Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:1528
Civiel recht
Hoger beroep kort geding
9,417 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.268/01
arrest van 3 juni 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.J.M. Cliteur te ‘s-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats]
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.M.P. Schobbers-Deinum te Venlo,
op het bij dagvaardingsexploot van 19 september 2024 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 augustus 2024, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 27 augustus 2024, tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ;
de door [appellant] genomen memorie van grieven, met productie 1;
- de rolaantekening dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend, dat later is gezuiverd;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord, met producties 1 tot en met 4.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
De kern van de zaak in hoger beroep
2.3
Dit executiegeschil spitst zich toe op de vraag of de beslaglegger de bij een eerder kortgedingvonnis uitgesproken veroordeling tot afgifte van de beslagen roerende zaken heeft nageleefd.
3De beoordeling
Feiten
3.1
In dit hoger beroep dienen, kort samengevat, de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. [appellant] en [geïntimeerde] zijn (onder andere via hun vennootschappen) voormalige zakenpartners en met elkaar in verschillende rechtszaken verwikkeld.
b. [appellant] is directeur-grootaandeelhouder van [XX] GmbH. [geïntimeerde] is directeur-grootaandeelhouder van [YY] B.V. (hierna: [YY] ). In het kader van hun samenwerking hebben partijen en hun vennootschappen overeenkomsten gesloten, waaronder geldleningsovereenkomsten uit 2012 en 2017.
c. Een op 23 juli 2021 gedateerde pandakte vermeldt dat pandgever [appellant] en pandhouder [geïntimeerde] partij zijn bij een toen ook gesloten samenwerkingsovereenkomst en dat [appellant] :
“Tot zekerheid voor de nakoming van alle huidige en toekomstige verbintenissen tot voldoening van een geldsom uit welke hoofde dan ook (…) verpandt (…):
(i) (…);
(ii) diens huidige en toekomstige roerende zaken, waaronder voorraden, inventaris, inboedel, transportmiddelen, vervoermiddelen, kasgelden, kunstwerken, kunstcollectie, sieraden en overige roerende zaken (…);
(iii) (…)”.
d. Op 5 mei 2022 zijn bij een overval uit de woning van [appellant] kunst- en overige voorwerpen ontvreemd. In het strafrechtelijk onderzoek is [geïntimeerde] als (een van de) verdachte(n) aangemerkt. Naar aanleiding van de woningoverval heeft [appellant] op 11 oktober 2022 een civiele schadevergoedingsprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland (zaak C/05/412571/HA ZA 22-536) tegen onder meer [geïntimeerde] en [YY] . In die procedure heeft [geïntimeerde] zich onder meer beroepen op verrekening met tegenvorderingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van 23 juli 2021, tot zekerheid waarvan [appellant] diens zaken aan [geïntimeerde] zou hebben verpand. In die procedure heeft [appellant] die tegenvorderingen betwist en nadrukkelijk ontkend die op 21 juli 2021 gedateerde samenwerkingsovereenkomst en pandakte te hebben ondertekend.
e. Bij verzoekschrift van 29 juni 2023 heeft [geïntimeerde] verzocht verlof te verlenen voor het onder zich nemen van door [appellant] bij onderhandse pandakte van 23 juli 2021 verpande zaken. Daarop heeft de voorzieningenrechter bij beschikking van 30 juni 2023 (zaak C/01/394435/BP RK 23-458) verlof verleend om door [appellant] aan [geïntimeerde] :
“op grond van de op 23 juli 2021 verpande zaken, te weten;
“diens huidige en toekomstige zaken, waaronder voorraden, inventaris,
Inboedel, transportmiddelen, vervoermiddelen, kasgelden, kunstwerken,
kunstcollectie, sieraden en overige roerende zaken”
onder zich te nemen of in beslag te nemen”.
f. Op 26 juli 2023 heeft deurwaarder [persoon A] in opdracht van [geïntimeerde] pandhoudersbeslag gelegd op roerende zaken in de woning en garage van [appellant] . In het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft deurwaarder [persoon A] geschreven dat hij:
“DE VERPANDE ROERENDE ZAKEN:
Onder mij heb genomen en aan de pandhouder heb afgegeven, als opgenomen in de aan dit proces-verbaal gehechte lijst, welk een onverbrekelijk onderdeel van dit proces-verbaal is;
(…)
Naast de aangehechte lijst voeg ik 197 foto's toe aan dit proces-verbaal (…)”.
Dit proces-verbaal is met de daaraan gehechte lijst van 94 vermelde zaken en met de bijgevoegde 197 foto’s aan [appellant] betekend op 1 augustus 2023.
g. In een met de dagvaarding van 13 september 2023 ingeleid kort geding heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad en op verbeurte van een dwangsom zal worden geboden om de naar aanleiding van het beslagverlof onder zich genomen zaken te (doen) retourneren. Bij daarop gevolgd kortgedingvonnis van 6 oktober 2023 (zaak C/01/395951/KG ZA 23-410) heeft de voorzieningenrechter in hoofdlijn als volgt overwogen:
In de door [appellant] in oktober 2022 aanhangig gemaakte bodemprocedure C/05/412571/HA ZA 22-536 heeft [geïntimeerde] tegengeworpen dat hij kan verrekenen met vorderingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van 23 juli 2021 waarvoor hij zekerheden heeft bedongen en blijkens een pandakte ook heeft verkregen. In die bodemprocedure heeft [appellant] evenwel uitdrukkelijk bestreden dat hij de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte heeft ondertekend (rov. 4.3).
[geïntimeerde] baseert het op 29 juni 2023 verzochte verlof tot het leggen van pandhoudersbeslag op met een pandrecht gesecureerde vorderingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van 23 juli 2021, maar heeft géén melding gemaakt van de lopende bodemprocedure noch van het daarin door [appellant] opgeworpen verweer dat hij de echtheid van de handtekeningen onder de pandakte en samenwerkingsovereenkomst betwist (rov. 4.4).
Door in het verzoekschrift van 29 juni 2023 geen melding te hebben gemaakt van de lopende bodemprocedure en van de daarin door [appellant] ontkende echtheid van de pandakte en samenwerkingsovereenkomst, heeft [geïntimeerde] artikel 21 Rv geschonden en de rechter bij het nemen van de beslissing van 30 juni 2023 op het verkeerde been gezet. Dit brengt de voorzieningenrechter ertoe om -met gebruikmaking van de hem bij schending van artikel 21 Rv gegeven bevoegdheid- de primaire vordering van [appellant] tot afgifte van de zaken als vermeld in het proces-verbaal van pandhoudersbeslag van 26 juli 2023 toe te wijzen (rov. 4.5).
Daarnaast acht de voorzieningenrechter het bovendien niet onaannemelijk dat bij een juiste en volledige informatieverstrekking het verlof zou zijn geweigerd, zodat de zaken niet in de macht van [appellant] zouden zijn gekomen (rov. 4.6).
De voorzieningenrechter heeft toen op grond van deze oordelen uitvoerbaar bij voorraad beslist:“5.1 veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis de
zaken, die [geïntimeerde] op grond van het op 30 juni 2023 verkregen verlof ex artikel
496 lid 2 Rv onder zich heeft genomen, als omschreven in het proces-verbaal van 26
juli 2023 (…) aan [appellant] af te geven,
5.2
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt.”
(hierna: de op 6 oktober 2023 uitgesproken dicta 5.1 en 5.2). Dit vonnis is op 12 oktober 2023 aan [geïntimeerde] betekend.
h. Op 19 oktober 2023 heeft [geïntimeerde] goederen voor transport naar [appellant] laten inladen in een vrachtauto. De in opdracht van [geïntimeerde] bij het inladen aanwezige deurwaarder [persoon B] heeft in het daarvan opgemaakte proces-verbaal geschreven dat hij: “(…) van verzoeker ter hand gesteld kreeg het proces-verbaal d.d. 26 juli 2023 van
toegevoegd gerechtsdeurwaarder [persoon A] te [A] (…) waarvan de verzoeker mij mededeelde dat de alsdan en aldaar door de genoemde deurwaarder onder zich genomen goederen goederen ingevolge rechterlijke uitspraak heden aan de beslagene dienen te worden afgegeven.
Procesverloop
3.2.1
In dit met de dagvaarding van 9 augustus 2024 ingeleide geding heeft [geïntimeerde] , samengevat, gevorderd dat de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad [appellant] zal:
gebieden de ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen op heffen;
gebieden de executie van het vonnis van 6 oktober 2023 ter inning van dwangsommen te staken;
veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag dat hij het hiervoor weergegeven gebod overtreedt, met een maximum van € 100.000,--;
(hierna: vorderingen A, B en C), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2
Bij het beroepen vonnis van 23 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter in hoofdlijn als volgt overwogen:
Doel en strekking van de op 6 oktober 2023 uitgesproken veroordeling was dat de door [geïntimeerde] onder zich genomen zaken als omschreven in het proces-verbaal van deurwaarder [persoon A] , binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan [appellant] zouden worden afgegeven (rov. 4.4).
In het kader van dit kort geding moet [appellant] dusdanige feiten en omstandigheden aandragen en aannemelijk maken dat in voldoende mate aannemelijk wordt dat de bodemrechter zal oordelen dat [geïntimeerde] niet (volledig) aan het vonnis heeft voldaan en daarom dwangsommen zijn verbeurd (rov. 4.5).
[appellant] voert aan dat [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd en niet (volledig) aan het vonnis heeft voldaan omdat:
1e de door deurwaarder [persoon E] op 19 oktober 2023 in opdracht van curator mr. Van der Pas in beslag genomen zaken niet aan hem zijn geretourneerd. [appellant] heeft dit evenwel onvoldoende onderbouwd (rov. 4.6-4.7);
2e een aantal van de door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken die volgens deurwaarder [persoon B] op 19 oktober 2023 ook in de vrachtauto zijn ingeladen, niet zijn vermeld in de door deurwaarder [persoon D] opgemaakte lijst van op 19 oktober 2023 geretourneerde zaken. [geïntimeerde] betoogt evenwel gemotiveerd dat deurwaarder [persoon D] niet alle geretourneerde zaken heeft vastgelegd (rov. 4.8-4.9).
In dit kort geding is niet met enige mate van zekerheid vast te stellen welke partij gelijk heeft, maar onvoldoende aannemelijk geworden is dat [geïntimeerde] in gebreke is gebleven met de afgifte van zaken en dat daarom vanaf 19 oktober 2023 dwangsommen heeft verbeurd. Het ligt op de weg van [appellant] om die vraag voor te leggen aan de rechter in een bodemprocedure (rov. 4.10).
Door nu de executie van het vonnis voort te zetten, maakt [appellant] misbruik van de hem in het vonnis van 6 oktober 2023 gegeven executiebevoegdheid (rov. 4.11).
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen (rov. 4.12).
[appellant] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (rov. 4.14).
Mede gelet op het herstelvonnis van 27 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter [appellant] op grond van deze oordelen uitvoerbaar bij voorraad:
(dictum 5.1) veroordeeld om de ten laste van [geïntimeerde] gelegde executoriale beslagen als bedoeld in rov. 3.1.[x] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, tenzij [appellant] binnen die termijn een bodemprocedure aanhangig maakt tegen [geïntimeerde] in verband met door [geïntimeerde] verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2023;
(dictum 5.2) geboden om de executie zoals bij exploten van 25 april 2024, 2 mei 2024 en 13 juni 2024 is aangezegd te staken zolang omtrent de verschuldigdheid ervan niet door de rechter in de bodemprocedure is beslist;
(dictum 5.3) veroordeeld om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag dat hij niet aan de in dicta 5.1 en/of 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,-- is bereikt;
(hierna: de in het beroepen vonnis uitgesproken dicta 5.1, 5.2 en 5.3), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Procesverloop
3.3.1
In dit met de dagvaarding van 19 september 2024 ingeleide hoger beroep formuleert [appellant] drie grieven en concludeert [appellant] , in de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.2
[geïntimeerde] geeft aan dat [appellant] inmiddels bij dagvaarding van 6 september 2024 de bodemzaak heeft ingeleid en dat [appellant] daarin vordert, samengevat, dat de rechtbank Oost-Brabant uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat de bij vonnis van 6 oktober 2023 opgelegde dwangsommen volledig door [geïntimeerde] zijn verbeurd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Verder weerspreekt [geïntimeerde] de door [appellant] geformuleerde grieven en concludeert [geïntimeerde] , naar de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, het beroepen vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
De omvang van het hoger beroep
3.4
Dit hoger beroep spitst zich toe op de aan [geïntimeerde] tegen [appellant] toegewezen vorderingen A tot opheffing van ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen, B tot staking van de executie van het vonnis van 6 oktober 2023 ter inning van dwangsommen en C tot betaling van een dwangsom op die veroordelingen. De eerste rechter heeft die toewijzing vorm gegeven met de in het beroepen vonnis in dictum 5.1 uitgesproken opheffing van de beslagen tenzij [appellant] tijdig een bodemprocedure wegens door [geïntimeerde] verbeurde dwangsommen aanhangig maakt, de in dictum 5.2 uitgesproken staking van de aangezegde executie hangende die bodemprocedure en de in dictum 3 uitgesproken dwangsomveroordeling. Bij gebreke van een daartegen kenbaar ingesteld incidenteel hoger beroep ligt het door de voorzieningenrechter afgewezen deel van de vorderingen A, B en C niet ter beoordeling aan het hof voor.
Het spoedeisend belang
3.5.1
[geïntimeerde] ontkent dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij dit hoger beroep en/of bij de afwijzing van de aan [geïntimeerde] toegewezen voorzieningen. Dit kan echter nergens toe leiden, omdat het voor kort geding vereiste spoedeisend belang (alleen) moet worden beoordeeld aan de hand van de door [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiser in kort geding gevorderde voorzieningen.
3.5.2
Het hof dient het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de door [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiser onder A, B en C gevorderde voorzieningen zelf en op basis van de actuele situatie te onderzoeken. Het hof oordeelt het voor de beoordeling in kort geding vereiste spoedeisend belang daarbij nu nog steeds aanwezig. Dat spoedeisend belang volgt al uit de aard van dit executiegeschil en de door [geïntimeerde] ingeroepen bescherming tegen een door [appellant] voorgenomen onrechtmatige executie van zijn zaken. Dit rechtvaardigt (nog steeds) de toegang tot de kortgedingrechter. Maar of de vorderingen van [geïntimeerde] in kort geding ook terecht toewijsbaar zijn geoordeeld in de vorm van de in het beroepen vonnis uitgesproken dicta 5.1, 5.2 en 5.3 is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
De voorliggende vorderingen en grieven
3.6
[geïntimeerde] betwist dat [appellant] een belang heeft bij dit hoger beroep en licht toe dat [appellant] inmiddels al een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. Deze tegenwerping door [geïntimeerde] kan evenwel tot niets leiden, reeds omdat [appellant] enkel vanwege zijn proceskostenveroordeling al voldoende belang heeft.
3.7
[geïntimeerde] legt aan vordering A tot opheffing van ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen en vordering B tot staking van de executie van het vonnis van 6 oktober 2023 ter inning van dwangsommen in de kern het navolgende ten grondslag.
Alle zaken die [geïntimeerde] op grond van het op 30 juni 2023 verkregen verlof onder zich had genomen zoals beschreven in het door deurwaarder [persoon A] opgemaakte proces-verbaal, zijn op 19 oktober 2023 ter voldoening aan het kortgedingvonnis van 6 oktober 2023 tijdig aan [appellant] geretourneerd. Dit blijkt uit het door deurwaarder [persoon B] opgestelde proces-verbaal, dat aan de hand van de door deurwaarder [persoon A] opgestelde lijst van beslagen zaken is opgemaakt. [appellant] heeft al die in de vrachtwagen geladen zaken na het uitladen ook ontvangen. Partijen verschillen van mening over slechts een relatief klein aantal zaken, waarvan [geïntimeerde] al eerder duidelijk heeft aangegeven dat ook die aan [appellant] zijn overhandigd. De door [appellant] ingeschakelde deurwaarder [persoon D] heeft niet alle dozen uitgepakt en bovendien niet alle op pallets liggende (zelfs nog met krimpfolie omwikkelde) zaken gefotografeerd. Door de dwangsommen te incasseren maakt [appellant] misbruik van executierecht.
3.8
Door de toegelichte grieven 1 en 2 voert [appellant] hiertegen verweer. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.9.1
Nu [geïntimeerde] gemotiveerd weerspreekt dat dwangsommen zijn verbeurd, moet het hof onderzoeken of [geïntimeerde] aan de op 6 oktober 2023 in dictum 5.1 uitgesproken veroordeling tot afgifte van de in beslag genomen zaken heeft voldaan. In dit executiegeschil dient het hof niet de daaronder liggende rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Voor zover [appellant] benadrukt dat in die onderliggende beoordeling de schending van artikel 21 Rv een belangrijke rol heeft gespeeld, laat dat het doel en de strekking van de op 6 oktober 2023 uitgesproken dicta 5.1 en 5.2 onverlet. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft aangenomen, zijn doel en strekking van die op 6 oktober 2023 uitgesproken dicta dat [geïntimeerde] de op 26 juli 2023 door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan [appellant] dient af te gegeven. Daarbij dient de in dictum 5.2 uitgesproken dwangsomveroordeling als prikkel tot nakoming van de in dictum 5.1 uitgesproken veroordeling tot afgifte van de in beslag genomen zaken.
3.9.2
Voor zover [appellant] een ruimer kader of andere uitleg voorstaat omdat de schending van artikel 21 Rv in belangrijke mate tot die op 6 oktober 2023 uitgesproken dicta heeft geleid, volgt het hof dat niet. Ook waar [appellant] betoogt dat [geïntimeerde] de uitvoering van zijn afgifteverplichting vooraf met curator mr. Van der Pas had afgestemd, doet dat het hof niet anders oordelen. Met dit betoog laakt [appellant] de handelwijze van [geïntimeerde] , maar dat raakt niet zonder meer het doel en/of de strekking van de op 6 oktober 2023 uitgesproken dicta 5.1 en 5.2.
3.10.1
Met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of [geïntimeerde] aan de op 6 oktober 2023 in dictum 5.1 uitgesproken veroordeling tot afgifte van de in beslag genomen zaken heeft voldaan, overweegt het hof in het bijzonder als volgt.
Voor de toewijsbaarheid van de onder A en B gevorderde voorzieningen kan in dit kort geding reden zijn als, de belangen van partijen mede in aanmerking genomen, voorshands voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] geen dwangsommen heeft verbeurd. Gelet op het feit dat de bewijslast in beginsel op [appellant] rust, zijn de gevorderde voorzieningen in beginsel toewijsbaar wanneer niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] inderdaad niet (volledig) aan de veroordeling heeft voldaan.
Feiten
MIJ BEGEVEN EN BEVONDEN:
aan [hof: adres] alwaar de in het proces verbaal van 26 juli 2023 genoemde goederen zich zouden bevinden.
GECONSTATEERD DAT TER PLAATS AANZWEZIG ZIJN.:
De navolgende roerende zaken:
[hof: hierna volgt een opsomming van goederen]”.
Buiten een Mercedes met kenteken [kenteken A]
De Citroen zou al in [plaats A] staan en van daar uit naar de rechthebbende zou worden gebracht. De Mercedes en de goudstaven en etui met gouden spullen worden (…) naar [plaats A] gebracht zo werd mij medegedeeld.
De overige hiervoor genoemde spullen zijn in een vrachtwagen van [persoon C]
transport geladen voor vervoer naar [plaats A] (…)”
i. Nadat [geïntimeerde] en de chauffeur van de vrachtauto op 19 oktober 2023 naar de woning van [appellant] waren gereden, is de vrachtauto uitgeladen. De in opdracht van [appellant] bij het uitladen aanwezige deurwaarder [persoon D] heeft in het daarvan opgemaakte proces-verbaal geschreven:
“Omstreeks 13.45 uur zijn [geïntimeerde] begonnen met het uit de vrachtwagen halen van de roerende zaken waarna ze deze in de voortuin van [appellant] plaatste zodat ik daartoe diverse foto’s heb genomen van de afzonderlijke zaken. Vervolgens heb ik gezien dat de zaken, waarvan ik 379 afzonderlijke foto's heb genomen welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht, uit de vrachtwagen zijn geladen en vervolgens door de aanwezige heren in de voortuin van de woning zijn geplaatst en nadien in de woning.
Ik heb voorts geconstateerd dat is afgegeven:
[hof: hierna volgt een opsomming van goederen].
Omstreeks 16.00 uur verscheen ter plaatste [persoon E] , gerechtsdeurwaarder (…) die (…) aangaf een verlof te hebben beslag te leggen op een tweetal auto’s en een aantal goudstaven. (…)
Nadien werd er weer verder gegaan met het uitladen van de vrachtwagen
[hof: hierna volgt een opsomming van goederen]”.
Aan dit proces-verbaal zijn 379 foto’s gehecht.
j. Op 19 oktober 2023 heeft deurwaarder [persoon E] in opdracht van mr. R. van der Pas, curator in het faillissement van [YY] , conservatoir beslag gelegd op roerende zaken. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft deurwaarder [persoon E] geschreven:
“ Ik heb beslag gelegd op de volgende roerende zaken:
1. Personenauto, merk Citroën, type DS met kenteken [kenteken B] ,
2. Personenauto, merk Mercedes, type A-klasse met kenteken [kenteken A] ,
3. Sleutels, 2 stuks van de personenauto als genoemd onder sub 2, waarvan bij 1 sleutel niet compleet was, aangezien daarin de fysieke sleutel ontbrak;
4. 1 sleutelbos van de personenauto als genoemd onder sub 1;
5. Baar goud, gewicht 1 kilo met serienummer [serienummer A] ,
6. Baar goud, gewicht 1 kilo met serienummer [serienummer B] ,
7. Baar goud, gewicht 1 kilo met serienummer [serienummer C] ,
8. Baar goud, gewicht 1 kilo met serienummer [serienummer D] ,
9. Baar goud, gewicht 1 kilo met serienummer [serienummer E] ,
10. Diverse sleutels, bevindend in een doos”.
Aan dit proces-verbaal zijn foto’s gehecht.
k. Bij brief van 20 november 2023 heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] geschreven:
“Uit de vergelijking tussen de door de deurwaarder die het pandbeslag heeft laten uitvoeren en het proces-verbaal van constatering van deurwaarder [persoon D] blijkt dat uw cliënt een belangrijk deel van de door hem ten onrechte in pandbeslag genomen zaken niet heeft geretourneerd of heeft getracht zaken te retourneren die niet bij cliënt zijn meegenomen.
Cliënt wijst uw cliënt daarbij op de volgende (…) zaken.
[hof: hierna volgt een opsomming van goederen]
(…) Nu uw cliënt nog altijd niet voldaan heeft aan het vonnis is hij vanaf 20 oktober jl. dwangsommen verschuldigd. Die zijn inmiddels opgelopen tot een totaalbedrag van € 320.000,-. Cliënt verzoekt en voor zoveel nodig sommeert uw cliënt het tot nu toe door hem verbeurde bedrag aan dwangsommen binnen drie dagen na heden over te maken op de derdenrekening van mijn kantoor (…). Bij gebreke van tijdige betaling zal cliënt de tenuitvoerlegging van het vonnis ter hand laten nemen.”
l. Bij brief van 27 november 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] geantwoord:
“Cliënt heeft een onderzoek gedaan naar de zaken waarvan u stelt dat zij niet zijn geretourneerd. Ik wijs u daarbij op het feit dat er een vergelijk dient plaats te vinden van de zaken die in het proces-verbaal van 26 juli 2023 zijn opgenomen en de zaken die op 19 oktober 2023 door cliënt zijn geretourneerd.
U bent er - zo neem ik aan - mee bekend dat cliënt ook een gerechtsdeurwaarder heeft ingeschakeld om in een proces-verbaal te noteren welke zaken door hem zijn geretourneerd. (…) Cliënt heeft de constateringen c.q. de lijsten naast elkaar gelegd, waaruit naar voren komt dat alle zaken aan uw cliënt zijn overhandigd. (…)
[hof: hierna volgt een opsomming en beschrijving van goederen met toelichting]
(…) In algemene zin wenst cliënt te benadrukken dat de door uw cliënt ingeschakelde deurwaarder, [persoon D] , heeft verzuimd om alle dozen te openen en van de daarin aanwezige zaken foto's te nemen. (…) Ook de diverse pallets zijn niet volledig uitgepakt gefotografeerd. Deze deurwaarder heeft ook niet van alle geretourneerde zaken foto's genomen, zodat het proces-verbaal dat is opgemaakt geen enkele waarde heeft.
Ook heeft cliënt geconstateerd dat gerechtsdeurwaarder [persoon D] continue
met andere zaken bezig was; (…)
Voorts blijkt uit het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder [persoon D] dat hij
vrijwel gelijktijdig met cliënt het adres van uw cliënt heeft verlaten. (…). Het is onmogelijk dat deze deurwaarder alles heeft genoteerd en gefotografeerd. Nogmaals, de waarde van het proces-verbaal is daarmee beperkt.”
m. Bij deurwaardersexploot van 25 maart 2024 heeft [appellant] [geïntimeerde] dwangsommen aangezegd ter hoogte van € 500.000,-- en bevel gedaan om de dwangsommen binnen twee dagen te voldoen.
n. Op respectievelijk 25 april 2024, 2 mei 2024 en 13 juni 2024 heeft [appellant] met het oog op de inning daarvan executoriale beslagen laten leggen op de bankrekening van [geïntimeerde] bij de Volksbank N.V., op onroerende zaken die voor de onverdeelde helft in eigendom aan [geïntimeerde] toebehoren en op roerende zaken toebehorend aan [geïntimeerde] .
o. Bij deurwaardersexploot van 25 juli 2024 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] de openbare verkoop van de beslagen roerende zaken aangezegd tegen 30 augustus 2024 tussen 10.00 uur en 14.00 uur.
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Procesverloop
Dit betekent dat een inschatting zal moeten worden gemaakt van de kans dat [appellant] in een eventuele bodemprocedure er in zal slagen te bewijzen dat [geïntimeerde] niet (volledig) aan de veroordeling heeft voldaan. De onderhavige kortgedingprocedure laat het uit haar aard niet toe om een uitvoerig onderzoek te doen naar de door partijen gestelde feiten en omstandigheden, voor zover de wederpartij die betwist. Het hof passeert dan ook reeds hierom de door partijen gedane bewijsaanbiedingen.
3.10.2
In zijn proces-verbaal geeft deurwaarder [persoon B] gedocumenteerd aan dat de door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken op 19 oktober 2023 bij [geïntimeerde] voor transport naar [appellant] in een vrachtauto zijn ingeladen, behoudens de aan partijen bekende Mercedes, Citroën, goudstaven en etui met gouden spullen waarvan hem is verteld dat die zaken al in [plaats A] stonden om naar [appellant] te worden gebracht.
[appellant] betwist de door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken op 19 oktober 2023 te hebben (terug)ontvangen en betoogt dat [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd. [appellant] betoogt dat de door deurwaarder [persoon E] in opdracht van curator mr. Van der Pas in beslag genomen zaken niet (eerst) aan hem werden geretourneerd en dat een aantal van de door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken niet zijn vermeld in de door deurwaarder [persoon D] opgemaakte lijst van op 19 oktober 2023 geretourneerde zaken.
3.10.3
Het betoog van [appellant] is echter onvoldoende aannemelijk geworden.
Voor zover [appellant] benadrukt dat deurwaarder [persoon D] het door hem ingeroepen proces-verbaal op ambtseed heeft opgemaakt, ziet [appellant] er aan voorbij dat hetzelfde geldt voor de door de deurwaarders [persoon A] , [persoon B] en [persoon E] opgemaakte processen-verbaal.
Verder heeft deurwaarder [persoon E] blijkens diens proces-verbaal bij het woonadres van [appellant] geen derdenbeslag gelegd, maar “beslag (…) ten laste van de heer [appellant] ”.
Bovendien heeft deurwaarder [persoon B] de op 19 oktober 2023 door [geïntimeerde] voor transport naar [appellant] in de vrachtauto ingeladen zaken blijkens diens proces-verbaal gecontroleerd aan het hem daartoe ter hand gestelde “proces-verbaal d.d. 26 juli 2023 van toegevoegd gerechtsdeurwaarder [persoon A] ”. Dit vindt steun in de schriftelijke verklaring van [persoon F] (met volgens [geïntimeerde] de achternaam: [--] ) dat, zakelijk weergegeven, hij de vrachtautochauffeur is geweest en dat de bij het inladen van de vrachtauto aanwezige deurwaarder [persoon B] aan de hand van de lijst van deurwaarder [persoon A] “vooraf alles kwam controleren of alles ook aanwezig was en ook daadwerkelijk alles is ingeladen.”
Verder geeft deurwaarder [persoon D] in diens proces-verbaal zelf aan dat hij bij het uitladen van de vrachtauto meermalen verschillende dozen heeft gezien met daarin bijvoorbeeld “diverse zaken” of “diverse ingepakte zaken”, dus zonder dat hij de exacte inhoud ervan heeft vastgelegd en/of gefotografeerd.
Tenslotte heeft vrachtautochauffeur [persoon F] schriftelijk gemotiveerd verklaard dat (en waardoor) deurwaarder [persoon D] niet alle uitgeladen en bij [appellant] naar binnen gebrachte zaken heeft kunnen zien en fotograferen. In zoverre heeft vrachtautochauffeur [persoon F] stellig geschreven: “Kortom kan ik met zekerheid verklaren dat heel veel niet is gefotografeerd door de deurwaarder van [appellant] .”
Voor zover de bij het uitladen van de vrachtauto aanwezige deurwaarder [persoon D] enkele van de door deurwaarder [persoon A] in beslag genomen zaken (waaronder een tot een Sonos-soundsysteem behorende soundbar, een flatscreen televisie, een bed, een koevoet, lampen, vazen, eendenbeeldjes en een Gaggia-koffiezetapparaat) niet heeft vermeld of gefotografeerd, volgt daaruit dus vooralsnog onvoldoende of en in hoeverre [geïntimeerde] die zaken echt niet aan [appellant] heeft teruggegeven.
3.11
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat voorshands niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] inderdaad niet (volledig) aan de op 6 oktober 2023 in dictum 5.1 uitgesproken veroordeling tot afgifte van de in beslag genomen zaken heeft voldaan. Hierdoor is ook (te) onzeker of (en in hoeverre) [geïntimeerde] ingevolge het daaraan verbonden dictum 5.2 dwangsommen heeft verbeurd. Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat, kort samengevat, nader onderzoek onontbeerlijk is en dat vanwege de bedoelde onzekerheden aanleiding bestaat om de door [appellant] in gang gezette executie om dwangsommen te incasseren nu een halt toe te roepen. Waar het op de weg van [appellant] ligt om de kwestie voor te leggen aan de rechter in een bodemprocedure, heeft de voorzieningenrechter terecht beslist tot de in het beroepen vonnis in dictum 5.1 uitgesproken opheffing van de beslagen tenzij [appellant] tijdig een bodemprocedure wegens door [geïntimeerde] verbeurde dwangsommen aanhangig maakt en tot de in dictum 5.2 uitgesproken staking van de aangezegde executie hangende die bodemprocedure. Het hof verwerpt de door [appellant] toegelichte grieven 1 en 2.
3.12
Zoals [appellant] zelf al aangeeft, heeft grief 3 geen zelfstandige betekenis maar bouwt deze voort op de grieven 1 en 2. Door de verwerping van de grieven 1 en 2 kan grief 3 verder onbesproken blijven.
De slotsom
3.13.1
Nu verder niet gesteld of gebleken is van omstandigheden om de in het beroepen vonnis in dictum 5.3 uitgesproken dwangsomveroordeling te wijzigen, komt het hof tot de slotsom dat de voorzieningenrechter de in het ongelijk gestelde [appellant] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg heeft veroordeeld. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd.
3.13.2
Het hof zal de in hoger beroep ongelijk krijgende [appellant] veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep. Daarbij in aanmerking nemend dat de proceskostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert, stelt het hof die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 349,--
salaris advocaat € 5.286,-- (1 punt x tarief VII HB)
nakosten € 178,-- (plus verhoging conform beslissing)
- totaal € 5.813,--.
Onder toewijzing van de verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad beslist het hof nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen kortgedingvonnis van 23 augustus 2024, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 27 augustus 2024;
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] de proceskosten van dit hoger beroep ten bedrage van € 5.813,-- te betalen, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en als [appellant] deze proceskosten niet tijdig voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juni 2025.
griffier rolraadsheer