Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:1578
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
3,426 tokens
Dictum
op het schriftelijke verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)
in de hoofdzaak met nummer 200.338.366/01 van
[B.V. 1] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. J.C.T. Papeveld,
tegen:
1 [B.V. 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [B.V. 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [B.V. 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel,
strekkende tot wraking van mrs. N.W.M. van den Heuvel, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M.E.U. Janssens, raadsheren in het team Handelsrecht van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (hierna gezamenlijk: de raadsheren of de kamer).
1Het procesverloop
1.1.
Bij het team handelsrecht van het hof is onder zaaknummer 200.338.366/01 een procedure (de hoofdzaak) aanhangig waarbij verzoekster als partij betrokken is.
1.2.
Op 19 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling in de hoofdzaak plaatsgevonden door een meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van het hof. Bij deze mondelinge behandeling waren aanwezig [betrokkene 1] , bijgestaan door advocaat mr. J.C.T. Papeveld, namens verzoekster, en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , bijgestaan door advocaat mr. R.A.C.J. van Kessel, namens geïntimeerden.
1.3.
De advocaat van de geïntimeerden heeft na de zitting een proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgevraagd. De kamer heeft op 8 april 2025 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling naar beide partijen gestuurd.
1.4.
Verzoekster heeft in een e-mail van 22 april 2025 wraking verzocht van de raadsheren.
1.5.
De raadsheren hebben schriftelijk verklaard niet te berusten in het wrakingsverzoek. Zij hebben gezamenlijk een schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek.
1.6.
De advocaat van de geïntimeerden heeft in een e-mailbericht een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.
1.7.
De advocaat van verzoekster heeft op 19 mei 2025 om 10:07 uur per e-mail twee bijlagen overgelegd aan de wrakingskamer en de advocaat van de geïntimeerden. De wrakingskamer heeft deze bijlagen doorgestuurd naar de raadsheren.
1.8.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 19 mei 2025 ter openbare zitting behandeld. Op die zitting zijn verschenen en gehoord:
- [betrokkene 1] , bijgestaan door advocaat mr. J.C.T. Papeveld;
- [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , bijgestaan door advocaat mr. R.A.C.J. van Kessel; en
- de raadsheren mrs. N.W.M. van den Heuvel, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M.E.U. Janssens.
Mr. Papeveld heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
1.9.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de wrakingskamer het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer uiterlijk op 2 juni 2025 uitspraak zal doen.
2Het standpunt van verzoekster
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij hetgeen op zitting is besproken anders heeft ervaren tijdens het lezen van het proces-verbaal dan tijdens de zitting. Dit komt mede omdat de zitting hectisch was verlopen. Wat verzoekster tijdens de zitting heeft ervaren als een afdwaling, heeft zij in het zakelijk weergegeven proces-verbaal geïnterpreteerd als vooringenomenheid.
Verzoekster stelt zich inhoudelijk op het standpunt dat uit een aantal passages uit het proces-verbaal volgt dat de kamer zowel subjectief als objectief partijdig is. Tijdens de zitting voerde de persoonlijke overtuiging van de kamer de boventoon door tijdens de zitting de splitsing te bespreken, terwijl de hoofdzaak slechts betrekking heeft op het ontslagbesluit. Hierdoor heeft de kamer de rechtsstrijd uitgebreid. Verzoekster wijst met name op de volgende passages uit het proces-verbaal:
“Voorzitter: ik heb een belangrijke vraag. Dit soort issues, de verwijten. Wordt dat allemaal meegenomen in de afrekening de splitsing?
(…)
Voorzitter: de inzet van de splitsing is uit elkaar gaan. De peildatum komt er en dan worden berekeningen gemaakt en dan komt er een conclusie uit zo verdelen we het. Dan moeten er misschien nog wat geldstromen over en weer.
(…)
Voorzitter: ik wil even kijken hoe dit nu verder moet. We moeten maar een kleine beslissing nemen in het geheel, maar wel een hele belangrijke beslissing. Het gaat alleen over het ontslagbesluit. Moet [voornaam] terug in het bestuur van [B.V. 4] B.V. of niet. (…)
Voorzitter: waar speelt het bestuurderschap van [B.V. 4] een rol? Bij de voorbereiding van deze zaak hebben we hier ook over nagedacht, de kern is de splitsing. Dat dat snel wordt geregeld. Vandaar dat de vraag opkwam: moet u deze strijd wel voeren in deze procedure. Of kunt u beter zeggen dat de gevolgen van was er is gebeurd veel beter kunnen worden meegenomen in de financiële afwikkeling. Daar kan het hof niks mee doen in deze procedure. De rechtbank moet beslissen in de splitsingsprocedure. Wat gaat hiermee opschieten?
(…)
Voorzitter: de vraag die bij mij opkomt. Stel dat hij bestuurder is. Dan gaan we de discussie weer krijgen. Naar wie moet ik dan luisteren zegt de accountant dan?
(…)
Voorzitter: het is heel belangrijk voor u, dat snap ik. Als dat zo gegaan is, dan wordt er van volstrekt verkeerde cijfers wordt uitgegaan. In deze procedure gaan we dat alleen niet oplossen. Het speelt geen rol. Het punt is u bent een strijd aan het voeren waarvan dit probleem, de kern is van het geschil.”
Daarnaast volgt de partijdigheid uit de inhoudelijke vooroordelen die zijn gemaakt door de raadsheren. Door de woordkeuzes van de raadsheren, zoals ‘kleine beslissing in het geheel’ en ‘kan het Hof niets mee’ werd voor verzoekster duidelijk dat de kamer niets in haar vordering ziet en de kamer zijn oordeel al heeft gevormd. Volgens verzoekster hebben de raadsheren hiermee de schijn van partijdigheid gewekt.
3Het standpunt van de raadsheren
De raadsheren stellen zich op het standpunt dat verzoekster in het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is, omdat zij niet heeft gewraakt zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan haar bekend zijn geworden. Subsidiair stellen de raadsheren zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard. De raadsheren hebben tijdens de zitting uitgebreid de vorderingen van verzoekster besproken. Dat tijdens de zitting ook de splitsingsprocedure is besproken, komt omdat verzoekster de splitsingsprocedure onderdeel van de rechtsstrijd heeft gemaakt door die procedure te benoemen in de memorie van grieven. Daarnaast heeft de kamer de splitsingsprocedure besproken om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om tijdens de mondelinge behandeling een schikking te beproeven en de vorderingen van verzoekster helder te krijgen. In dat licht moeten de citaten waar verzoekster naar verwijst worden bezien.
Beoordeling
4.1.
De wrakingskamer neemt, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770), voor de beoordeling van de gegrondheid van het wrakingsverzoek het volgende tot uitgangspunt.
4.2.
Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.3.
Op grond van artikel 37, lid 1, Rv moet een verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede ‘zodra de feiten of omstandigheden (...) bekend zijn’ uit artikel 37, lid 1, Rv betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
4.4.
Verzoekster is op 19 februari 2025 bekend geworden met de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Immers hebben alle door verzoekster aangevoerde gronden betrekking op hetgeen de kamer heeft gezegd dan wel heeft gevraagd tijdens de mondelinge behandeling. Op 22 april 2025 is het wrakingsverzoek ingediend. Naar het oordeel van de wrakingskamer was de termijn om kort te beraden toen ruimschoots overschreden. Uit het schriftelijk wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting ter zitting is niet gebleken van een rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen het moment van de zitting en het moment dat verzoekster het schriftelijke wrakingsverzoek heeft ingediend. Dat op 8 april 2025 het proces-verbaal van de zitting is toegestuurd, doet hier niet aan af. Het proces-verbaal is immers een zakelijke weergave van hetgeen is besproken ter zitting. Gesteld noch gebleken is dat het wrakingsverzoek betrekking heeft op een onjuiste weergave van de citaten uit het proces-verbaal die bij verzoekster aanleiding hebben gegeven om het wrakingsverzoek in te dienen. Verzoekster heeft verklaard dat zij de zitting anders ervaren heeft dan wat zij later op papier in het proces-verbaal teruglas. Feiten en omstandigheden teruglezen in het proces-verbaal betekent echter niet dat er sprake is van nieuwe dan wel andere feiten en omstandigheden. Dat de geschreven tekst anders overkomt dan op de zitting is ervaren, doet daar niet aan af. Immers is een geschreven tekst een beperkte manier van communiceren, omdat de tekst is ontdaan van lichaamstaal en intonatie.
4.5.
De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat niet aan de eis van artikel 37, lid 1, Rv is voldaan en dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend. De wrakingskamer zal verzoekster derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek komt de wrakingskamer om die reden niet toe.
4.6.
De wrakingskamer merkt ten overvloede op dat het wrakingsverzoek ook op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen. Daartoe overweegt de wrakingskamer als volgt. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 14, lid 1, IVBPR dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.7.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit het proces-verbaal niet volgt dat de raadsheren blijk hebben gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid. De passages die verzoekster uit het proces-verbaal heeft gehaald, moeten worden gelezen in het licht van de hele discussie. Ter zitting hebben de raadsheren uitgebreid het ontslagbesluit aan de orde gesteld. De citaten die verzoekster uit het proces-verbaal heeft gehaald zien op de bespreking van de splitsingsprocedure. Dat de raadsheren vragen hebben gesteld over een andere, nog lopende procedure, duidt niet zonder meer op vooringenomenheid van de raadsheren. Door middel van het lezen van het dossier kunnen bepaalde beelden en ideeën ontstaan over de achtergrond van de zaak. Door deze beelden en ideeën voor te houden aan partijen, kunnen partijen deze beelden weerspreken dan wel bevestigen. Daarnaast kan door het totale plaatje van de zaak te bespreken de mogelijkheid worden getoetst om een compromis te bereiken tussen partijen.
4.8.
De wrakingskamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vragen en opmerkingen van de kamer tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2025 niet blijk hebben gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek, indien verzoekster daarin ontvankelijk zou zijn geweest, niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen.
Dictum
Het hof (de wrakingskamer):
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, geïntimeerden in de hoofdzaak en de raadsheren mrs. N.W.M. van den Heuvel, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M.E.U. Janssens.
Deze beslissing is gegeven door mr. drs. T.A. Gladpootjes, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.L. Bervoets, bijgestaan door mr. E. Royakkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2025.