Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1445
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,605 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.343.374/01
zaaknummer rechtbank : C/03/325088 / FA RK 23-4615
beschikking van de meervoudige kamer van 22 mei 2025
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.R.J.W. Delsing te Kerkrade,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.P.F. Rober te Hoensbroek.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 3 juli 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.
2.2.
De man heeft op 30 augustus 2024 een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.3.
De vrouw heeft geen verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Op 27 maart 2025 heeft het hof de advocaat van de vrouw verzocht om de ontbrekende stukken uit het procesdossier eerste aanleg alsnog zo spoedig mogelijk over te leggen aan het hof. De advocaat van de vrouw heeft tot op heden aan deze oproep geen gehoor gegeven.
2.5.
Op 8 april 2025 heeft de man diverse producties overgelegd.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2025 plaatsgevonden. De man en zijn advocaat zijn verschenen. De vrouw en haar advocaat zijn, hoewel op de juiste wijze opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer het volgende staat vast.
3.2.
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft op 20 mei 2022 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 september 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 (hierna: [minderjarige] ).
3.4.
Bij beschikking van 18 oktober 2022 heeft de rechtbank met ingang van die datum aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige] opgelegd van € 79,- per maand. Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage per 1 januari 2024 € 86,87 per maand.
4De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep
4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 18 oktober 2022, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 mei 2023 bepaald op nihil. Voorts is bepaald dat de vrouw aan de man € 100,- per maand dient te betalen als kinderalimentatie voor [minderjarige] met ingang van 1 mei 2023, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4.2.
De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep zien op de draagkracht van de man en van de vrouw en op de ingangsdatum.De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht in de vaststelling van de kinderalimentatie, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.
4.3.
De grief van de man in incidenteel hoger beroep ziet op de hoogte van de bijdrage van de vrouw met ingang van 1 mei 2023. De man verzoekt te bepalen dat de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie wordt gewijzigd en dat wordt bepaald dat de vrouw dient bij te dragen met een bedrag van € 175,- per maand met ingang van 1 mei 2023 dan wel dat een beslissing wordt genomen die het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties en voorts af te wijzen hetgeen de vrouw bij het hof heeft verzocht.
Motivering
Verzoek tot aanhouding
5.1.1. Ter griffie is op 9 april 2025 een e-mailbericht van de advocaat van de vrouw ontvangen waarin hij kenbaar maakt dat er een tweeledig probleem is ontstaan nu er zowel abusievelijk geen (noodzakelijke) financiële informatie in de procedure is aangeleverd en de advocaat van de vrouw vanwege medische omstandigheden niet op de mondelinge behandeling de volgende dag kan verschijnen. De advocaat van de man hoopt op aanhouding van de zaak dan wel een schriftelijke afdoening.
5.1.2.
De advocaat van de man is op 9 april 2025 in de gelegenheid gesteld om te reageren op het e-mailbericht van de advocaat van de vrouw. In een bericht van diezelfde datum maakt de advocaat van de man kenbaar dat hij op geen enkele wijze akkoord gaat met het verzoek van de advocaat van de vrouw en wenst dat de mondelinge behandeling doorgang behoeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof, na te hebben geconstateerd dat noch de vrouw noch haar advocaat zijn verschenen, de advocaat van de man in de gelegenheid gesteld te reageren. De advocaat van de man heeft verklaard dat zijn secretariaat op 9 april 2025 heeft getracht om telefonisch in contact te komen met de advocaat van de vrouw maar dat dit niet is gelukt. De advocaat van de man stelt zich nog steeds op het standpunt dat de zaak inhoudelijk moet worden behandeld nu de gedragsregels uit de advocatuur voorschrijven dat wanneer een advocaat een eenmanszaak heeft, er geregeld moet zijn wie een advocaat vervangt bij omstandigheden zoals vakantie en ziekte. Het had op de weg van de advocaat van de vrouw gelegen om voor vervanging zorg te dragen hetgeen is nagelaten. Dit komt voor rekening en risico van de vrouw. Daarnaast heeft de wederpartij genoeg kansen gehad: de vrouw is in eerste aanleg ook niet verschenen, stelt vervolgens hoger beroep in maar levert het procesdossier niet volledig aan, er is geen verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend en uiteindelijk verschijnen de vrouw en haar advocaat ook niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep. De advocaat van de man vraagt namens de man uitdrukkelijk om een inhoudelijke behandeling en afgifte van een beschikking.
5.1.3.
Het hof overweegt als volgt. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking maar heeft verzuimd om, zoals op grond van artikel 1.2.5 Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken is vereist, bij indiening van het beroepschrift het procesdossier eerste aanleg volledig te overleggen. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, is dit verzuim tot op heden niet hersteld. Een toelichting hierop is uitgebleven. Evenmin heeft de vrouw een verweerschrift ingediend op het incidenteel hoger beroep van de man. Pas daags voor de mondelinge behandeling is het hiervoor genoemde bericht van de advocaat van de vrouw ontvangen. De enkele omstandigheid dat de advocaat van de vrouw heeft verzuimd financiële stukken in het geding te brengen is in beginsel geen reden voor aanhouding van de mondelinge behandeling. Dit klemt te meer nu ook geen nadere toelichting is gegeven waarom deze stukken niet bij het beroepschrift, zoals mag worden verwacht, zijn of konden worden overgelegd. Gelet op de mogelijke afwezigheid van de advocaat wegens gestelde medische omstandigheden heeft het hof de advocaat verzocht om zich te laten waarnemen, maar hierop is evenmin enige reactie gekomen noch bleek de advocaat van de vrouw telefonisch bereikbaar voor het hof. Vanwege voornoemde omstandigheden alsmede het gemotiveerde bezwaar van (de advocaat van) de man tegen een aanhouding heeft het hof aanleiding gezien om de zaak inhoudelijk te behandelen. Ook na de mondelinge behandeling is geen enkele reactie van de advocaat van de vrouw meer ontvangen. Gelet op al voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien ziet het hof ook thans geen reden alsnog een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten.
Principaal hoger beroep
5.2.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. De vrouw is tijdens de procedure bij de rechtbank niet verschenen. Daarom dient in hoger beroep de draagkracht van zowel de man als de vrouw te worden vastgesteld. De vrouw is alleen in het bezit van de jaaropgave van de man van 2022 en salarisspecificaties over de maanden augustus t/m oktober 2023. De vrouw wil inzage in de volledige inkomsten van de man, jaaropgave, IB 2023 en salarisspecificaties over de periode 2024 t/m de mondelinge behandeling in hoger beroep. Daarnaast moet worden beoordeeld of de man samenwoont. Pas na ontvangst van deze stukken kan een draagkrachtberekening worden gemaakt. De vrouw zal als spiegelbeeld hetzelfde doen en uit deze gegevens zal blijken dat als er al draagkracht is, deze voor haar eigen kinderen dient te worden aangewend. Voor zover de kinderalimentatie wordt gewijzigd in het nadeel van de vrouw dient er niet te worden bepaald dat de te veel ontvangen kinderalimentatie dient te worden terugbetaald nu de termijnen zijn verteerd en terugbetaling in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid.
5.3.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De vrouw heeft haar grief ten aanzien van de draagkracht onvoldoende gemotiveerd en toegelicht. Daar komt bij dat zij in haar beroepschrift geen financiële gegevens heeft gesteld noch heeft overgelegd. De man heeft daarentegen in zijn verweerschrift zijn jaaropgave 2023 overgelegd en salarisspecificaties t/m maart 2024. Het heeft er de schijn van dat de vrouw geen openheid van zaken wil geven. Van de vrouw had verwacht mogen worden dat zij deze stukken had ingediend. Nu deze gegevens ontbreken kunnen er geen berekeningen worden gemaakt van de behoefte en draagkracht van de vrouw en kan er geen draagkrachtvergelijking worden gemaakt.
Voor zover de vrouw een grief richt tegen de ingangsdatum is deze grief onbegrijpelijk en onvoldoende onderbouwd.
5.4.
Het hof overweegt als volgt.
5.4.1.
Als grieven worden aangemerkt, overeenkomstig de rechtspraak van de Hoge Raad, alle gronden die een appellant(e) aanvoert waarin wordt betoogd dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat de gronden behoorlijk naar voren zijn gebracht, zodat deze gronden voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn. Het beroepschrift van de vrouw bestaat uit twee grieven waarvan de ene grief (grief 1) zich - naar het lijkt - richt tegen de draagkracht van partijen en de andere grief (grief 2) tegen de ingangsdatum c.q. terugbetaling. De vrouw heeft echter nagelaten deze grieven in het beroepschrift zodanig (specifiek) te formuleren en toe te lichten dat het voor het hof en de wederpartij duidelijk is met welke rechtsoverwegingen van de rechtbank de vrouw het niet eens is, van welke uitgangspunten, anders dan de rechtbank, de vrouw wil uitgaan en tot welke consequenties dat voor de kinderalimentatie leidt. De vrouw heeft dit alles nagelaten waardoor in ieder geval grief 1 een onvoldoende kenbaar grief is. Daar komt bij dat zij heeft nagelaten het procesdossier eerste aanleg volledig over te leggen en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen. Evenmin heeft de vrouw, zoals aangekondigd in het beroepschrift, enige financiële onderbouwing overgelegd. Zelfs indien wordt aangenomen dat de vrouw kan worden ontvangen in haar grief, faalt deze grief op grond dat de vrouw geen enkel inzicht heeft gegeven in haar financiële en feitelijke situatie.
Voor wat betreft grief 2 heeft de vrouw evenmin onderbouwd wat haar financiële positie is en of er een feitelijke omstandigheid is waardoor terugbetaling van de vrouw niet kan worden gevergd zodat alleen al daaruit voortvloeit dat grief 2 eveneens faalt, nog daargelaten dat de rechtbank uitsluitend heeft geoordeeld over de ingangsdatum van de kinderalimentatie en niet over een eventuele terugbetalingsverplichting.
Dictum
Het hof:
In het principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 april 2024, voor zover het de bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft tot 30 augustus 2024;
vernietigt met ingang van 30 augustus 2024 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 april 2024 doch uitsluitend voor zover het de hoogte van de aan de man te betalen bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft;
en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw € 175,- per maand aan de man dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van 30 augustus 2024, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.D.M. van der Linden en G.M. Goes en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van mr. T. Kuijs, griffier.