Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1444
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
5,744 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.352.445/01
Zaaknummer eerste aanleg : [nummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 maart 2025.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ontvangen op 12 maart 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te beslissen de voordracht van de rechter-commissaris van 16 januari 2025 om aan [appellant] de schone lei te ontnemen ex artikel 358a lid 1 Fw, alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Van der Linden;
mevrouw [bewindvoerder 1] , de bewindvoerder tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [appellant] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 18 februari 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van [appellant] met producties 3 t/m 7, ontvangen op 27 maart 2025;
- de e-mails van de heer [de voormalig beschermingsbewindvoerder] (de voormalig beschermingsbewindvoerder van [appellant] ) van 31 maart 2025 en 14 april 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van [appellant] met producties 8 t/m 10, ontvangen op 1 april 2025;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 7 april 2025;
- de brief met reactie op het beroepschrift met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 9 april 2025.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 28 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van [bewindvoerder 2] tot bewindvoerder.
3.2.
Bij vonnis van 1 oktober 2024 heeft de rechtbank aan [appellant] de schone lei verleend als bedoeld in artikel 358 lid 1 Faillissementwet (Fw).
3.3.
[appellant] is op 16 december 2017 onder beschermingsbewind gesteld. Sinds 1 mei 2018 treedt [BV] BV mede handelend onder de naam [naam] als beschermingsbewindvoerder op. In de brief van de beschermingsbewindvoerder aan de rechter-commissaris van 4 november 2024 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“Onlangs is het WSNP-traject met schone lei beëindigd. Echter, nu eerst blijkt dat rechthebbende een soort van financieel dubbelleven leidt. Naast de leefgeld- en beheerrekening bij ABN AMRO houdt cliënt buiten medeweten van zijn bewindvoerder een betaalrekening aan bij ING. Via deze rekening lopen salarisontvangsten, schenkingen van moeder, betalingen verzekering en belasting van een bij ons onbekend motorrijtuig alsmede overboekingen naar een buitenlandse bank.
Ik stel mij op het standpunt dat cliënt bewust verzuimd heeft deze informatie met zijn bewindvoerder [naar het hof begrijpt: beschermingsbewindvoerder] te delen, hij heeft hierdoor in ernstige mate niet aan zijn informatieplicht voldaan. [naam] wenst niet als financiële belangenbehartiger op te treden voor personen die de vertrouwensband met hun bewindvoerder [naar het hof begrijpt: beschermingsbewindvoerder] structureel minachten.
Om mijn eigen geloofwaardigheid als ook de geloofwaardigheid van mijn kantoor overeind te houden kan ik niet anders dan de rechtbank verzoeken om [BV] BV mhodn [naam] te ontslaan als bewindvoerder [naar het hof begrijpt: beschermingsbewindvoerder] van de heer [appellant] .”
3.4.
Naar aanleiding van de signalen van de beschermingsbewindvoerder van [appellant] heeft de opvolgend bewindvoerder, mevrouw [bewindvoerder 1] , op verzoek van de rechter-commissaris een onderzoek ingesteld. De bewindvoerder heeft haar bevinden bij e-mail van 2 januari 2025 aan de rechter-commissaris laten toekomen.
3.5.
Naar aanleiding van bevindingen van de bewindvoerder heeft de rechter-commissaris op 16 januari 2025 een voordracht gedaan aan de rechtbank om op grond van artikel 358a Fw de schone lei van [appellant] te ontnemen. Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft [appellant] zijn schuldeisers benadeeld. De rechter-commissaris heeft aan deze voordracht, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, ten grondslag gelegd dat [appellant] :
meerdere bankrekeningen niet heeft gemeld bij de bewindvoerder;
gelden van derden heeft ontvangen zonder dit aan de bewindvoerder te melden;
inkomsten heeft verzwegen;
tijdens de hele schuldsaneringsregeling heeft beweerd dat hij maximaal 20 uur per week kon werken, terwijl uit bankafschriften is gebleken dat hij enige tijd (twee) banen heeft gehad naast zijn baan van 20 uur per week. Hierdoor is aannemelijk geworden dat [appellant] op enig moment meer dan 20 uur per week kon werken. Door dit niet te doen heeft saniet niet voldaan aan zijn arbeids- en sollicitatieplicht en zijn de schuldeisers benadeeld.
3.6.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen en op de voet van artikel 358a lid 1 Fw bepaald dat artikel 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt.
3.7.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.
“2.4 Dit verweer wordt verworpen, aangezien [appellant] zelf verantwoordelijk was voor het
informeren van de bewindvoerder. In dit verband overweegt de rechtbank dat de regels van schuldsaneringsregeling bij [appellant] ’ oproeping voor de toelatingszitting op 27 augustus 2021 zijn meegestuurd en dat die regels bij die zitting zijn besproken en door hem zijn ondertekend. In die regels is over de nakoming van de informatieplicht vermeld:
Ik zal uit mijzelf de schuldsaneringsbewindvoerder over alles informeren wat voor hem of haar van belang kan zijn voor de uitvoering van zijn of haar taak. Dit geldt ook als er sprake is van een postblokkade. Ik zal de schuldsaneringsbewindvoerder ook onmiddellijk informeren als deze daarom vraagt. De informatieplicht geldt in ieder geval voor onderwerpen als nieuw of ander werk, ontslag, verhuizing, wijziging van telefoonnummer of e-mailadres, extra inkomsten, wijziging van huurlasten en/of ziektekostenpremie, gewonnen prijzen en het openvallen van een erfenis. Als ik wil verhuizen of als ik een (andere) auto op mijn naam wil zetten, zal ik vooraf overleggen met de schuldsaneringsbewindvoerder.
en:
Ook als er sprake is van budgetbeheer of beschermingsbewind, ik zelf verantwoordelijk ben voor het nakomen van al mijn plichten en ik mij dus in principe niet kan verschuilen achter de budgetbeheerder of beschermingsbewindvoerder.
2.5
Deze regels zijn ook nog eens tijdens het huisbezoek van de bewindvoerder besproken en vermeld in de waarschuwingsbrief van 24 mei 2024. Daarnaast had [appellant] uit de verslagen dienen af te leiden dat de bewindvoerder niet op de hoogte was van de in de voordracht genoemde feiten en omstandigheden en had hij in het kader van zijn (spontane) informatieplicht de bewindvoerder hier alsnog over dienen te informeren.
[appellant] was dus zelf verantwoordelijk voor het informeren van de bewindvoerder over (in elk geval) de drie bankrekeningen, bedoeld onder 1 van de voordracht, over de aard van de betalingen, bedoeld onder 2 van de voordracht, over de extra inkomsten, bedoeld onder 5 van de voordracht en over zijn grotere verdiencapaciteit, bedoeld onder 6 van de voordracht. Hij was ook verplicht om conform die grotere verdiencapaciteit te werken en dus meer inkomsten te vergaren.
2.7
De rechtbank merkt deze nalatigheden aan als een poging tot benadeling van de schuldeisers. De verzwegen bedragen en het niet verdiende loon zijn hierdoor immers niet ten goede gekomen aan de schuldeisers.
De aard en omvang van deze tekortkomingen - die nota bene aan het licht zijn gekomen na een beperkt nader onderzoek - zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig dat aan de saniet de schone lei moet worden ontnomen. Bepaald zal daarom worden dat art. 358 lid 1 Fw, - op grond waarvan de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn - verder geen toepassing vindt.”
3.8.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift twee grieven aangevoerd waarin hij – zakelijk weergegeven – het volgende aanvoert:
De regels die zijn meegestuurd met de oproeping van [appellant] voor de toelatingszitting van 27 augustus 2021 en tijdens de toelatingszitting zijn besproken en door [appellant] zijn ondertekend, zijn tijdens de zitting van 18 februari 2025 niet aan de orde gesteld. [appellant] heeft hierover dus niet zijn visie kunnen geven. Hierdoor kan de rechtbank niet naar deze regels verwijzen als onderbouwing voor de beslissing om de schone lei te ontnemen. Ook is het onbegrijpelijk en kwalijk dat de rechtbank het standpunt inneemt dat het ontslagverzoek van de beschermingsbewindvoerder doet vermoeden dat [appellant] ook hem niet naar behoren informeerde. Het dossier bevat daarvoor geen aanwijzingen.
Beoordeling
De overweging van de rechtbank dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschermingsbewindvoerder “alles” – met name wat hem in de voordracht verweten wordt – wist, is ook onbegrijpelijk. Immers heeft de advocaat tijdens de zitting een stuk overgelegd waaruit volgt dat de beschermingsbewindvoerder kennis droeg van de bijbaan van [appellant] .
Er heeft geen huisbezoek door de WSNP-bewindvoerder plaatsgevonden, waardoor niet gesteld kan worden dat de regels uit de schuldsaneringsregeling ook nog eens tijdens het huisbezoek zijn besproken. Daarnaast stonden deze regels niet volledig in de waarschuwingsbrief van 24 mei 2024 vermeld. Deze waarschuwingsbrief gaat ook niet over de gronden die de rechter-commissaris in zijn voordracht tot ontneming van de schone lei heeft genoemd.
Verder heeft [appellant] , behalve het eindverslag, de verslagen van de bewindvoerder niet ontvangen. Gelet op de e-mail van de bewindvoerder van 14 oktober 2021, waarin zij bevestigt dat zij met de beschermingsbewindvoerder heeft afgesproken dat de beschermingsbewindvoerder maandelijks kopieën van de financiële gegevens van [appellant] toestuurt, mocht [appellant] erop vertrouwen dat de beschermingsbewindvoerder al zijn gegevens zou doorgeven aan de bewindvoerder, dus ook de inkomsten die [appellant] verdiende met zijn bijbaan waarvan de inkomsten binnen kwamen op de bankrekening van ING. Op deze ING-rekening kwamen ook gelden binnen van derden, maar omdat [appellant] van de beschermingsbewindvoerder niet vernam dat dit niet mocht, is hij er van uitgegaan dat alles in orde was.
3.9.
Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. [appellant] en de beschermingsbewindvoerder zijn overeengekomen dat de beschermingsbewindvoerder de bewindvoerder zou informeren. [appellant] mocht erop vertrouwen dat de beschermingsbewindvoerder op zijn beurt de bewindvoerder zou informeren. [appellant] heeft wat nevenwerkzaamheden verricht tijdens het wettelijke schuldsaneringstraject. De beschermingsbewindvoerder was op de hoogte van deze extra werkzaamheden, aangezien [appellant] tegen hem heeft gezegd dat de inkomsten van de kranten op de ING-bankrekening binnenkwamen. De beschermingsbewindvoerder heeft [appellant] er niet op gewezen dat dit niet mocht. [appellant] heeft wel gemerkt dat hij op enig moment meer te besteden had dan aan het begin van de schuldsanering. [appellant] is zeven of acht weken voor de eindzitting waarbij de schone lei is verleend in dienst gekomen bij [B.V.] B.V.
3.10.
De bewindvoerder heeft in haar reactie op het beroepschrift als ter griffie op 9 april 2025 ontvangen – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat [appellant] meermaals nadrukkelijk is gewezen op zijn informatieplicht. De verslagen werden aan [appellant] verzonden, alsmede in afschrift aan de beschermingsbewindvoerder. Nergens blijkt uit dat [appellant] zijn beschermingsbewindvoerder maandelijks correct en tijdig heeft geïnformeerd over zijn extra werkzaamheden, extra gelden, en extra – zonder toestemming – geopende bankrekeningen. Deze inkomsten werden door hem niet afgedragen aan de beheerrekening bij beschermingsbewind of aan de WSNP-boedelrekening, terwijl [appellant] ervan op de hoogte was dat alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag afgedragen moesten worden. Aan de bewindvoerder zijn het bestaan van onderhavige ontvangsten/gelden en de door hem zelf geopende bankrekeningen (ING, Revolut en een Bulgaarse bankrekening) niet gemeld. [appellant] gaf verder aan wegens gezondheidsklachten niet meer uren te kunnen werken, terwijl uit de door [appellant] ingebrachte belastingaangiften blijkt dat [appellant] in 2022 en 2023 wel extra werkzaamheden heeft verricht. Volgens de beperkt beschikbare ING-bankafschriften heeft [appellant] ook vanaf juli 2024 extra inkomsten uit arbeid ontvangen, aldus de bewindvoerder.
3.11.
Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. [appellant] geeft aan alleen een eindverslag te hebben ontvangen, maar in een e-mail van [appellant] van 24 oktober 2022 schrijft hij dat in het vervolgverslag zijn geboortedatum foutief staat vermeld. Uit die e-mail volgt dan ook dat hij dat verslag eveneens heeft ontvangen. Alle verslagen zijn per e-mail en per post verstuurd, zowel aan de beschermingsbewindvoerder als aan [appellant] . De inkomsten die door [appellant] buiten de beheerrekening zijn ontvangen in de maanden juli en augustus 2024 bedragen bijna € 1.500,- exclusief de schenkingen. Door het niet melden van deze ontvangsten was de boedelrekening lager dan deze behoorde te zijn en zijn de schuldeisers benadeeld, aldus nog steeds de bewindvoerder.
3.12.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.12.1.
Artikel 358a lid 1 Fw bepaalt dat indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350, derde lid, onder e Fw, de rechter op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat artikel 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt. De beëindigingsgrond van artikel 350 lid 3, onder e, Fw houdt in dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen.
3.12.2.
[appellant] wordt vooral verweten dat hij informatie die relevant is voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling niet heeft doorgegeven aan de bewindvoerder, waardoor zijn schuldeisers zijn benadeeld. [appellant] heeft zich hiertegen verweerd door te stellen dat zijn beschermingsbewindvoerder deze informatie had moeten doorgeven aan de WSNP-bewindvoerder. Dit verweer kan [appellant] echter niet baten en wel om het volgende.
3.12.3.
Het hof stelt voorop dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling een spontane informatieverplichting geldt. Deze verplichting houdt in dat de saniet zelf zorg moet dragen voor het informeren van de bewindvoerder over alle informatie die van belang is of kan zijn voor de voortgang van de schuldsaneringsregeling.
3.12.4.
Het hof stelt vast dat [appellant] meermaals op deze informatieplicht is gewezen. Zo blijkt deze plicht allereerst uit het document “Regels en informatie wettelijke schuldsaneringsregeling” welke door [appellant] bij aanvang van schuldsaneringsregeling zijn getekend. Ook staat in de “Verklaring omtrent informatievoorziening- en verstrekking in de Wsnp”, die door [appellant] op 11 oktober 2021 is ondertekend, (onder meer) dat de bewindvoerder de checklist met [appellant] heeft doorlopen en dat hij de bewindvoerder van alle informatie op de hoogte stelt die relevant is voor de voortgang van de schuldsaneringsregeling. Daarnaast heeft de bewindvoerder [appellant] op 14 mei 2023 gemaild om informatie te verkrijgen. Hierbij heeft de bewindvoerder geschreven: “Het is niet de bedoeling dat ik om informatie moet vragen. U bent verplicht mij hierover zelf IEDERE maand te informeren!” Daarbij volgt ook uit de waarschuwingsbrief van de rechtbank van
23 mei 2023 aan [appellant] (onder meer) dat hij niet voldoet aan de informatieplicht en dat [appellant] de bewindvoerder maandelijks gevraagd en ongevraagd informatie dient te verstrekken.
Op grond van voornoemde documenten was dan wel had voor [appellant] duidelijk moeten zijn dat op hem een spontane en tevens zelfstandige – in de zin van: los van de informatie die door de beschermingsbewindvoerder wordt verstrekt aan de bewindvoerder – informatieplicht rustte. Dat [appellant] en de beschermingsbewindvoerder, zoals [appellant] stelt en wat daar verder ook van zij, zijn overeengekomen dat de beschermingsbewindvoerder de bewindvoerder zal informeren doet aan die zelfstandige informatieplicht niet af.
Beoordeling
Hetzelfde geldt voor vermelding van de afspraak in een mail van de bewindvoerder dat de financiële informatie via de beschermingsbewindvoerder zou worden aangeleverd. Dat in de waarschuwingsbrief, zoals door [appellant] gesteld, de regels niet (opnieuw) volledig zijn vermeld, kan [appellant] alleen al niet baten omdat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de waarschuwingsbrief contact heeft opgenomen met de bewindvoerder om de verzochte informatie alsnog aan te leveren. Hieruit volgt dat voor [appellant] wel degelijk duidelijk was dat hijzelf de bewindvoerder diende te informeren.
3.12.5.
Dat niet alle voor het verloop van de schuldsaneringsregeling relevante informatie is verstrekt aan de bewindvoerder staat niet ter discussie. Dit blijkt overigens ook uit de verslagen, waarin onder meer geen melding gemaakt wordt van de extra door [appellant] verrichte werkzaamheden en de daarvoor ontvangen bedragen, de van derden ontvangen gelden en het bestaan van de meerdere bankafschriften. Het door [appellant] gevoerde standpunt dat hij, met uitzondering van het eindverslag, geen kennis heeft genomen van de verslagen, kan hem – het hof verwijst daarbij naar hetgeen in rechtsoverweging 3.12.4. – alleen al niet baten, nu het hof dit niet geloofwaardig acht. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat [appellant] per e-mail heeft gereageerd op het verslag van 24 oktober 2022, waarna [appellant] , desgevraagd, heeft verklaard dat hij dat verslag dan wel heeft ontvangen.
Het hof merkt op dat zelfs als [appellant] alleen het eindverslag heeft ontvangen dit voor hem aanleiding had moeten zijn om de daarin ontbrekende informatie alsnog met de bewindvoerder te delen. Ook de eindzitting waar (onder meer) gesproken is over de belastbaarheid van [appellant] had voor hem aanleiding moeten zijn om naar voren te brengen dat hij meer werkte respectievelijk had gewerkt dan de bij de bewindvoerder, de rechter-commissaris en de rechtbank bekend zijnde 20 uren per week. Als gevolg van het ontvangen van extra inkomsten was voor [appellant] , zo heeft hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard, merkbaar dat hij op enig moment meer te besteden had dan aan het begin van de schuldsanering. Ook dat had voor [appellant] aanleiding moeten zijn om aan de bel te trekken.
3.12.6.
Mede in het licht van de kernverplichting uit de schuldsaneringsregeling om tijdens de regeling zoveel mogelijk geld te genereren ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers is het hof van oordeel dat [appellant] door bovengenoemde tekortkomingen de schuldeisers heeft benadeeld. Door de bewindvoerder niet op de hoogte te stellen van het bestaan van andere bankrekeningen en de daarop ontvangen (extra) inkomsten uit arbeid en ontvangen bedragen van derden, heeft hij deze bedragen buiten de boedelrekening gehouden.
Op basis van de uit het dossier blijkende gegevens gaat het – voor zover het betreft de beperkt door de bewindvoerder onderzochte periode vlak voor het einde van de regeling – om minstens € 2.000,- aan niet afgedragen inkomsten uit arbeid, los nog van de schenkingen en hierbij al rekening houdend met het intrekken van de aanvullende uitkering door de gemeente.Daarnaast rijst ook de vraag – nu vast is komen te staan dat [appellant] wel degelijk in 2023 en 2024 meer heeft gewerkt dan 20 uren per week – vanaf welk moment [appellant] méér dan die 20 uren per week had kunnen werken. Daarmee had [appellant] meer voor de schuldeisers kunnen sparen en ook in zoverre – los van voorgaande – is sprake van benadeling.
3.12.7.
Nu na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling is gebleken van feiten en omstandigheden die grond zouden hebben opgeleverd voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350 derde lid onder e Fw, is er aanleiding te bepalen dat artikel 358 eerste lid Fw verder geen toepassing vindt, waardoor [appellant] alsnog de schone lei wordt ontnomen
3.13.
Het vonnis waarvan beroep zal dus worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.J.H. Hoofs, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.