Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1446
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,855 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.351.376/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/337521/ JE RK 24-2084
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonenden te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. J.G. van Ek,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .
Als belanghebbende is aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In het kort: deze zaak gaat over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift van 14 februari 2025, met producties, ingekomen bij het hof op
19 februari 2025, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de inleidende verzoeken van de raad zullen worden afgewezen, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie vermeent te behoren.
2.1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben de ouders hun verzoek in hoger beroep verduidelijkt, in die zin dat het verzoek enkel is gericht tegen de machtiging tot uithuisplaatsing.
2.2.
De raad heeft op 17 april 2025 een verweerschrift ingediend en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
- het V6-formulier van 14 april 2025, met bijlage, van de advocaat van de ouders.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
Beoordeling
3.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de destijds ongeboren [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 januari 2025 tot 27 januari 2026. Daarnaast heeft de rechtbank met ingang van de datum van de geboorte van de op dat moment nog ongeboren [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een netwerkpleeggezin, voor de duur van zes maanden.
De machtiging tot uithuisplaatsing loopt aldus tot [datum] 2025.
3.4.
De ouders kunnen zich met de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De ouders voeren, samengevat, het volgende aan. De ouders worden afgerekend op het verleden terwijl de zwangerschap van [minderjarige] goed is verlopen, de urinecontroles van de moeder negatief waren en de ouders bereid zijn om de nodige hulp te accepteren. De ouders betwisten de door de raad genoemde zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders en de fysieke veiligheid van [minderjarige] . Ook bij een verblijf van [minderjarige] bij de ouders kan met de benodigde hulpverlening gewerkt worden aan de opvoedcapaciteiten en kan een gezinsopname geregeld worden. Er is echter geen concreet aanbod gedaan en het is voor de ouders ook niet duidelijk hoe een gezinsopname gecombineerd kan worden met het werk van de vader.
3.6.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. De raad heeft, ook gelet op het belaste verleden ten aanzien van de andere kinderen van de moeder/deze ouders, zowel forse zorgen over de fysieke veiligheid van [minderjarige] als ook over de emotionele beschikbaarheid van de ouders (sensitiviteit en responsiviteit). Hoewel de ouders aangeven mee te willen werken aan de hulpverlening, wordt in de praktijk gezien dat de hulpverlening niet van de grond komt.
3.7.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. De GI heeft de mogelijkheden van een gezinsopname meerdere keren met de ouders besproken, maar telkens voeren de ouders redenen aan waarom dit voor hen niet kan (afstand, werk of huisdieren). Een gezinsopname is nodig om gedurende een langere periode te kunnen volgen hoe de ouders zich ontwikkelen in hun opvoedcapaciteiten en of een plaatsing van [minderjarige] bij de ouders tot de mogelijkheden behoort. De kortere begeleide bezoekmomenten geven hier tot nu toe onvoldoende inzicht in. Wel wordt tijdens die momenten gezien dat de ouders veel herhaling nodig hebben en moeite hebben om zich te kunnen inleven in de belevingswereld van [minderjarige] . Daarnaast is het noodzakelijk dat de moeder hulp krijgt bij het verwerken van haar eigen belaste verleden en de vader bij zijn emotieregulatie. Er zal op korte termijn een real-care pop ingezet worden om te onderzoeken hoe de ouders met een baby omgaan en deze verzorgen.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Het hoger beroep van de ouders is gericht tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek of op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.8.3.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen over de periode vanaf de geboorte voor de duur van zes maanden, aldus over de periode van [geboortedatum] 2025 tot [datum] 2025, bekrachtigen. Het hof zal dit hieronder toelichten.
3.8.4.
Tijdens de zwangerschap van de moeder van [minderjarige] hebben de ernstige zorgen over de fysieke en sociaal- emotionele veiligheid van de op dat moment nog ongeboren [minderjarige] ertoe geleid dat de raad hier onderzoek naar heeft verricht. De zorgen kwamen voort uit een door de raad benoemd patroon waarin de ouders niet in staat zijn gebleken om de fysieke veiligheid van de kinderen te garanderen. De oudere dochter van de ouders ( [dochter] van 1 jaar) heeft op jonge leeftijd een been- en ribbreuk opgelopen en is met ingang van 16 juli 2024 uit huis geplaatst. Uit het raadsrapport blijkt dat de strafrechtelijke procedure tegen de ouders is geseponeerd, omdat niet exact vastgesteld kon worden wie de breuken heeft veroorzaakt. Wel staat vast dat het letsel door een persoon was toegebracht. De oudste zoon van de moeder ( [zoon] van 11 jaar, zijnde de halfbroer van [minderjarige] ) is enkele weken na zijn geboorte uit huis geplaatst in verband met kindermishandeling. Er is met beide kinderen sprake van een begeleide contactregeling.
Vanwege de zorgen uit het verleden in combinatie met de nieuwe zwangerschap zijn er tijdens de zwangerschap van [minderjarige] veiligheidsafspraken gemaakt met de ouders. Zo zijn de ouders aangemeld bij het Kwetsbare Zwangerenoverleg en hebben de ouders uitleg gekregen over een vellige zwangerschap door [instantie 1] en de betrokken medici. Daarnaast heeft de moeder tijdens de zwangerschap mee moeten werken aan urinecontroles. Uit het raadsrapport blijkt dat de uitslagen op drugsgebruik negatief waren. Ook is gebleken dat de ouders tijdens de zwangerschap van [minderjarige] hebben aangegeven geen hulpverlening nodig te hebben voor hun eigen problematiek en dat zij beperkt open stonden voor hulp gericht op de opvoeding, terwijl in het eerder door de raad uitgevoerde onderzoek van juni 2024 al door de raad aan de ouders is geadviseerd dat er volwassenhulp nodig is voor de ouders om hen te helpen met het ontwikkelen van een structuur en het in balans krijgen van de draagkracht/draaglast verhouding, naast ondersteuning van de moeder door een instantie die gespecialiseerd is in mensen met LVB-problematiek. Met de raad ziet het hof dat de ouders onvoldoende inzien waar de zorgen liggen en tegelijkertijd onvoldoende meewerken / opvolging geven aan de noodzakelijk geachte hulpverlening.
Uit de stukken blijkt voorts dat door de raad vanaf 17 december 2024, aldus nog tijdens de zwangerschap, met de ouders de noodzaak van een gezinsopname is besproken, maar dat daarna wisselende bereidheid bij de ouders is gezien in het al dan niet meewerken aan die gezinsopname. Het uitblijven van de daadwerkelijke toezegging én medewerking aan de gezinsopname en het aanpakken van de eigen problematiek maken dat de zorgen over de nog ongeboren [minderjarige] vanaf de geboorte groot waren. Dit betekent dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de geboorte noodzakelijk was in het belang van haar opvoeding en verzorging.
Na de geboorte van [minderjarige] heeft de verloskundigenpraktijk zorgen geuit over de responsiviteit van de ouders en volgens hen leek het erop dat de ouders alle verzorgende handelingen steeds opnieuw voor het eerst uitvoerden. Deze zorgen worden ook gezien tijdens de contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige] , die twee keer per week gedurende twee uur onder begeleiding van [instantie 2] plaatsvinden. Vanwege deze zorgen over de responsiviteit, emotionele nabijheid en de ontbrekende kennis op het gebied van basale zorg wordt er op korte termijn een real-care pop ingezet bij de ouders om meer zicht te krijgen op wat de ouders aan extra hulpverlening nodig hebben.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 27 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.M.J. Peters en M.E.M. Beijersbergen en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.