voor (diverse opdrachtgevers van) [de werkgever] verricht.
3.2.6.
Het UWV heeft vervolgens in de beslissing op bezwaar van 8 juni 2022 de bezwaren gegrond verklaard en de WIA-uitkering met ingang van 30 november 2021 ingetrokken omdat het UWV [de werknemer] minder dan 35% arbeidsongeschikt achtte.
3.2.7.
[de werknemer] heeft zich op 28 april 2023 opnieuw ziekgemeld bij [de werkgever] . [de werknemer] werkte ten tijde van deze ziekmelding op het Chemelot -terrein voor de opdrachtgever [opdrachtgever] .
3.2.8.
[de werkgever] heeft met ingang van 1 juli 2023 de loonbetaling aan [de werknemer] gestaakt.
3.2.9.
[de werkgever] heeft op 6 maart 2024 aan het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
3.2.10.
Op 7 mei 2024 heeft het UWV aan [de werkgever] toestemming verleend voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] .
3.2.11.
[de werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] opgezegd bij brief van 13 mei 2024. Als gevolg daarvan is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 juni 2024.
3.2.12.
[de werknemer] ontvangt met ingang van 25 april 2025 een WIA-uitkering (WGA) naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100.
Procesverloop
3.3.1.
[de werknemer] heeft de kantonrechter – na vermeerdering van zijn verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling – verzocht om:
primair:
[de werkgever] te veroordelen om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te herstellen met ingang van 30 juni 2024;
[de werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
[de werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding gelijk aan het loon “over de periode van datum opzegging door [de werknemer] tot aan het herstel van de arbeidsovereenkomst”;
subsidiair:
4. [de werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 786.052,25 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
zowel primair als subsidiair:
5. [de werkgever] te veroordelen tot betaling van € 39.685,44 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met € 19.842,72 wettelijke verhoging;
6. [de werkgever] te veroordelen tot betaling van € 1.020,56 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
7. [de werkgever] te veroordelen tot betaling van de proceskosten alsmede de nakosten.
3.3.2.
Aan dit verzoek heeft [de werknemer] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat ten tijde van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [de werkgever] op 13 mei 2024 het opzegverbod wegens ziekte gold, primair omdat hij voorafgaand aan zijn tweede ziekmelding op 28 april 2023 zijn eigen werkzaamheden reeds geruime tijd (sinds maart 2022) volledig heeft hervat en subsidiair omdat hij vanaf maart 2022 heeft hervat in passende arbeid en dat die arbeid de nieuwe bedongen arbeid is geworden.
3.3.3.
[de werkgever] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
3.3.4.
In de beschikking van 19 november 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [de werknemer] er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij in zijn eigen functie hervat heeft (de primaire grondslag) en dat het feit dat [de werknemer] meer dan een jaar aangepast werk bij diverse opdrachtgevers heeft verricht, niet maakt dat er sprake is van een situatie dat deze aangepaste arbeid zou moeten gelden als de (nieuw) bedongen arbeid, waardoor er een nieuwe periode van 104 weken loondoorbetalingsverplichting is gaan lopen (de subsidiaire grondslag). De kantonrechter heeft de verzoeken van [de werknemer] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
De grieven
Het beroepschrift
3.4.
Na toelichting door mr. Ploemen tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met instemming van mr. Meulenberg-ten Hoor verstaan dat het op 19 februari 2025 (binnen de termijn voor hoger beroep) ter griffie ingekomen gewijzigd en verbeterd beroepschrift met producties in dit hoger beroep ter beoordeling voorligt. [de werknemer] heeft daarin drie grieven aangevoerd. [de werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het alsnog integraal toewijzen van zijn verzoek (het hof leest: verzoeken) in eerste aanleg.
Grief I
3.5.1.
Met grief I komt [de werknemer] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat, kort weergegeven, [de werknemer] er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij vanaf maart 2022 volledig in zijn eigen functie heeft hervat. [de werknemer] betoogt dat hij, nadat hij in november 2021 voor 28 uur de werkzaamheden heeft hervat, gedurende de bezwaarprocedure bij het UWV wel degelijk volledig in zijn eigen arbeid heeft hervat en dat de kantonrechter dus ten onrechte heeft geoordeeld dat op de datum van ziekmelding op 28 april 2023 niet gedurende een periode van twee jaar het opzegverbod tijdens ziekte weer gold. Volgens [de werknemer] blijkt dat uit de Medische rapportage in bezwaarschriftprocedure van 28 april 2022 (productie G), het Verslag hoorzitting van 26 april 2022 (productie H) en het Arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar van 16 mei 2022 (productie I), in onderlinge samenhang bezien. Het UWV heeft de bezwaren van [de werknemer] en die van [de werkgever] weergegeven. Volgens [de werknemer] heeft hij zelf en heeft ook [de werkgever] aangegeven dat [de werknemer] per einde wachttijd weer werkzaam was in zijn eigen functie. Zoals blijkt uit pagina 4 van het Verslag van het arbeidsdeskundig onderzoek was [de werkgever] aanwezig bij de hoorzitting waar [de werknemer] heeft betoogd dat hij weer volledig werkzaam was in zijn eigen arbeid, wat betreft arbeidsomvang en wat betreft zijn werkzaamheden. Op pagina 3 van productie G, de medische rapportage, staat dat [de werknemer] inmiddels heeft hervat in zijn eigen werkzaamheden. Dat is medische informatie van arts/medisch adviseur [arts/medisch adviseur] , volgens [de werknemer] een onafhankelijke arts die destijds is ingehuurd. Als [de werkgever] daarmee niet akkoord was geweest, had zij in het kader van de bezwaarschriftprocedure daar toen bezwaar tegen moeten maken. In de omvang van de rechtsstrijd speelt dat een rol.
3.5.2.
Volgens [de werkgever] is het [de werknemer] ’ eigen waarheid dat hij zijn eigen werk heeft hervat en blijkt dit uit geen enkel officieel stuk, noch van het UWV noch van de bedrijfsarts. In productie G, indien en voor zover deze in het geding is gebracht – de oneven pagina’s ontbreken - gaat het alleen om de urenomvang en ook wordt ten onrechte gesteld dat de arts/medisch adviseur heeft geconcludeerd dat [de werknemer] inmiddels heeft hervat in zijn eigen arbeid. Die geeft in de eerste plaats alleen een overzicht van informatie die door [de werknemer] aan haar dan wel aan [instantie] is verstrekt. In de tweede plaats kan en mag een medisch adviseur geen uitspraken doen over de vraag of een werknemer al dan niet in zijn eigen werk heeft hervat. Alleen de urenbeperking is vervallen, maar [de werknemer] is en was op meerdere punten beperkt en was en is nog steeds ongeschikt voor de bedongen arbeid. Ook in het verslag van de hoorzitting en in het rapport van de arbeidsdeskundige staat alleen het standpunt van [de werknemer] dat hij zou hebben hervat in het eigen werk. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige d.d. 1 november 2021 en uit de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep d.d. 16 mei 2022 blijkt dat [de werknemer] ongeschikt is gebleven voor de maatgevende arbeid. Wat evenmin pleit voor een herstel voor de eigen, bedongen arbeid is het feit dat [de werknemer] in het kader van de letselschade een netto schadevergoeding van € 82.500,00 heeft ontvangen. [de werkgever] heeft begrepen dat aan [de werknemer] een bedrag van € 48.000,00 is uitgekeerd ten titel van mis te lopen overwerkvergoedingen over een periode van 20 jaar. [de werknemer] heeft dus inkomensschade geclaimd en was dus blijkbaar van mening dat hij niet langer geschikt was voor de bedongen arbeid.
3.5.3.
Het hof oordeelt als volgt. [de werkgever] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd betwist dat [de werknemer] zijn eigen arbeid volledig heeft hervat. Zij heeft terecht aangevoerd dat de juistheid van [de werknemer] ’ stelling niet blijkt uit zijn producties G, H en I (waarmee hij alleen de oneven genummerde pagina’s van de betreffende stukken heeft overgelegd), omdat die hooguit weergeven dat [de werknemer] zich jegens het UWV zelf op dat standpunt heeft gesteld en niet dat een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige tot dat oordeel is gekomen.
Conclusie
3.8.1.
De grieven van [de werknemer] slagen niet. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [de werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werkgever] zullen vastgesteld worden op:
griffierecht € 827,00
salaris advocaat € 2.428,00 (2,0 punten x tarief II)
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,00
Het voorwaardelijk zelfstandig verzoek
3.9.
[de werkgever] heeft het hof verzocht om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden onder de voorwaarde dat het hof beslist de arbeidsovereenkomst te herstellen. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat het hof niet toekomt aan een oordeel over de ontvankelijkheid/toewijsbaarheid van het verzoek.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof
onderworpen;
veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.433,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [de werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [de werknemer] € 92,00 extra betalen, vermeerderd met de kosten van betekening;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van der Schoor, M. van Ham en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.
Procesverloop
De door [de werknemer] aangehaalde arts/medisch adviseur, van wie niet de eigen verklaring in het geding is gebracht maar alleen de weergave daarvan in de medische rapportage, is ook geen bedrijfsarts dan wel arbeidsdeskundige. In die weergave staat weliswaar dat [de werknemer] heeft hervat in eigen werkzaamheden, maar er staat niet dat hij ‘volledig’ heeft hervat en ook blijkt niet op grond waarvan die arts tot die bevinding is gekomen. Het had op de weg van [de werknemer] gelegen om in hoger beroep zijn standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een rapport van een eigen arbeidsdeskundige. Dat heeft hij niet gedaan.
3.5.4.
Anders dan [de werknemer] heeft aangevoerd, heeft [de werkgever] zich in de bezwaarprocedure tegen de WIA-beslissing niet op het standpunt gesteld dat [de werknemer] volledig heeft hervat in de eigen werkzaamheden. [de werkgever] heeft aangevoerd dat voor [de werknemer] geen urenbeperking meer gold, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid dan zeker op minder dan 35% zou uitkomen, zodat de WIA-uitkering ten onrechte was toegekend. [de werkgever] hoefde in de bezwaarprocedure tegen de WIA-beslissing ook niet [de werknemer] ’ standpunt dat hij volledig zijn eigen werk had hervat te betwisten. Daarbij had [de werkgever] in die procedure geen belang en zij had niet hoeven voorzien dat haar dat in deze procedure zou worden tegengeworpen. Het leidt er dan ook niet toe dat het hof de stelling van [de werknemer] als onvoldoende betwist, als vaststaand moet aannemen.
3.5.5.
[de werknemer] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep niets aangevoerd ter weerlegging van de door [de werkgever] in eerste aanleg overgelegde verklaringen van opdrachtgevers van [de werkgever] bij wie [de werknemer] in 2022 (productie 7) en 2023 (productie 8) gewerkt heeft, waaruit blijkt dat [de werknemer] bij verschillende opdrachtgevers aangaf dat het werk te zwaar was. Dat kan het hof niet rijmen met de stelling dat hij toen zijn eigen werk weer volledig verrichtte.
3.5.6.
Het hof heeft [de werknemer] daarnaast tijdens de mondelinge behandeling gevraagd naar de volgens [de werkgever] mede ter compensatie van inkomensverlies door hem ontvangen letselschade-uitkeringen. [de werknemer] heeft niet betwist dat hij die uitkeringen heeft ontvangen. Dat staat dus vast. [de werknemer] zelf en mr. Ploemen zeiden ter zitting dat zij geen antwoord konden geven op de vraag of die uitkeringen mede strekken ter compensatie van inkomensverlies. Daarmee heeft [de werknemer] onvoldoende weerlegd dat hij in de letselschadezaak vergoeding voor inkomensschade heeft ontvangen, schade waarvan hij naar moet worden aangenomen geen vergoeding zou hebben gevraagd en gekregen als hij geen beperkingen voor volledige hervatting van zijn eigen werk zou hebben gehad.
3.5.7.
Al met al heeft [de werknemer] , ten opzichte van de gemotiveerde betwisting door [de werkgever] , zijn stelling dat hij voorafgaand aan zijn ziekmelding van 28 april 2023 volledig zijn eigen arbeid had hervat, ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. De grief slaagt niet.
Grief II
3.6.1.
Grief II klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat van een situatie dat de door [de werknemer] verrichte aangepaste arbeid zou moeten gelden als de (nieuwe) bedongen arbeid, waardoor er een nieuwe periode van 104 weken loondoorbetalingsverplichting is gaan lopen, geen sprake kan zijn. Volgens [de werknemer] is er, als niet komt vast te staan dat hij volledig heeft hervat in zijn eigen werk, wel degelijk sprake van aangepaste arbeid die de nieuwe bedongen arbeid is geworden. In het beroepschrift stelt [de werknemer] dat het verschil tussen de oorspronkelijke en de aangepaste arbeid is dat hij na de eerste ziekmelding gebruik maakte van een autolaadkraan op zijn vrachtwagen. Daarover zijn afspraken gemaakt, zo blijkt volgens hem uit het verslag van de hoorzitting bij het UWV. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de werknemer] c.q. heeft mr. Ploemen op vragen van het hof geantwoord dat hij voor het ongeluk ook al een vrachtauto met laadkraan had, maar dat de aanpassing in het werk de opdrachtgever was aan wie hij werd uitgeleend, zijnde [opdrachtgever] . Daar deed hij precies hetzelfde werk als voor het ongeval, andere werkzaamheden waren er ook niet binnen de B.V. Die aangepaste arbeid is, aldus [de werknemer] , door tijdsverloop de nieuwe bedongen arbeid geworden. Het UWV heeft daar in de uitvoeringsregels een aantal handvatten voor. [de werknemer] heeft dat werk altijd gedaan en er was geen discussie dat hij dat niet meer kon doen. [de werkgever] heeft in die periode ook niet aangedrongen dat [de werknemer] zijn eigen werk niet deed. In de tussentijd zijn er geen actieve re-integratie-activiteiten en ook geen gesprekken geweest. Dat maakt samen met het tijdsverloop dat de aangepaste arbeid de bedongen arbeid is geworden, aldus nog steeds [de werknemer] .
3.6.2.
[de werkgever] betwist dat er specifieke afspraken met [de werknemer] zijn gemaakt, dat blijkt ook niet uit het verslag van de hoorzitting. [de werkgever] is na einde wachttijd naar passend werk voor [de werknemer] blijven zoeken, maar concludeert vervolgens eind april 2023 dat het niet lukt om passend werk te vinden, aangezien [de werknemer] telkenmale aangeeft de aangeboden werkzaamheden niet aan te kunnen. Dat betekent dat [de werknemer] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de door hem verrichte werkzaamheden – los van de vraag of deze passend waren – de nieuwe bedongen arbeid zijn geworden. De aanpassing van de werkzaamheden bestaat in ieder geval niet uit het ter beschikking stellen van een auto met laadkraan – daarmee werkte [de werknemer] ook al voor de eerste ziektedag in 2019. Als er al sprake was van passende arbeid, dan maakt een enkel tijdsverloop niet dat deze passende arbeid de bedongen arbeid wordt, aldus [de werkgever] .
3.6.3.
Het hof oordeelt als volgt. Het wettelijk stelsel rond arbeidsongeschiktheid en loondoorbetalingsplicht van de werkgever brengt mee dat, indien de werknemer als gevolg van de re-integratie andere (passende) werkzaamheden is gaan verrichten, zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden, en hij na afloop van de periode van 104 weken opnieuw door ziekte uitvalt, de werkgever niet gehouden is (wederom) diens loon door te betalen (HR 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134). De wijziging van passende in bedongen arbeid is een wijziging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, ten behoeve waarvan een daartoe strekkende nadere overeenkomst tussen werkgever en werknemer is vereist. Een wijziging van een overeenkomst kan ook tot stand komen als de werknemer er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de door hem verrichte passende arbeid inmiddels de nieuw bedongen arbeid is geworden. In artikel 3:35 BW is bepaald dat tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil (vgl. het arrest van dit hof van 24 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:223). [de werknemer] moet op grond van artikel 150 Rv feiten stellen en zo nodig bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat het door hem verrichte passend werk de bedongen arbeid is geworden.
3.6.4.
[de werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof niet langer zijn stelling gehandhaafd dat de aanpassing ten opzichte van de oorspronkelijk bedongen arbeid erin bestond dat hij een auto met laadkraan ter beschikking kreeg. Die had hij, zo heeft hij ter zitting bevestigd, ook al voor het ongeval in 2019.