Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:1668
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,945 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 juni 2025
Zaaknummer: 200.351.094/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/426556 / FA RK 24-4232
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. T.M. ten Velde,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. T. Möller,
en
Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling)
en
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,beide wonende te [woonplaats] ,hierna gezamenlijk aan te duiden als: de pleegouders
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 februari 2025, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voormelde beschikking om het gezag te beëindigen dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht. Kosten rechtens.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- mr. Ten Velde;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de moeder, bijgestaan door mr. C. Mouwen waarnemend voor mr. Möller;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegouders.
2.2.1.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 november 2024;
het e-mailbericht d.d. 23 april 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
het V6-formulier d.d. 29 april 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder.
Feiten
3.1.
Tijdens de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang – [minderjarige] geboren.
3.2.
In de periode van 12 mei 2020 tot aan de bestreden beschikking waren de ouders gezamenlijk belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] .
3.3.
[minderjarige] heeft van 5 maart 2020 tot 4 maart 2025 onder toezicht gestaan van de GI.
3.4.
Op 13 juli 2021 is voor [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor plaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de periode van 13 juli 2021 tot 27 juli 2021.
3.5.
Op 23 juli 2021 is voor [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor plaatsing in een pleeggezin, met ingang van 23 juli 2021 tot 4 maart 2022. Deze machtiging is nadien verlengd, laatstelijk tot 4 maart 2025.
3.6.
[minderjarige] woont sinds augustus 2022 bij de pleegouders.
4De omvang van het hoger beroep
4.1.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader beëindigd en het verzoek om een deskundige te benoemen op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgewezen.
4.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Beoordeling
Contra-expertise (artikel 810a lid 2 Rv):
5.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Er dient contra-expertise te worden verricht omdat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar een vrijwillige pleegzorgplaatsing van [minderjarige] , terwijl [instantie] dit al in 2021 heeft onderzocht. [instantie] schetst in dat onderzoek een geheel ander beeld van de vader als opvoeder en gesprekspartner dan de raad doet. Dit beeld staat daarnaast haaks op het beeld dat de moeder schetst dat het niet mogelijk is om met de vader te communiceren.
De raad heeft zich in het onderzoek onvoldoende rekenschap gegeven van de belaste voorgeschiedenis en de reden waarom de samenwerking met de GI spaak loopt. De GI schetst een negatief beeld over de vader en de vader durft nauwelijks contact te hebben met [minderjarige] uit vrees dat alles negatief wordt uitgelegd door de GI. Het standpunt dat het onderzoek van de raad breed was maakt niet dat het onderzoek ook correct was. Dit temeer nu er vrijwel niets is overgenomen over de periode waarover [instantie] rapporteert. Sterker nog: er lijkt in het geheel geen contact te zijn opgenomen met [instantie] terwijl deze periode direct voorafging aan de plaatsing bij een pleeggezin. Nu er sinds het eindigen van de ondertoezichtstelling sprake is van een plaatsing van [minderjarige] in het vrijwillig kader dient de contra-expertise gericht te zijn op de rol van de vader en de beëindiging van het gezag.
De extra tijd die deze contra-expertise met zich brengt kan niet (mede) redengevend zijn voor afwijzing van het verzoek. De belasting voor [minderjarige] moet meer dan enigszins bezwaarlijk zijn (ECLI:NL:HR:2021:591). Daarnaast mag een dusdanig zware maatregel niet zonder meer ondergeschikt worden aan snelheid.
5.2.
De raad voert - samengevat - het volgende aan. Het rapport van [instantie] dateert uit 2021. Destijds was de situatie anders en werd door [instantie] onderzocht of het perspectief van [minderjarige] in een pleeggezin ligt. Nu het onderzoek gedateerd is, kan er op dat rapport geen visie meer worden gebaseerd. Op dit moment is er sprake van een situatie waarin de vader [minderjarige] al een jaar lang willens en wetens schade toebrengt. Ondanks dat de vader ervan op de hoogte is dat er geen ondertoezichtstelling meer is, is zijn houding niet veranderd. Onder die omstandigheden is het laten verrichten van contra-expertise niet gerechtvaardigd.
5.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Hoewel contra-expertise wellicht kan bijdragen aan de vraag die ter beantwoording van het hof voorligt, is het laten verrichten van contra-expertise niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig en dient niet te worden belast met een onderzoek. In dat kader is relevant dat de vader sinds het eindigen van de ondertoezichtstelling nog altijd zijn rol als vader niet pakt. De moeder heeft tevergeefs vier keer geprobeerd contact op te nemen met de vader om te komen tot contactherstel, maar de vader hangt schreeuwend de telefoon op of het lukt überhaupt niet om met hem in contact te komen. Hij reageert evenmin op de foto’s en informatie van [minderjarige] die hem worden gestuurd.
5.4.
De GI sluit zich voor wat betreft de contra-expertise aan bij het standpunt van de raad.
5.5.
Het hof overweegt als volgt.
5.5.1.
Artikel 810a Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv bevat feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige en zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
5.5.2.
De vader heeft onvoldoende onderbouwd waar een onderzoek in het kader van contra-expertise op dient te zien. Zo heeft de vader in zijn beroepschrift verzocht om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een pleegzorgplaatsing van [minderjarige] in een vrijwillig kader, maar dat verzoek is inmiddels achterhaald omdat er door het eindigen van de ondertoezichtstelling geen sprake meer is van een machtiging tot uithuisplaatsing en [minderjarige] in het vrijwillig kader bij de pleegouders verblijft. Voor zover namens de vader tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd dat de contra-expertise dient te zien op de rol van de vader en het beëindigen van gezag is dat verzoek onvoldoende concreet onderbouwd. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de vader niet (voldoende) concreet heeft gemaakt welke feiten en omstandigheden hij precies wil laten onderzoeken. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking in stand laten voor zover daarbij het verzoek van de vader om contra-expertise te gelasten is afgewezen.
Gezagsbeëindiging:
5.6.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Het is niet te volgen dat het gezag van de vader wordt beëindigd nu terecht is vastgesteld dat de vader het gezag niet misbruikt en altijd achter de pleegzorgplaatsing van [minderjarige] heeft gestaan. De vader is door het gebrek aan contact met [minderjarige] een vader op afstand maar dat moet er niet toe leiden dat het gezag van de vader wordt beëindigd. Dat de communicatie met de GI niet goed verloopt is evenmin relevant nu de GI niet langer is betrokken.
Het feit dat er beperkt contact is met het pleeggezin maakt nog niet dat het gezag van de vader problematisch is. Er is niet gebleken dat de vader beslissingen frustreert of bemoeilijkt. De ontwikkelingsbedreiging die de rechtbank ziet gaat uit van een situatie waarin de GI betrokken is, terwijl de vader uitgaat van een scenario van een vrijwillig kader waarin de GI niet betrokken is. De zorg die de rechtbank uit dat er onvoldoende samenwerking met de moeder of pleegzorg mogelijk zou zijn, is niet goed te volgen nu uit de rapportage van [instantie] uit 2021 blijkt dat er goed met de vader wordt samengewerkt. Eventuele zorgen over de huidige omgang raakt het gezag niet, nu omgang los staat van het gezag. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank uitgelegd waarom hij terughoudend is met de omgang: hij vreest [minderjarige] helemaal kwijt te raken omdat hij steevast het gevoel krijgt dat alles wat hij zegt of doet door de GI negatief wordt uitgelegd. Ten aanzien van de aanvaardbare termijn wijst de vader er nog op dat de onzekerheid voor [minderjarige] vooralsnog voortduurt omdat er nog geen duidelijkheid is over het gezag van de moeder. Volgens de raad loopt het onderzoek nog en volgt er later alsnog een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder.
5.7.
De raad voert – samengevat – het volgende aan. De omstandigheden rondom [minderjarige] zijn inmiddels veranderd nu er sinds enige tijd geen sprake meer is van een ondertoezichtstelling. Het standpunt van de raad ten aanzien van het gezag van de vader had alleen kunnen wijzigen als er positieve ontwikkelingen zouden zijn in het contact tussen de vader en [minderjarige] . Nu de ondertoezichtstelling is geëindigd had de houding van de vader kunnen veranderen, maar hiervan is geen sprake. De vader handelt niet als een ouder die gezag heeft door geen verantwoordelijkheid te nemen en niet te komen tot contactherstel met [minderjarige] . Het standpunt van de raad ten aanzien van de beëindiging van het gezag van de vader is dan ook ongewijzigd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 december 2024;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J.M. van Engelen, A.M. Bossink en A.C. van den Boogaard en is op 12 juni 2025 uitgesproken in het openbaar door
mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van mr. T. Kuijs, griffier.
Beoordeling
Gezien de houding van de vader en het patroon in zijn gezag zou de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders in het vrijwillig kader niet mogelijk zijn in het geval de vader weer zou worden belast met het gezag over [minderjarige] . De moeder handelt in het belang van [minderjarige] door de plaatsing van [minderjarige] bij het pleeggezin in het vrijwillig kader te ondersteunen waardoor de raad heeft ingestemd met het voorstel van de GI om geen verlengingsverzoek voor de ondertoezichtstelling in te dienen. Het uitgangspunt is dat de moeder het gezag heeft en dat [minderjarige] in het vrijwillig kader bij de pleegouders verblijft en daar mag opgroeien.
5.8.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Sinds het eindigen van de ondertoezichtstelling heeft de moeder vier keer geprobeerd om contact op te nemen met de vader, maar zonder resultaat. De moeder stuurt vader foto’s van [minderjarige] en zowel de moeder, de pleegouders en de GI proberen de vader overal bij te betrekken, maar hij reageert nergens op. De vader beschadigt [minderjarige] . Desondanks heeft de moeder een plan uitgewerkt met pleegzorg; in het geval de vader toch weer contact met [minderjarige] wil kan dit meteen worden opgestart.
5.9.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI is door het eindigen van de ondertoezichtstelling formeel niet meer betrokken bij het gezinssysteem. Het laatste contact tussen de jeugdbeschermer en de vader dateert van november 2023. Vanaf dat moment heeft de vader kenbaar gemaakt geen contact meer te willen en heeft hij de GI overal geblokkeerd. De GI ondersteunt het verhaal van de moeder dat door alle betrokkenen wordt geprobeerd de vader te betrekken bij [minderjarige] , maar dat dit niet (meer) lukt.
5.10.
De pleegouders voeren – samengevat – het volgende aan. Het gaat goed met [minderjarige] . Onlangs is er via [instantie] gestart met hulpverlening voor [minderjarige] door middel van Words & Pictures. Het is wel merkbaar dat dit spanning oproept bij [minderjarige] nu zij na afloop hiervan opstandiger is en daarna juist veel met de pleegouders wil knuffelen. De pleegouders sturen foto’s en informatie over [minderjarige] naar de vader, maar deze berichten worden door de vader niet meer gelezen.
5.11.
Het hof overweegt als volgt.
5.11.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in
artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.11.2.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het gezag van de vader heeft beëindigd. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
5.11.3.
Zoals de rechtbank helder uiteen heeft gezet werd [minderjarige] gedurende de procedure bij de rechtbank ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] woont, na in verschillende problematische thuissituaties te hebben verbleven, sinds augustus 2022 bij de pleegouders. Voor [minderjarige] is en was het van belang dat er hulpverlening voor haar wordt ingezet en dat de stabiliteit in het pleeggezin niet wordt doorbroken. Daarnaast is het voor haar van groot belang dat ze contact heeft met beide ouders. Vanwege een verstoorde verstandhouding tussen de vader en de GI is er echter sinds april 2024 geen contact meer tussen de vader en [minderjarige] . Het behoeft geen uitleg dat dit gebrek aan contact schadelijk is voor [minderjarige] .
5.11.4.
Sinds de bestreden beschikking zijn er gewijzigde omstandigheden rondom [minderjarige] . De ondertoezichtstelling is geëindigd en [minderjarige] verblijft inmiddels in het vrijwillig kader, aldus met instemming van de moeder, bij de pleegouders. Via [instantie] is hulpverlening voor [minderjarige] opgestart. Ondanks dat de GI niet langer is betrokken en er inmiddels sprake is van een plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders in het vrijwillig kader, is de houding van de vader niet veranderd. Nog altijd is de vader volstrekt afwezig in het leven van [minderjarige] en tijdens de mondelinge behandeling hebben de moeder, de pleegouders en de GI kenbaar gemaakt dat er diverse pogingen zijn gedaan om in contact te komen met de vader om hem weer te betrekken in het leven van [minderjarige] . Deze pogingen hebben echter geen resultaat gehad. Met deze houding blijft de vader schade toebrengen aan [minderjarige] en de vader heeft niets laten zien waaruit kan worden afgeleid dat deze houding op korte termijn zal veranderen. Gezien de houding van de vader is het daarnaast niet te verwachten dat als de vader zijn gezag zou behouden, dat de moeder, de vader en pleegouders in staat zijn om in onderling overleg gezagsbeslissingen te nemen over [minderjarige] . Hiermee kan de plaatsing van [minderjarige] onder druk komen te staan, evenals haar ontwikkeling en de hechting met de pleegouders. Onder deze omstandigheden is het schadelijk voor [minderjarige] als de vader zijn gezag zou behouden.
Voor zover de vader stelt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] nog niet is verstreken omdat er nog onduidelijkheid is over het gezag van de moeder, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat het uitgangspunt van de raad is dat de moeder het gezag heeft en dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in het vrijwillig kader wordt voortgezet.
Het is wel van belang dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op een zo kort mogelijke termijn wordt hersteld. Dit (toekomstige) contactherstel heeft echter geen invloed op de beslissing van het hof over de beëindiging van het gezag van de vader. Het is in het belang van [minderjarige] dat het gezag van de vader beëindigd blijft en het hof zal deze beslissing van de rechtbank dan ook in stand laten.
5.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.