Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:1461
Strafrecht
Hoger beroep
3,282 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000043-24
Uitspraak : 18 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-121308-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de verdachte in hoger beroep zal veroordelen ter zake van het tenlastegelegde tot een geldboete van € 800,- en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 1 jaar.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair dat het hof, bij een bewezenverklaring, toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 maart 2021 te Veghel, gemeente Meierijstad, een voertuig, te weten een bedrijfsauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,9 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde rijden onder invloed van cannabis, met een waarde van 9,9 microgram THC per liter bloed, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal – in de kern weergegeven – aangevoerd dat uit het procesdossier blijkt dat de verdachte onder invloed van drugs heeft gereden. Het feit dat de verdachte de brief omtrent de uitslag van het bloedonderzoek en de mogelijkheid tot tegenonderzoek zonder Poolse vertaling heeft ontvangen, brengt niet met zich mee dat vrijspraak moet volgen. De vertaling van deze brief in een voor de verdachte begrijpelijke taal is geen strikte waarborg maar een extra service van het Openbaar Ministerie. Aan de verdachte is op twee momenten mondeling medegedeeld dat hij het recht had op tegenonderzoek en uit de omstandigheden is niet af te leiden dat de verdachte gebruik heeft willen maken van zijn recht op tegenonderzoek.
Door de verdediging is bepleit dat het bestreden vonnis wordt bevestigd en de verdachte derhalve opnieuw van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat in deze zaak niet is voldaan aan een aantal strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is omringd. Zowel de vertaling van de brief met de uitslag van het bloedonderzoek als het recht op tegenonderzoek moeten gezien worden als strikte waarborgen. Nu niet is gebleken dat een vertaling van die brief aan de verdachte is verzonden en onbetwist is dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, is niet voldaan aan deze strikte waarborgen, zodat geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet en vrijspraak dient te volgen.
Het hof overweegt als volgt.
Van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). Op grond van artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna ‘Besluit’) dient de opsporingsambtenaar binnen een week na ontvangst van de uitslag van het bloedonderzoek de verdachte schriftelijk in kennis te stellen van de uitslag en van het recht op tegenonderzoek onder vermelding van het sporenindentificatienummer. Het voorschrift van artikel 17 Besluit dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek, betreft een strikte waarborg (vgl. HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793). Op grond van artikel 19 lid 3 Besluit wordt het tegenonderzoek bovendien niet verricht dan nadat de verdachte het laboratorium dat het tegenonderzoek verricht het daarvoor verschuldigde bedrag heeft betaald en dient de verdachte de kosten van dit tegenonderzoek op grond van artikel 19 lid 4 Besluit (zoals dat artikel gold ten tijde van het ten laste gelegde feit) binnen twee weken na de datum van de dagtekening van de kennisgeving van de uitslag van het bloedonderzoek te betalen op straffe van verval van het recht op tegenonderzoek. Deze laatste voorschriften dienen bij het vermelden van het recht op tegenonderzoek eveneens te worden vermeld (vgl. HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793). Het voorgaande betekent dat indien niet is gehandeld conform voornoemde voorschriften de resultaten van het bloedonderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Het hof overweegt tot slot dat met het oog op de verwezenlijking van het in art. 17 en 19 Besluit besloten liggende recht van de verdachte tot het verrichten van het daar bedoelde (tegen)onderzoek, art. 17 aldus moet worden uitgelegd dat het resultaat van het onderzoek, alsmede het recht op tegenonderzoek op een voor de verdachte begrijpelijke wijze wordt medegedeeld. Het hof weegt daarbij mee dat het om de naleving van een strikte waarborg gaat, waarvan de naleving in het belang is voor de juistheid en betrouwbaarheid van het onderzoek en het doel van de mededeling is dat de verdachte in staat wordt gesteld tijdig zijn verdediging tegen het resultaat van het bloedonderzoek kan voorbereiden. Dit betekent concreet dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst de mededelingen van artikel 17 Besluit dienen te worden gesteld in een voor de verdachte begrijpelijke taal of anderszins aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval moet kunnen worden vastgesteld dat de mededelingen op een voor de verdachte begrijpelijke wijze zijn gedaan (vgl. HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4412).
Uit het procesdossier volgt dat de verdachte de Poolse nationaliteit heeft en in Polen is geboren.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. dr. M.M. Koevoets en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 18 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.C. Bosch voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Verdachte is op 28 maart 2021 te Veghel staande gehouden waarna een speekseltest werd afgenomen en hem vervolgens werd verzocht medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, welke toestemming de verdachte volgens het betreffende proces-verbaal ‘Rijden onder invloed’ verleende. Bij het afnemen van het bloed en bij het verhoor van de verdachte bij de politie op 28 maart 2021 is hij mondeling gewezen op het recht op tegenonderzoek. Bij het afnemen van het bloed vond deze mededeling plaats in de Nederlandse taal en tijdens het verhoor bij de politie werd deze mededeling gedaan met behulp van een Poolse tolk. In het proces-verbaal ‘Rijden onder invloed’ staat vermeld dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst. In het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte bij de politie staat:
‘Anderstalige verdachte
De verdachte achtte zichzelf niet in staat om in de Nederlandse taal te communiceren.
Zijn taalkeuze was Pools. Ik communiceerde met hem in die taal, met telefonische
bijstand van de in het Rbtv ingeschreven beëdigde tolk, [tolk]
Informeren verdachte
Ik verstrekte aan de verdachte de brochure 'Mededeling van rechten verdachte voor
volwassenen'. De brochure was gesteld in de taalkeuze van de verdachte.’
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerste om in het Nederlands te kunnen communiceren. Gelet daarop dient het er zonder andersluidende informatie dan ook voor te worden gehouden dat de verdachte eveneens de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om in de Nederlandse taal gestelde documenten te kunnen begrijpen. De enkele opmerking in het proces-verbaal ‘Rijden onder invloed’ dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende zou beheersen, doet hier niet aan af, nu deze mededeling verder niet is gemotiveerd of toegelicht en het hof daarom rekening houdt met de mogelijkheid dat deze mededeling abusievelijk als standaardmededeling in het proces-verbaal kan zijn opgenomen.
Op 16 april 2021 is door de politie aan de verdachte een brief gestuurd, waarin de uitslag van het bloedonderzoek (onder vermelding van het sporenidentificatienummer), het recht op tegenonderzoek, alsmede de aanzegging dat indien niet binnen 2 weken na dagtekening van deze brief de onderzoekskosten voor dit tegenonderzoek zijn voldaan, het recht op het onderzoek vervalt. Voor nadere informatie over het tegenonderzoek wordt in de brief verwezen naar een internetsite met daar de (het hof begrijpt: Nederlandstalige) ‘brochure-niet-eens-met-uitslag-ademanalyse-of-bloedonderzoek’. Hoewel in deze brief wordt vermeld dat een vertaling van de brief zo spoedig mogelijk zal volgen, is geen vertaling van deze brief in het dossier aangetroffen, zodat het hof het ervoor houdt dat deze vertaling niet naar de verdachte is verzonden.
Het hof stelt derhalve vast dat de verdachte weliswaar schriftelijk op de hoogte is gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek onder vermelding van de andere mededelingen die daarbij aan de verdachte dienen te worden gedaan, maar dat deze brief enkel in de Nederlands taal is gesteld. De verdachte is weliswaar tijdens het politieverhoor met behulp van een tolk in de Poolse taal het recht op tegenonderzoek medegedeeld, maar dit betrof slechts een mondelinge mededeling op het moment dat de uitslag van het bloedonderzoek bij de verdachte nog niet bekend was. Deze mondelinge mededeling betrof bovendien slechts de mogelijkheid van tegenonderzoek maar niet de mededeling van de overige informatie die aan de verdachte op grond van het Besluit diende te worden gegeven.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat de schriftelijke mededelingen van artikel 17 Besluit op een voor de verdachte begrijpelijke wijze zijn gedaan. Nu ook anderszins aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval niet kan worden vastgesteld dat de mededelingen op een voor de verdachte begrijpelijke wijze zijn gedaan, dient dit ertoe te leiden dat de resultaten van het bloedonderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard.
Het hof zal de verdachte vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde.
Het hof ziet gelet hierop, geen aanleiding om nader in te gaan op de overige verweren van de verdediging.