Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:1482
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
9,842 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.336.691/01
arrest van 27 mei 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. R.W. Elgers te Eindhoven,
tegen
Gemeente Helmond,
gevestigd te Helmond,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. V.L.S. van Cruijningen te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 6 december 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 september 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van de gemeente.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald, die nader is bepaald op vandaag. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort
[appellant] woont in de gemeente Helmond. De gemeente voert de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uit. [appellant] heeft vanwege zijn medische situatie aanspraak gemaakt op diverse voorzieningen op grond van de Wmo. De communicatie tussen [appellant] en de gemeente verloopt moeizaam. Omdat [appellant] daarbij volgens de gemeente de grenzen van het betamelijke heeft overschreden, heeft de gemeente ten opzichte van [appellant] communicatie beperkende maatregelen getroffen. [appellant] mag tijdelijk slechts via e-mail communiceren met de gemeente en een speciale begeleidingsgroep is stopgezet. [appellant] is het daarmee niet eens. Deze procedure gaat over de bezwaren van [appellant] tegen de getroffen maatregelen. Het hof deelt die bezwaren niet en geeft [appellant] ongelijk.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De rechtbank heeft in 2.1. tot en met 2.11. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling relevant achtte. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht, behoudens voor zover het de vaststelling in 2.7. betreft. Die vaststelling houdt in dat enkele van de door [appellant] tegen medewerkers van de gemeente ingediende klachten gegrond waren, maar de meerderheid niet. In randnummer 2 van zijn memorie van grieven stelt [appellant] dat hij ten aanzien van alle klachten of integriteitsmeldingen tegen ambtenaren in het gelijk is gesteld. De gemeente heeft dit in haar memorie van antwoord weersproken. Het hof constateert dat [appellant] zijn stelling niet met enig voorbeeld heeft toegelicht, noch met enige productie heeft onderbouwd. [appellant] dient zijn grieven in zijn memorie van een deugdelijke motivering te voorzien. Dat heeft hij niet gedaan, terwijl ook bij de akte geen nadere onderbouwing van zijn stelling is gegeven. Daarom verwerpt het hof de stelling. De grief tegen de feitenvaststelling slaagt niet.
In dit hoger beroep kan daarom worden uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten, waaraan het hof nog enkele vaststaande feiten toevoegt. De vaststaande feiten luiden als volgt.
3.1.1.
De gemeente heeft in verband met medische aandoeningen van [appellant] bij besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanaf 2016 aan [appellant] voorzieningen toegekend op grond van de Wmo. In verband met die voorzieningen en in verband met nadere aanvragen voor voorzieningen is er regelmatig contact tussen [appellant] (en zijn advocaat, [persoon A] ) en de gemeente.
3.1.2.
Het contact tussen [appellant] en de gemeente is niet altijd goed verlopen. De gemeente heeft daarom in de loop der jaren meerdere pogingen ondernomen om de relatie tussen partijen werkbaar te houden. Zo heeft zij onder meer externe procesbegeleiders ingezet en is zij in 2018 een mediationtraject gestart. Medio 2020 heeft de gemeente een begeleidingsgroep samengesteld, die ervoor zorgde dat de lopende aanvragen, klachten, procedures en een extern ingesteld integriteitsonderzoek werden behandeld. Van die groep maakten een externe Wmo-jurist en de advocaat van [appellant] , [persoon A] , (hierna: de advocaat van [appellant] ) deel uit.
3.1.3.
Op 19 augustus 2021 heeft een medewerker van de gemeente met de functie van
coördinator integriteit naar aanleiding van contact met [appellant] op 16 april 2021 een
agressiemelding gedaan. Hierin staat onder meer:
“(…)
Welke werkzaamheden werden door betrokkene(n) uitgevoerd en wat is er gebeurd?
- De heer [appellant] belde mij en heeft vervolgens aan de telefoon enkele dreigementen geuit en heeft tegen mij gesproken op zo 'n manier die ik als intimiderend heb ervaren. Dit is
al meerdere malen voorgevallen. Voorbeelden hierbij zijn:
“Ik laat in de krant zetten dat de coördinator integriteit zich schaamt voor haar werkgever”, “Op welke kamer werk jij, dan zorg ik ervoor dat ze die rolstoel bij jou neerzetten”, “Jullie zijn allemaal mislukt in het bedrijfsleven, daarom ga je maar bij de overheid werken” etc. (...)”
3.1.4.
Op 21 mei 2021 heeft [appellant] telefonisch contact gezocht met [persoon B] ( [persoon B] ), de directeur van het Sociaal Domein van de gemeente. Diezelfde avond heeft hij ook een e-mail gestuurd aan [persoon B] . Hierin schrijft hij onder meer:
“(…)
Je zoon is recent 18 geworden, als ik goed ben ingelicht.
Heb je je zoon na het halen van zijn rijbewijs (17 jaar tegenwoordig) ook nog mogen
coachen, onder 2todrive wetgeving.
Jij hebt in ieder geval je handtekening gezet, onder een document, waarbij je mij deze
mogelijkheid ontneemt!
(...)
Ik hoop dat je een fijn weekend hebt gehad op de camping, en dat je ook gedurende de
zomervakantie kunt genieten van welverdiende rust.
Weet dan ook dat ik afgelopen weekend niet weg kon (ontbreken adequate
vervoersvoorziening, die jaaaren terug al is gevraagd), maar dat ik eigenlijk ook al kan
inzetten op een vakantie “zu hause” deze zomer.
(...)”
Hierna heeft de advocaat van [appellant] een communicatie-time-out tot stand gebracht waarna contact vanuit de gemeente met uitsluitend de advocaat liep.
3.1.5.
Op 7 juni 2021 heeft [persoon B] naar aanleiding van dit contact een agressiemelding gedaan. In deze melding staat onder meer:
“(...)
Welke werkzaamheden werden door betrokkene(n) uitgevoerd en wat is er gebeurd?
- Ik verwijs hiervoor naar de bijlagen. Betrokkene laat via de mail blijken dat hij mij privé
volgt en dat komt zeer intimiderend over, doordat het via de mail is gebeurd, kan iedereen
de mail tot zich neemt ook kennis nemen hiervan en is in die zin getuige van de gebeurtenis. (...)”
3.1.6.
[appellant] heeft tegen meerdere medewerkers van de gemeente (bij herhaling)
klachten ingediend. Wat betreft enkele van die klachten is geoordeeld dat deze gegrond
waren, maar de meerderheid was dat niet.
3.1.7.
Op 4 oktober 2021 heeft de gemeente [appellant] per brief het volgende geschreven:
“(...)
Naar aanleiding van uw mailverzoeken van onder andere 27 september jl. aan onze medewerkers bericht ik u als volgt. Vanaf juli 2020 is de gemeente Helmond met u en uw advocaat in overleg rondom de juridische procedures die u heeft lopen bij de gemeente rondom de voorzieningen die u heeft aangevraagd. Inzet van die overleggen was normalisering van de omgangsvormen en het beperken van juridische procedures. Hoewel dit proces zeker niet altijd makkelijk of soepel verliep, leek het erop dat er schot in de zaak kwam.
Ongewenste gedragingen
In (telefoon)gesprekken met u hebben wij sinds de start van het proces met regelmaat bemerkt dat uw gedrag richting onze medewerkers buiten de gewenste omgangsvormen omgaat. Naast het feit dat uw mails vaak dreigend van toon zijn, geeft u in telefoongesprekken in niet mis te verstane termen aan hoe u over onze ambtenaren en organisatie denkt. Hoewel wij dit gedrag niet accepteren, hebben wij omwille van het in juli 2020 gestarte proces daarvan veel door de vingers gezien. Wel hebben we enkele malen aan uw advocaat aangegeven dat uw gedrag storend is in het proces. Wanneer aan onze kant zaken waren blijven liggen hebben we dat ook aangegeven.
Afgelopen mei liepen de gemoederen zo hoog bij u op dat een aantal van onze medewerkers zich genoodzaakt hebben gezien om meldingen te maken van uw gedrag in het kader van het agressie- en intimidatieprotocol. Uw gedrag is als dwingend en agressief ervaren. Ik verwijs hierbij naar onder andere de gebeurtenissen van 21 en 25 mei.
Procesverloop
3.2.1.
In deze procedure vorderde [appellant] bij vonnis, voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat de oplegging van de communicatie maatregelen zoals omschreven in de brief van 4 oktober 2021 onrechtmatig is jegens hem, althans dat deze maatregel ten onrechte is opgelegd en geen stand kan houden dan wel vernietigd dient te worden;
2. te verklaren voor recht dat handhaving van de onder 1 van dit petitum opgelegde maatregelen onrechtmatig is/was jegens hem;
3. te verklaren voor recht dat de gemeente de “begeleidingsgroep” zoals omschreven in de brief van 4 oktober 2021 dient te hervatten, althans dat de gemeente een “begeleidingsgroep” dient in te stellen, waarin in ieder geval [persoon D] en de heer [persoon E] dienen plaats te nemen;
4. met onmiddellijke opheffing van de opgelegde maatregelen zoals verwoord in de brief van 4 oktober 2021;
5. met veroordeling van de gemeente tot rectificatie van de in de brief van 4 oktober 2021 aan [appellant] opgelegde maatregel zoals verzocht in alinea 25 dan wel een door de rechtbank nader te bepalen passende wijze;
6. de gemeente te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan [appellant] van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, dat de gemeente in gebreke blijft om na betekening van het vonnis aan die veroordeling geheel en al te voldoen;
7. met veroordeling van de gemeente in de kosten van de onderhavige procedure.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De brief van 4 oktober 2021 is wat betreft de wijze van totstandkoming en de inhoud in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De in de brief van 4 oktober 2021 vermelde feiten zijn niet (alle) juist en ze bieden geen grond voor de opgelegde maatregelen. De gemeente handelt onrechtmatig jegens [appellant] door het bij de brief van 4 oktober 2021 nemen van de aldaar genoemde maatregelen en, wat betreft het stopzetten van de geleidingsgroep, het handhaven van die maatregel na 1 april 2022.
3.2.3.
De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het bestreden vonnis van 6 september 2023 heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen.
“4.1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de door de
Gemeente getroffen maatregelen die zijn genoemd in de brief van 4 oktober 2021 (hierna
ook: de maatregelen) waar het in deze zaak om gaat inmiddels zijn opgeheven. De vordering
tot onmiddellijke opheffing van de maatregelen (zie 3.1 onder D) zal daarom worden
afgewezen.
4.2.
Wat overblijft zijn dan de gevorderde verklaringen voor recht, de rectificatie en de
dwangsommen. Omdat de in de brief van 4 oktober 2021 opgelegde maatregelen inmiddels
niet meer van kracht zijn en omdat [appellant] ter zitting heeft gezegd geen schade te
hebben geleden door deze maatregelen, heeft de rechtbank tijdens de zitting aan partijen
gevraagd welk belang zij hebben bij een uitspraak. Beide partijen hebben hierop geantwoord
dat zij graag willen dat de rechtbank een oordeel geeft over de vraag of de maatregelen
destijds onrechtmatig zijn geweest.
(…)
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat de gebeurtenissen waarnaar in de brief van 4
oktober 2021 verwezen wordt, in samenhang met eerdere voorvallen, een gegronde reden
waren voor de Gemeente om aan [appellant] beperkingen op te leggen in de wijze waarop
hij met de Gemeente in contact kon treden. Hierbij zijn de beginselen van proportionaliteit
en subsidiariteit in acht genomen.
4.10.
De Gemeente handelde door het nemen en het (aanvankelijk) handhaven van de
maatregelen dus niet onrechtmatig tegenover [appellant] . Dit betekent dat alle vorderingen van [appellant] worden afgewezen. Zij zijn immers gebaseerd op de stelling dat de Gemeente wél onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. (…)”
De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de gemeente.
Procesverloop
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
3.4.
De gemeente heeft geconcludeerd [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het in hoger beroep gevorderde af te wijzen, alsmede het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
3.5.
Het hof overweegt naar aanleiding van het standpunt van de gemeente dat de memorie van [appellant] geen kenbare grieven bevat het volgende. Het hof constateert dat de memorie van grieven een aantal punten aan de orde stelt die zijn genummerd A tot en met F. Uit de uitwerking van die punten blijkt dat [appellant] een heroverweging van het hof vraagt op grond van zijn stellingen en standpunten in de memorie van grieven. Deze stellingen en standpunten zijn voor het hof voldoende kenbaar. Uit de memorie van antwoord waarin de gemeente gemotiveerd op de onderdelen A tot en met F ingaat blijkt dat dit ook voor de gemeente geldt. Het standpunt van de gemeente wordt verworpen.
3.6.
Het hof constateert dat de gemeente ook het standpunt heeft ingenomen dat [appellant] geen belang heeft bij het hoger beroep. Daartoe heeft de gemeente aangevoerd dat op grond van een gerechtelijke erkentenis van [appellant] in eerste aanleg vaststaat dat de in de brief van 4 oktober 2021 genoemde maatregelen inmiddels zijn opgeheven en dat [appellant] door die maatregelen geen schade heeft geleden. De gemeente heeft in randnummer 10.3. van haar memorie van antwoord aangevoerd dat van de erkentenis duidelijk blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank en uit het vonnis.
3.7.
Het hof constateert dat de rechtbank in 4.1. van het vonnis van 6 september 2023 heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de getroffen maatregelen inmiddels zijn opgeheven. De rechtbank heeft niet overwogen dat deze beslissing is gebaseerd op een gerechtelijke erkentenis van [appellant] . De gemeente heeft niet toegelicht welke onderdelen van het proces-verbaal volgens haar zijn te duiden als een gerechtelijke erkentenis van enige stelling van de gemeente. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt geen akte van enige gerechtelijke erkentenis van [appellant] . Voor het aanmerken van een verklaring van een partij als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv is vereist dat de verklaring over enige stelling van de wederpartij uitdrukkelijk en, mede met het oog op de slechts zeer beperkte gronden waarop de erkenning volgens het tweede lid van dat artikel kan worden herroepen, ondubbelzinnig betrekking heeft op de waarheid van de betrokken stelling. Een dergelijke ondubbelzinnige verklaring ziet het hof in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet terug. Een algemene instemmende reactie op een vraag van de rechter is niet als zodanig aan te merken. Dit brengt mee dat het hof het standpunt van de gemeente niet deelt, zodat het standpunt wordt verworpen.
3.8.
Aan de orde zijn nu de grieven van [appellant] tegen de bij brief van 4 oktober 2021 opgelegde maatregelen. De kern van die grieven is de volgende. De gemeente heeft na de incidenten van mei 2021 de begeleidingsgroep niet meer bijeengeroepen en er was sprake van een communicatieluwte. [appellant] mocht erop vertrouwen dat de gemeente hiermee de incidenten van mei 2021 als afgehandeld beschouwde. De melding over het incident van september 2021 is onjuist. Niet [appellant] partner, maar [appellant] zelf had contact met de gemeente. Daarbij was geen sprake van dwingend en verbaal agressief gedrag richting medewerkers van de gemeente. De maatregelen in de brief van 4 oktober 2021 zijn aldus gebaseerd op één incident dat zich echter niet heeft voorgedaan. Er was geen grond voor de maatregelen. De maatregelen zijn bovendien contraproductief en te zwaar, in het bijzonder het stopzetten van de begeleidingsgroep. Een zorgvuldige belangenafweging heeft niet plaatsgehad. De maatregelen zijn zonder voorafgaande waarschuwing gegeven. Aldus, samengevat, het standpunt van [appellant] in hoger beroep.
3.9.
Het hof overweegt allereerst het volgende. Het hof constateert dat [appellant] de gemeente in de memorie van grieven veel verwijten maakt over het volgens hem trage en ondeugdelijke besluitvormingsproces naar aanleiding van meldingen of aanvragen ten aanzien van voorzieningen in het kader van de Wmo, over de ondeugdelijkheid van genomen besluiten op grond van de Wmo en over de als gevolg hiervan door [appellant] ondervonden schade. Het hof overweegt dat voor al deze verwijten geldt dat deze betrekking hebben op de uitvoering van de Wmo naar aanleiding van een melding of een aanvraag van [appellant] . Voor de (eventuele) beoordeling van deze verwijten is [appellant] aangewezen op de met voldoende waarborgen omklede procedure bij de bestuursrechter. Het hof is niet bevoegd hierover een oordeel te geven.
3.10.
Het hof is wel bevoegd te beoordelen of de gemeente met het treffen van de in de brief van 4 oktober 2021 genoemde communicatiebeperkende maatregelen een onrechtmatige daad ten opzichte van [appellant] heeft begaan. Daarbij kan worden betrokken hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn belang bij een goede uitvoering van de Wmo naar aanleiding van een melding of aanvraag van zijn kant of anderszins.
3.11.
Het hof constateert dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank in 4.6. van het bestreden vonnis, inhoudende dat [appellant] niet heeft gesteld dat sprake is van een inbreuk op een recht van [appellant] of dat sprake is van handelen in strijd met een wettelijke plicht, zodat ter beoordeling voorligt of sprake is van schending van een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Dit brengt mee dat ook het hof dient te beoordelen of de gemeente met de brief van 4 oktober 2021 heeft gehandeld in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Het antwoord op de vraag of de gemeente met het treffen van de in die brief genoemde maatregelen een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm ten opzichte van [appellant] heeft geschonden vergt een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. De beoordeling door het hof zal plaatsvinden op grond van hetgeen [appellant] in zijn memorie van grieven in hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank op dit punt heeft aangevoerd, waarbij ook de standpunten van de gemeente worden betrokken. Het hof overweegt als volgt.
3.12.
Anders dan [appellant] heeft aangevoerd zijn de brief van 4 oktober 2021 en de daarin vermelde maatregelen niet zonder enige voorafgaande aanmerkingen van de gemeente over de wijze van communicatie van [appellant] opgesteld. Uit het e-mailbericht van 2 juni 2021 van [persoon E] (productie 14 van de gemeente) blijkt dat [persoon E] met de advocaat van [appellant] heeft gesproken waarbij aan [persoon E] is meegedeeld dat die advocaat de communicatie van de kant van [appellant] met hem heeft besproken. Uit dat e-mailbericht blijkt ook dat de advocaat het prettig vond dat de gemeente geen communicatiemaatregel heeft getroffen naar aanleiding van de ‘recente gebeurtenissen’. Ook de wijziging in de wijze van communicatie na mei 2021 is niet eenzijdig door de gemeente opgelegd. Uit het e-mailbericht van de advocaat van [appellant] van 27 mei 2021 (productie 14 van de gemeente) blijkt dat deze advocaat een communicatie-time-out van de kant van [appellant] heeft geregeld. Uit deze correspondentie blijkt niet dat de gemeente met de communicatie-time-out de eerdere incidenten uit april of mei 2021 als afgedaan beschouwde.
Feiten
U kan het niet altijd met onze beslissingen eens zijn, dat mag nooit een rechtvaardiging zijn voor de wijze waarop u geregeld medewerkers van de gemeente tegemoet treedt. Ten overvloede, maar voor alle duidelijkheid, wijs ik u er hierbij alsnog nadrukkelijk op dat de gemeente Helmond dit gedrag niet tolereert.
U heeft tot en met mei 2021 contact kunnen leggen met onze ambtenaren en ze telefonisch op hun persoonlijke nummers en mailadressen kunnen bereiken Dit heeft vaker geleid tot hierboven genoemde situaties. Omwille van het proces, en de vorderingen die daar in plaatsvonden, vonden wij het op dat moment niet passend en geboden om het gestarte proces te stoppen. Naar aanleiding daarvan is als minder vergaande maatregel besloten om het contact voortaan zoveel mogelijk via uw advocaat te laten lopen. Dat leek het proces ook ten goede te komen. Zowel waar het betreft de beschikking voor de auto, alsmede waar het betreft de tijdelijke voorziening leek voortgang te worden geboekt. Desondanks heeft op 16 september jl. toch weer een incident plaatsgevonden waarbij uw partner dwingend en verbaal agressief gedrag richting onze medewerkers heeft vertoond.
Proces zal gestopt worden
De inzet van het gestarte proces was de normalisering van de verstandhouding en het beperken van de juridische procedures. Beide doelen zijn tot dusver niet behaald. Door de hiervoor bedoelde gebeurtenissen is bij ons het vertrouwen in een succesvolle uitkomst komen te ontbreken. Wij laten u daarom weten dat wij dit proces niet meer voortzetten.
Wat betekent dit voor u?
Gezien de situatie rondom de omgangsvormen zijn wij genoodzaakt terug te gaan naar de situatie van voor ons gestarte proces. Dit betekent dat correspondentie over aangelegenheden die de relatie tussen u en de gemeente raken, in het vervolg uitsluitend via
burger@helmond.nl
verlopen. Deze maatregel geldt ook voor uw partner. Er worden niet langer mondelinge afspraken met u of met uw partner gemaakt. Brieven en e-mails buiten de postbus om zullen onbeantwoord blijven. Datzelfde geldt voor brieven die een herhaling van
zetten inhouden, en voor brieven met een grievende inhoud. Deze maatregel geldt vooralsnog tot 1 april 2022.
Uw advocate kan haar correspondentie via de officiële lijnen bij het college van burgemeester en wethouders indienen. Ik spreek dan over correspondentie met een formele status zoals een aanvraag of bezwaarschrift e.d. Die correspondentie verloopt buiten de postbus burger om. Uw advocate zal ik een afschrift van deze brief toesturen, zodat zij ook op de hoogte is van de door ons opnieuw ingevoerde werkwijze. (…)”
3.1.8.
Op 6 oktober 2021 heeft [appellant] een brief gestuurd aan het huisadres van
wethouder [persoon B] . In die brief beklaagt hij zich over de gang van zaken. Bij brief van 14 oktober 2021 is [appellant] de gelegenheid gegeven een afspraak te maken met wethouder [persoon B] , uitsluitend om een toelichting te verkrijgen over de door de gemeente bij brief van 4 oktober 2021 getroffen maatregelen.
3.1.9.
Daarna hebben partijen nog enkele keren contact gehad over de door de gemeente
opgelegde maatregelen.
3.1.10.
Bij e-mailbericht van 28 januari 2022 heeft de gemeente aan de advocaat van [appellant] het volgende meegedeeld.
“In vervolg op het gesprek dat wethouder [persoon B] en de heer [persoon C] met u hebben gevoerd op maandag 17 januari kan ik mededelen dat wij akkoord gaan met uw voorstel om een begeleidingsgroep samen te stellen. Deze begeleidingsgroep heeft tot doel aanvragen en verzoeken van de familie [appellant] beter te stroomlijnen. Namens de gemeente nemen in de begeleidingsgroep zitting een vertegenwoordiger van de vakafdeling die Wmo aanvragen
behandelt en ikzelf als coördinator. U vertegenwoordigt in de begeleidingsgroep de familie [appellant] . [appellant] maakt geen deel uit van de begeleidingsgroep. De naam van de medewerker van de vakafdeling geef ik u nog door.
Ik stel voor dat de begeleidingsgroep op afroep bij elkaar komt, dus als daarvoor aanleiding bestaat. Beide partijen kunnen het initiatief nemen voor een bijeenkomst.
Wij zijn bereid de kosten te betalen die u besteedt aan deelname aan de begeleidingsgroep. Het betreft dus enkel en alleen de uren van bijeenkomsten. Verder gaan wij niet. Wij nemen hierbij in aanmerking dat een verdere vergoeding op gespannen voet zou kunnen staan met de beroepscode voor advocaten. Verder wensen wij de familie geen voorkeurspositie te geven ten opzichte van andere zorgcliënten.
De begeleidingsgroep komt in de plaats van de postbus Burger. Die e-mail voorziening blijft voorlopig in stand, alleen leidt die een sluimerend bestaan doordat alle communicatie via de begeleidingsgroep gaat verlopen. E-mail wisselingen verlopen via mijn en uw e-mail adres. Wij stellen voor dat we de werking van de begeleidingsgroep na enkele maanden zullen evalueren. Net zoals dat we dat ook zouden doen voor de postbus Burger.
Laten we de komende weken besteden aan het nader invulling geven van de exacte werkwijze van de begeleidingsgroep.”
3.1.11.
[appellant] heeft het voorstel tot het vormen van een nieuwe begeleidingsgroep van de hand gewezen vanwege bezwaren tegen de samenstelling ervan.
3.1.12.
Op 2 februari 2022 heeft een medewerker van de gemeente naar aanleiding van contact met [appellant] op 1 februari 2022 een agressiemelding gedaan. Hierin staat
onder meer:
“(…)
Welke werkzaamheden werden door betrokkene(n) uitgevoerd en wat is er gebeurd?
- Meneer [appellant] is onaangekondigd c.q. onuitgenodigd toegang verkregen aan de
balie van Zorg & Ondersteuning aan de Zandstraat . Na verzoek het pand te verlaten heeft
meneer laten weten niet weg te zullen gaan. Ook met inzet van de beveiligers bleef meneer
volharden. Vervolgens is de politie ingeschakeld. Ook op het verzoek van de 2 agenten is
meneer [appellant] niet vertrokken. Vervolgens heb ik als verantwoordelijk manager de [appellant]
gesommeerd (tot 2x toe) in het bijzijn van de politie en beveiliging het pand te verlaten.
Meneer [appellant] gaf aan het niet eens te zijn met diverse dossiers waar hij in verwikkeld is en gaf
aan mij “een klootzak” te vinden.
(...)”
3.1.13.
Bij e-mailbericht van 18 februari 2022 heeft de gemeente aan [appellant] het volgende meegedeeld.
“Op 1 februari jongstleden heeft u zich onbehoorlijk gedragen tegenover een medewerker van de gemeente Helmond. U dient zich te houden aan de huisregels en zich derhalve fatsoenlijk te gedragen en geen dreigementen te uiten.
Gezien uw gedrag ontzeggen wij u de toegang tot de openbare gebouwen van de gemeente Helmond tot 11 mei 2022.
Procesverloop
[appellant] heeft in zijn processtukken geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gemeente die incidenten nooit meer aan hem zou tegenwerpen.
3.13.
[appellant] heeft de inhoud van de incidenten van mei 2021, zoals hierboven beschreven in de feiten, in hoger beroep niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. [appellant] heeft wel betwist dat zijn partner zich in september 2021 onbetamelijk tegenover een medewerker van de gemeente heeft gedragen. [appellant] stelt dat hij het was die contact met de gemeente had naar aanleiding van het uitblijven van bijeenkomsten van de begeleidingsgroep, zonder dat daarbij sprake was van onbetamelijk gedrag. Het hof overweegt dat de gemeente in eerste aanleg naast productie 16 van de gemeente met de melding van een medewerker van de gemeente van 3 mei 2022, waar [appellant] in hoger beroep op wijst, ook als productie 17 een e-mailbericht van 29 september 2021 aan [persoon E] heeft overgelegd en daarop heeft gewezen. In dat e-mailbericht van enige dagen na het incident wordt al over het gedrag van de partner van [appellant] gesproken. Gelet hierop is de betwisting van [appellant] , (slechts) inhoudende dat zijn partner in september 2021 geen contact met de gemeente heeft opgenomen, onvoldoende gemotiveerd. Het had in dit stadium van de procedure en gelet op hetgeen de gemeente heeft gesteld, op zijn weg gelegen om zijn betwisting deugdelijk te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de partner van [appellant] op onbetamelijke wijze contact met de gemeente heeft opgenomen over een aan [appellant] toegekende voorziening.
3.14.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de in de brief van 4 oktober 2021 genoemde incidenten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Deze incidenten zijn te duiden als onbetamelijk gedrag van de zijde van [appellant] omdat de uitlatingen de grens van wat medewerkers van de gemeente redelijkerwijs hebben te accepteren overschrijden. Frustratie van [appellant] over de handelwijze van de gemeente kan een incidentele uitbarsting mogelijk nog acceptabel doen zijn, maar het meermalen en over een langere periode vertonen van grensoverschrijdend gedrag niet. De gemeente hoeft meermaals onbetamelijk gedrag ten opzichte van haar medewerkers niet te dulden. Omdat dit gedrag medewerkers van de gemeente raakt, is de gemeente uit hoofde van goed werkgeverschap gehouden te bezien op welke wijze zij haar medewerkers voor voortdurend onbetamelijk gedrag van [appellant] kan behoeden. De gemeente heeft er in oktober 2021 voor gekozen communicatiebeperkende maatregelen te treffen. De in de brief van 4 oktober 2021 genoemde gedragingen van de zijde van [appellant] bieden voldoende grond voor het treffen van enige maatregelen op het punt van de communicatie. Uit hetgeen het hof hierboven in 3.12. heeft overwogen volgt dat de gemeente het treffen van maatregelen en de gronden daarvoor niet eerst met [appellant] had dienen te bespreken; zowel de aanmerkingen op zijn gedrag als de mogelijkheid van maatregelen waren [appellant] in juni 2021 al bekend. De gemeente heeft in zoverre niet onzorgvuldig gehandeld.
3.15.
Anders dan [appellant] heeft aangevoerd is het op 24 september 2021 door de gemeente ontvangen Cefa-rapport niet van belang voor de beoordeling in deze zaak. Daartoe is het volgende redengevend. Uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde producties 28 en 29 blijkt dat op uitnodiging van de gemeente het rapport op 11 november 2021, na de brief van 4 oktober 2021, met [appellant] en zijn advocaat is besproken en dat [appellant] dat gesprek heeft opgenomen. Gelet op de weergave van een deel van die opname is [appellant] op de hoogte van de bevindingen van Cefa naar aanleiding van de melding van [appellant] . Zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt maar die hij gelet op zijn wetenschap en die van zijn advocaat wel had kunnen geven, heeft het hof geen aanknopingspunten die het oordeel rechtvaardigen dat er enig verband is tussen het Cefa-rapport en de brief van 4 oktober 2021. Voor zover [appellant] aanvoert dat ook foutief handelen van de gemeente moet worden meegewogen bij de beoordeling van de getroffen maatregelen gaat het hof daar later op in.
3.17.
De Wmo noch enige andere wet schrijft de gemeente voor op welke wijze zij het contact met burgers ter uitvoering van de Wmo dient vorm te geven. De gemeente is dan ook in beginsel vrij regels te stellen over de wijze waarop een burger met haar kan communiceren, in dit geval over aangelegenheden betreffende de Wmo, mits de effectieve toegang tot de (door de) overheid (verstrekte voorzieningen) maar voldoende geborgd blijft. In het geval van [appellant] maakt de gemeente onderscheid tussen de communicatiemogelijkheden van [appellant] en die van andere burgers in haar gemeente. Het hof is van oordeel dat de gemeente met het treffen van de communicatiebeperkende maatregelen ten opzichte van [appellant] niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, noch met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld. Daartoe is het volgende redengevend.
3.18.
[appellant] heeft gelet op zijn gezondheidssituatie belang bij het kunnen geldend maken van zijn rechten op grond van de Wmo. In dat belang wordt [appellant] met de getroffen maatregelen niet geschaad. [appellant] kan met de gemeente schriftelijk communiceren en ook zijn advocaat kan ter behartiging van de belangen van [appellant] met de gemeente communiceren. Voor zover in het kader van meldingen, aanvragen of de uitvoering van besluiten op grond van de Wmo contacten tussen [appellant] en derden nodig is, worden die niet geraakt door de maatregelen van de gemeente. Gelet hierop is met de belangen van [appellant] in voldoende mate rekening gehouden en zijn de maatregelen niet disproportioneel en hoefde de gemeente geen alternatieve maatregelen in overweging te nemen. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd brengt de omstandigheid dat door de gemeente in het verleden ook fouten zijn gemaakt - wat de gemeente ook op onderdelen onderkent - niet mee dat de gemeente het treffen van maatregelen naar aanleiding van de gedragingen van [appellant] achterwege had moeten laten of andere maatregelen had moeten treffen. Die fouten doen namelijk niet af aan de aard en ernst van de gedragingen van [appellant] . Het hof betrekt bij dit oordeel dat de duur van de maatregelen in tijd beperkt is.
3.19.
Het hof overweegt nog het volgende. [appellant] voert aan dat hij met name het voortbestaan van de begeleidingsgroep belangrijk vindt. Het hof stelt voorop dat er voor de gemeente geen wettelijke of uit niet in de wet opgenomen algemene beginselen van behoorlijk bestuur voortvloeiende verplichting bestond om een begeleidingsgroep in te stellen. Vanwege de verstoorde verhoudingen en ter verbetering van de communicatie heeft de gemeente daartoe besloten om redenen van zorgvuldigheid, naar het hof aanneemt zowel ten opzichte van haar medewerkers als ten opzichte van [appellant] . Dat het stopzetten van deze groep vanwege de gebeurtenissen begrijpelijk en niet onrechtmatig is, is hiervoor al overwogen. Het hof constateert voorts dat de gemeente, op verzoek van de advocaat van [appellant] , al begin 2022, dus kort na het ingaan van de maatregelen en nog gedurende de looptijd van de bij brief van 4 oktober 2021 getroffen maatregelen, het opnieuw samenstellen van een begeleidingsgroep heeft voorgesteld. De advocaat van [appellant] kon van die groep deel uitmaken en haar kosten zouden worden vergoed. Het externe lid [persoon E] zou niet meer deelnemen en diens plaats zou worden ingenomen door een medewerker van de gemeente. [appellant] heeft het voorstel van de gemeente afgewezen omdat hij [persoon E] als lid wilde. Het hof constateert aldus dat de gemeente [appellant] tegemoet wilde komen en één maatregel al voor het einde van de duur ervan wilde beëindigen.