Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:1561
Strafrecht
Hoger beroep
2,232 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000106-23 (OWV)
Uitspraak : 24 april 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 januari 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-820293-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 10 januari 2023 het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 198.351,76. Aan de betrokkene is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 193.351,76, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling die bij niet-betaling van het ontnemingsbedrag ten hoogste kan worden gevorderd is bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Voorts heeft de verdediging op verschillende gronden de (hoogte van de) ontnemingsvordering dan wel een op te betalingsverplichting betwist.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en met de gronden waarop dit berust en zal het vonnis derhalve bevestigen. Mede naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zal het hof het vonnis op de hierna te vermelden wijze aanvullen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft op pagina vier van het vonnis onder andere opgenomen dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt uit de bewijsmiddelen zoals deze zijn opgenomen in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 februari 2020 en het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 maart 2022. Deze bewijsmiddelen – het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 25 februari 2020 en het rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel per delict d.d. 25 maart 2020 – zijn als bijlage aan dit arrest gehecht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betalingsregeling(en)
Voor zover de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat er geen ruimte is voor het vaststellen van een te ontnemen bedrag, omdat er met het CJIB betalingsregeling(en) worden nageleefd, verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en geoordeeld. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het navolgende.
Op basis van de inhoud van de gedingstukken stelt het hof – evenals de rechtbank – vast dat de betrokkene in het kader van de betalingsregeling met het CJIB eenmaal, op 5 juli 2022, een bedrag van € 25,00 heeft betaald. De rechtbank heeft dit bedrag ook in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de betrokkene in het kader van de betaling van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (verband houdend met de strafzaak onder parketnummer 20-002555-17) meer betalingen heeft voldaan, die betalingen in mindering dienen te worden gebracht op de onderhavige betalingsverplichting. Zulks geldt eveneens ten aanzien van betalingen die door [betrokkene] in verband met diens strafzaak (onder parketnummer 20-002448-17) zijn voldaan.
Getuigen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging naar voren gebracht dat door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen ( [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ) zelf in verschillende (straf)dossiers voor komen vanwege ‘fraudeleuze’ verdenkingen. Deze getuigen zijn onbetrouwbaar en hun verklaringen zijn niet bruikbaar voor een bewijsconstructie jegens de betrokkene. Het gaat niet om katvangers zoals dat door het Openbaar Ministerie is gepresenteerd, maar om zelfstandige en doorgewinterde criminelen, aldus de verdediging. Het is dan ook niet juist dat slechts kleine geldbedragen aan hen zouden zijn gegeven en dat de rest aan de betrokkene zou zijn afgedragen. Volgens de verdediging zou een pondspondsgewijze verdeling over tien verdachten moeten worden toegepast.
Bovendien is gebleken dat de getuigen [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] zijn overleden. De verdediging heeft aldus niet de volledige mogelijkheid gehad getuigen te kunnen horen omtrent de verdeling van gelden, waarbij er geen sprake is geweest van enige compensatie voor het niet kunnen horen van voornoemde getuigen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen de getuigen ( [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ) hebben verklaard. Dat [getuige 2] op 28 november 2015 bij de politie heeft verklaard dat hij een paar honderd euro van de betrokkene heeft gekregen en dat hij op 19 december 2024 ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij ‘geen geld uit het bedrijf’ heeft gekregen, maakt dat niet anders. Ook in de omstandigheid dat getuigen [getuige 1] en [getuige 3] – vele jaren later – bij de raadsheer-commissaris naar voren hebben gebracht dat zij zich zaken niet meer kunnen herinneren, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen zij eerder hebben verklaard. Voor zover de verdediging op pagina acht van de pleitnota een inhoudsindicatie van een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en een gedeelte van een tenlastelegging jegens [getuige 4] heeft opgenomen, stelt het hof vast dat het in die zaak gaat om een andere tenlastegelegde periode dan in de onderhavige strafzaak. Het verweer van de verdediging strekkende tot toepassing van een pondspondsgewijze verdeling over tien personen kan reeds daarom in zoverre niet slagen. Bovendien ziet het hof in het vermelde vonnis en in de genoemde tenlastelegging ook geen reden om te twijfelen aan hetgeen [getuige 4] in de onderhavige zaak heeft verklaard.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 16 september 2024 blijkt dat de getuige [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] op respectievelijk 3 mei 2021, 25 november 2021 en 18 februari 2021 zijn overleden. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof een gegronde reden voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht ten aanzien van voornoemde getuigen. Bovendien is het hof van oordeel dat er is sprake van compensatie voor de onmogelijkheid om [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] te horen. Immers, in aanwezigheid van de verdediging zijn [getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuigen gehoord.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bepaalt dat betalingen aan het CJIB – met uitzondering van een op 5 juli 2022 betaald bedrag van € 25,00 – verband houdend met de strafzaak van de betrokkene (onder parketnummer 20-002555-17) en betalingen door [betrokkene] in verband met diens strafzaak (onder parketnummer 20-002448-17) in mindering dienen te worden gebracht op de vastgestelde betalingsverplichting van € 193.351,76.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 24 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.