Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1572
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
4,334 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 5 juni 2025
Zaaknummer : 200.353.301/01
Zaaknummer eerste aanleg(insolventienummer) : [insolventienummer]
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. F.T. Zoutberg te Almere,
tegen
[B.V. 1] B.V.
en
[B.V. 2] B.V.,
beide gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
hierna te noemen: [B.V. 1] en [B.V. 2] , gezamenlijk: [B.V. 1] c.s.,
advocaat: mr. H.B. de Regt te Alkmaar.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 april 2025, waarbij het verzoek van [B.V. 1] c.s. om [appellant] in staat van faillissement te verklaren, is toegewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 9, ontvangen op 8 april 2025, heeft [appellant] het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormeld vonnis van de rechtbank te vernietigen, alsnog het verzoek van [B.V. 1] c.s. af te wijzen en [B.V. 1] c.s. te veroordelen in de proceskosten en de door de curator tot op heden in het faillissement gemaakte kosten, dan wel een kostenvergoeding aan de curator toe te wijzen die het hof redelijk acht.
2.2.
Bij verweerschrift, ontvangen op 15 mei 2025, hebben [B.V. 1] c.s. het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te bekrachtigen, kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Hierbij zijn gehoord:
- [appellant] , bijgestaan door mr. Zoutberg:
- de heer [betrokkene 1] namens [B.V. 1] en [B.V. 2] , bijgestaan door mr. De Regt;
- de curator, vergezeld door mw. mr. J.R. Deltour.
Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en deze voorgedragen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
- het procesdossier in eerste aanleg, ontvangen op 8 april 2025;
- een brief van mr. B. Louwerier, de curator in het faillissement van [appellant] (hierna: de curator), van 14 mei 2025 met drie bijlagen;
- een brief van mr. Zoutberg van 17 mei 2025 met producties 10 tot en met 13;
- een brief van mr. De Regt van 19 mei 2025 met twee bijlagen (bijlage vw2 en 3);
- het door [appellant] nagezonden verzoekschrift in eerste aanleg, ontvangen op 20 mei 2025;
- een ter zitting door de curator overgelegde brief van mr. J. Thielen, curator in het faillissement van een andere, aan [appellant] gelieerde vennootschap ( [B.V. 3] B.V.), van 20 mei 2025.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
3.1.1.
[B.V. 4] B.V. (hierna: [B.V. 4] ) heeft vanaf 2012 verschillende bedragen aan [Holding B.V.] Holding B.V. (hierna: de holding) geleend. In 2014 is een nieuwe overeenkomst van geldlening opgemaakt, waarin is bepaald dat deze leningen worden samengevoegd tot één nieuwe lening ten bedrage van € 986.187,00. Als ‘ondergetekenden’ noemt de overeenkomst van geldlening:
“
1. [B.V. 4] B.V.,
(…)
rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [betrokkene 1]
hierna te noemen "schuldeiser"
en
2 [Holding B.V.] Holding B.V.
(…)
rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [appellant] ,
(…)
3. ten deze ook handelende voor zich In privé:
hierna leder afzonderlijk te noemen "schuldenaar"
De overeenkomst vermeldt verder onder H:
“Schuldenaren, genoemd schuldenaar, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van onderhavige overeenkomst.”
[appellant] heeft de overeenkomst namens de holding ondertekend. Daarnaast heeft hij de overeenkomst als hoofdelijk debiteur getekend.
3.1.2.
Bij akte van cessie van december 2015 heeft [B.V. 4] haar vordering op de holding uit hoofde van de geldleningsovereenkomst aan [B.V. 1] c.s. overgedragen. De akte van cessie vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Ondergetekenden:
1. de heer [betrokkene 1]
(…)
te dezen handelend als zelfstandig handelingsbevoegd directeur van (…)
[B.V. 1] B.V.
(…)
hierna ook te noemen: partij onder 1;
2. de heer [betrokkene 2]
(…)
te dezen handelend als zelfstandig handelingsbevoegd directeur van (…)
[B.V. 2] B.V
. (…)
hierna ook te noemen: partij onder 2;
3. (…) (…) [B.V. 4] B.V.
(…),
te dezen vertegenwoordigd door de vennootschappen onder 1 en 2 genoemd als tezamen de enige handelingsbevoegde algemeen directeuren
hierna ook te noemen: partij onder 3;
4. de heer [appellant] ,
(…)
te dezen handelende:
a. voor zich, als hoofdelijk debiteur, hierna ook te noemen: partij onder 4.a;
b. als zelfstandig handelingsbevoegd algemeen directeur van (…) [Holding B.V.] Holding B.V. (…)
hierna ook te noemen: partij onder 4.b;
in aanmerking nemende:
- dat partij onder 3 per 31 december 2015 een vordering wegens geldlening heeft op partij onder 4b, groot € 1.020.217;
- dat partijen onder 1 en 2 deze vordering wensen over te nemen;
verklaren te zijn overeengekomen:
- partij onder 3 draagt bij deze zijn voormelde vordering wegens geldlening op partij onder 4b, voor een gedeelte groot € 510.109 over aan partij onder 1 en voor een gedeelte groot € 510.109
aan partij onder 2, welke overdrachten (cessies) door [betrokkene 1] , namens partij onder 1, en door [betrokkene 2] , namens partij onder 2. worden aanvaard;
(…)
Partijen onder 1, 2 en 3 genoemd verklaren bij deze van voormelde cessie mededeling te doen aan partij onder 4.a, namens welke de heer [appellant] , in voormelde hoedanigheid, verklaarde van deze mededeling kennis te hebben genomen, zodat partij onder 4. a haar voormelde schuld met rente vanaf 31 december 2015 uitsluitend zal voldoen aan partij onder 1 en partij onder 2, in de verhouding als hiervoor vermeld.
Partijen onder 1, 2 en 3 genoemd verklaren bij deze van voormelde cessie mededeling te doen aan partij onder 4.b, de heer [appellant] , die verklaarde van deze mededeling kennis te hebben genomen, zodat partij onder 4.b, in het geval hij als hoofdelijk debiteur wordt aangesproken voor
de voormelde schuld van partij onder 4. a uitsluitend bevrijdend kan betalen door de schuld te voldoen aan partij onder 1 en partij onder 2, in de verhouding als hiervoor vermeld.
Ook deze akte van cessie is door [appellant] zowel namens de Holding als in privé getekend.
3.1.3.
Bij brief van 12 januari 2024 heeft de advocaat van [B.V. 1] c.s. aan de holding en [appellant] medegedeeld dat de hoofdsom van de vordering van [B.V. 1] c.s. per 31 december 2023 € 1.403.076,00, ofwel € 701.538,00 voor [B.V. 1] en € 701.538,00 voor [B.V. 2] bedraagt en dat [B.V. 1] c.s. terstond de uitgeleende bedragen opeisen, omdat de holding en/of [appellant] de rente of aflossing niet heeft/hebben voldaan op de verschijndagen. Aan de holding en [appellant] is vervolgens een laatste termijn gegeven om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.
3.1.4.
Mede namens de holding heeft [appellant] hierop bij e-mail van 22 januari 2024 geantwoord dat hij niet in staat is de schuld aan [B.V. 1] c.s. terug te betalen.
Eerste aanleg
3.2.
[B.V. 1] c.s. hebben de rechtbank op 27 december 2024 verzocht om [appellant] in staat van faillissement te verklaren. [B.V. 1] c.s. hebben hieraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij op grond van de door [B.V. 4] aan hen gecedeerde geldleningsovereenkomst ieder een vordering van € 701.538,00 op [appellant] hebben en dat [appellant] deze vorderingen onbetaald laat.
3.3.
[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd, kort samengevat inhoudende dat bij de akte van cessie enkel de vordering op de Holding door [B.V. 4] is overgedragen aan [B.V. 1] c.s.
3.4.
Bij vonnis van 1 april 2025 heeft de rechtbank [appellant] in staat van faillissement verklaard en mr. Louwerier benoemd tot curator. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit de akte van cessie voldoende blijkt dat [appellant] hoofdelijk aansprakelijk is voor de geldlening en dat [B.V. 1] c.s. een vordering hebben op [appellant] en verder dat [appellant] naar eigen zeggen meerdere crediteuren heeft die hij niet kan voldoen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden voor faillietverklaring.
Standpunten partijen in hoger beroep
3.5.
[appellant] kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis. Hij voert daartoe in zijn beroepschrift en ter zitting, heel kort samengevat, het volgende aan.
[appellant] was geen partij was bij de totstandkoming van de akte van cessie. Hij heeft deze uitsluitend ondertekend in het kader van de wettelijk verplichte mededeling van de cessie aan de schuldenaar. Daarom mag de tekst van de akte van cessie niet volgens het Haviltex-criterium worden uitgelegd, maar moet deze taalkundig worden uitgelegd. Bij onduidelijkheid moet de voor [appellant] meest gunstige uitleg worden gekozen.
Uit de tekst van de akte van cessie blijkt dat het uitsluitend de bedoeling van de contractspartijen was, althans dat de meest gunstige uitleg van de akte meebrengt dat [B.V.
Conclusie
3.10.
Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat aan de vereisten voor faillietverklaring van artikel 6 lid 3 Fw is voldaan.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 april 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
Feiten
4] enkel haar vordering op de holding uit hoofde van de geldleningsovereenkomst zou overdragen aan [B.V. 1] c.s. en niet dat (ook) de vordering van [B.V. 4] op [appellant] werd overgedragen. Volgens [appellant] wordt in de literatuur aangenomen dat een dergelijke partiële overdracht mogelijk is en dat in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid van twee schuldenaren deze hoofdelijke verbondenheid niet in stand blijft, omdat de vordering wordt gesplitst over twee schuldeisers.
3.6.
[B.V. 1] c.s. voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Hierop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Oordeel van het hof
3.7.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop.
In een situatie zoals deze, waarin het faillissement wordt aangevraagd door schuldeisers, wordt op grond van artikel 6 lid 3 Fw het faillissement van een schuldenaar uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van zowel (1) een ten tijde van de aanvraag van het faillissement bestaand vorderingsrecht van de verzoekende schuldeisers als (2) de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. Voor dit laatste is noodzakelijk (maar niet per definitie voldoende) dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft (het zgn. pluraliteitsvereiste).
Summierlijk blijken betekent dat zowel de bedoelde toestand als de (steun)vordering na een kort, eenvoudig onderzoek van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk moet worden geacht. Hierbij hoeft niet te worden voldaan aan de regels van bewijsrecht in burgerlijke zaken.
Vorderingsrechten van [B.V. 1] c.s.
3.8.
De vraag die het hof moet beantwoorden, is of de vordering van [B.V. 4] op [appellant] in privé is overgedragen aan [B.V. 1] c.s. Het hof overweegt daartoe het volgende.
3.8.1.
Uit de inhoud van de oorspronkelijke geldleningsovereenkomst uit 2014 leidt het hof af dat het, anders dan [appellant] stelt, niet gaat om twee afzonderlijke vorderingen van [B.V. 4] (één op de holding en één op [appellant] persoonlijk), maar om één vordering op de holding waarvoor [appellant] hoofdelijk aansprakelijk is. De overeenkomst bepaalt immers dat verschillende door [B.V. 4] aan de holding verstrekte leningen worden samengevoegd tot één lening van € 986.187,00. De overeenkomst bepaalt verder dat de holding en [appellant] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de geldleningsovereenkomst. [appellant] heeft de overeenkomst ook getekend (als bestuurder van de holding) namens de holding én in persoon als ‘hoofdelijk debiteur’.
3.8.2.
De akte van cessie van december 2015 bepaalt dat [B.V. 4] bovengenoemde vordering, die op dat moment inmiddels € 1.020.217 bedraagt (eerste gedachtestreepje onder ‘in aanmerking nemende’), voor de helft aan [B.V. 1] en voor de helft aan [B.V. 2] overdraagt (eerste gedachtestreepje onder ‘verklaren te zijn overeengekomen’). De stelling van [appellant] dat hij persoonlijk geen partij is bij de akte van cessie kan het hof niet volgen. De akte van cessie noemt [appellant] in privé (‘handelend voor zich, als hoofdelijk debiteur’) als een van de ‘ondergetekenden’ die ‘verklaren te zijn overeengekomen’. Ook heeft hij de akte van cessie zowel namens de holding als in persoon getekend.
Uit de tekst achter het vierde gedachtestreepje onder ‘verklaren te zijn overeengekomen’ volgt vervolgens dat [appellant] , indien hij als hoofdelijk debiteur wordt aangesproken voor de schuld van de holding, uitsluitend bevrijdend kan betalen aan [B.V. 1] en [B.V. 2] . Weliswaar staat hier ‘partij onder 4b’ vermeld (en achter het derde gedachtestreepje ‘partij onder 4a’), maar gelet op de overige tekstdelen van de akte moet het voor alle partijen duidelijk zijn (geweest) dat deze vermelding per abuis is en dat hier sprake is van een verwisseling. Dit is ter zitting ook niet betwist.
3.8.3.
Gelet hierop kan niet anders worden geconcludeerd dan dat partijen hebben bedoeld de vordering van [B.V. 4] ook aan [B.V. 1] c.s. over te dragen voor zover [appellant] in privé tot betaling daarvan kan worden aangesproken. [B.V. 1] c.s. hebben dan ook mogen begrijpen dat zij op grond van de akte van cessie ook op [appellant] in privé een vordering hebben gekregen (via diens hoofdelijke aansprakelijkheid). Het hof betrekt hierbij artikel 6:142 BW dat bepaalt dat bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser, deze de daarbij behorende nevenrechten verkrijgt. [appellant] voert onvoldoende aan om anders te oordelen.
3.8.4.
Het hof komt daarom tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van vorderingsrechten van [B.V. 1] c.s. op [appellant] .
Toestand van te hebben opgehouden te betalen
3.9.
Met de vorderingsrechten van [B.V. 1] en [B.V. 2] is al sprake van meerdere schuldeisers en is dus voldaan aan het pluraliteitsversie. Overigens is uit de door de curator overgelegde stukken en ter zitting gebleken (en wordt ook niet door [appellant] betwist) dat [appellant] nog meer schulden heeft, waaronder een preferente schuld aan de Belastingdienst van € 27.935,00. Nu daarnaast niet is gesteld of gebleken dat [appellant] over de middelen beschikt om deze vorderingen thans dan wel binnen afzienbare termijn te betalen (uit het door de curator overgelegde faillissementsverslag volgt eerder het tegendeel), is ook summierlijk gebleken dat [appellant] verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen.