Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:1563
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,127 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 juni 2025
Zaaknummer: 200.348.914/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11143770 TE VERZ 24-900
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende of [de rechthebbende] ,
advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[B.V.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de bewindvoerder;
de heer [de zoon 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: de zoon;
de heer [de zoon 2] , wonende te [woonplaats] , hierna: de zoon;
mevrouw [de moeder] , wonende te [woonplaats] ( [regio] , Spanje), hierna: de moeder.
In het kort:
De rechthebbende is het er niet mee eens dat de rechtbank haar verzoek tot ontslag van de bewindvoerder, dan wel haar verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 december 2024, heeft de rechthebbende verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder verbetering en aanvulling van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder dan wel de opheffing van het bewind wordt toegewezen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de rechthebbende, bijgestaan door mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen;
[B.V.] B.V., vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
2.3.1.
De moeder en de beide zonen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 augustus 2024;
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 28 januari 2025;
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 27 februari 2025;
de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 12 maart 2025.
Feiten
3.1
Bij beschikking van 26 maart 2021 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de kantonrechter) over de goederen die [de rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden van 31 maart 2021 tot 26 maart 2026, met benoeming van [bewindvoerder] h.o.d.n. [naam] tot bewindvoerder.
3.2.
Bij beschikking van 10 januari 2022 heeft de kantonrechter [bewindvoerder] met ingang van 16 januari 2022 ontslagen als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van [B.V.] B.V. tot bewindvoerder, onder gelijke condities als bij de instelling van het bewind is bepaald.
3.3.
Op 4 juni 2024 heeft de rechthebbende de kantonrechter verzocht (naar het hof begrijpt) de bewindvoerder te ontslaan en het bewind op te heffen.
3.4.
Op 20 juni 2024 heeft de bewindvoerder op dat verzoek gereageerd.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en anders het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.6.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.7.
De rechthebbende voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat op basis van hetgeen is aangevoerd, onvoldoende kan worden opgemaakt dat de bewindvoerder haar taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Er is geen sprake is van deugdelijke communicatie tussen de rechthebbende en de bewindvoerder. Het contact wordt als onprettig ervaren en het veroorzaakt onrust en onzekerheid. Het behoort tot de taak van een bewindvoerder om deugdelijk met de onderbewindgestelde te communiceren, zodat de rechthebbende duidelijkheid krijgt over zijn financiële situatie. Daar lijkt in dit geval geen sprake van te zijn.
De kantonrechter laat na te motiveren waarom hij van oordeel is dat de grondslag van verkwisting of het hebben van problematische schulden nog steeds aanwezig is.
Uit de bestreden beschikking wordt niet duidelijk hoe hoog de schulden nog zijn. Ook wordt niet duidelijk of er sprake is of is geweest van verkwisting.
De kantonrechter heeft ten onrechte niet beoordeeld of de rechthebbende thans zelf in staat is haar financiën te beheren. De rechthebbende heeft aangegeven dat zij zelf haar financiën wil regelen. Zij kan daarbij hulp en ondersteuning krijgen van [instantie] . De rechthebbende wordt al een tijd door deze instantie ondersteund in het kader van haar financiën, onder andere bij het onder controle houden en bijhouden van haar uitgaven. [instantie] kan ook hulp bieden bij het vinden van een budgetbeheerder. De noodzaak van een onderbewindstelling is zodoende niet langer aanwezig.
3.8.
De bewindvoerder voert - zakelijk weergegeven en samengevat - het volgende aan. Het minnelijke schuldsaneringstraject is inmiddels afgerond en er is geen schuldenlast meer. De gemaakte afspraak voor het bespreken van de rekening en verantwoording wordt door de rechthebbende telkens afgezegd zonder dat er een nieuwe afspraak wordt gepland.
Er zijn wel al weer nieuwe schulden ontstaan. De rechthebbende laat onvoldoende zien dat zij zelfstandig weloverwogen financiële keuzes kan maken. Zij dient continu in haar uitgaven begrensd te worden en van feedback te worden voorzien. Dat maakt logischerwijs dat de rechthebbende de communicatie als niet prettig ervaart. Het komt met regelmaat voor dat de vrije bestedingsruimte is opgesoupeerd en de rechthebbende aanspraak wil maken op de reservering voor onvoorziene kosten. Zolang er dusdanig veel begrenzing in de bestedingsruimte nodig is en de rechthebbende niet zelf gezondere financiële keuzes gaat maken, is het bewind noodzakelijk. De hulp die de rechthebbende van [instantie] krijgt, ziet alleen op de besteding van het leefgeld. Het doen van betalingen voor overige lasten en dergelijke valt daar niet onder. Het betreft een tijdelijk bewind en uiteindelijk is het de bedoeling dat dit bewind wordt opgeheven, maar er zal eerst een afbouwtraject gestart moeten worden.
Motivering
3.9.
Het hof overweegt als volgt.
3.9.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.9.2.
Ingevolge artikel 1:449 lid 1 BW eindigt het bewind door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld.
3.9.3.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.9.4.
Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW kan de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.9.5.
Het hof is van oordeel dat aan de grond voor opheffing van het bewind niet is voldaan. Het is aan de rechthebbende, die om opheffing van het bewind vraagt, te onderbouwen dat zij weer in staat is haar financiën zelf te beheren. Het hof is van oordeel dat de rechthebbende dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Gebleken is dat het MSNP-traject weliswaar is afgerond, maar dat er ook al weer nieuwe schulden zijn ontstaan. De rechthebbende doet aankopen met betaling achteraf en plaatst zonder toestemming bestellingen bij de TV/internetprovider.
Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat de rechthebbende een nieuwe schuld kreeg door een tankbeurt waarvoor zij niet kon betalen. Deze schuld is uithanden gegeven aan een incassobureau die haar confronteerde met een oudere schuld. Zij heeft zelf een betalingsregeling heeft getroffen met dit incassoburo betreffende een oudere schuld die zeer waarschijnlijk eerder al is meegenomen in het MSNP-traject. In plaats van hierover in contact te treden met de bewindvoerder heeft de rechthebbende dit eigenhandig willen oplossen. Hieruit blijkt dat de rechthebbende de zaken nog niet kan overzien, nog niet het inzicht heeft om haar financiële belangen zelf te behartigen en dat een afbouwtraject noodzakelijk is. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit afbouwtraject, gericht op de zelfredzaamheid van de rechthebbende, nog moet worden opgestart. Alvorens het bewind kan worden opgeheven dient eerst het verloop van dit afbouwtraject te worden afgewacht.
3.9.6.
Gelet op het voorgaande heeft het hof er onvoldoende vertrouwen in dat de rechthebbende op dit moment in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, dan wel dat zij hiertoe met behulp van hulpverlening in het vrijwillig kader in staat zal zijn. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het bewind nog steeds aanwezig is.
3.9.7.
Het hof is voorts van oordeel dat er geen sprake is van gewichtige redenen om de huidige bewindvoerder te ontslaan. Dat de communicatie met de bewindvoerder volgens de rechthebbende niet optimaal verloopt, is nog geen reden voor ontslag van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft bovendien verklaard dat er geen belemmering is om het bewind uit te voeren. Het hof acht het niet in het belang van de rechthebbende om nu te wisselen van bewindvoerder maar wel om het afbouwtraject met de uitvoerend bewindvoerder uit te voeren. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om tot ontslag van de bewindvoerder over te gaan.
Het hof spreekt de hoop uit dat de rechthebbende het belang inziet van samenwerking met de bewindvoerder totdat het bewind in maart 2026 van rechtswege zal eindigen.
3.10.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beestreden beschikking bekrachtigen en het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder of anders de opheffing van het bewind afwijzen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.P. de Beij en M.E.M. Beijersbergen en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.