Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1440
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,565 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.350.996/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/424560 / FA RK 24-3237 (bodemprocedure)
Beschikking over hoofdverblijf, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. C. Car,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Klootwijk.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[Jeugdbescherming] Jeugdbescherming ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 8 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met bijlage(n), ingekomen ter griffie op 5 februari 2025, en na wijziging van zijn verzoek op de mondelinge behandeling, heeft de vader verzocht voormelde beschikking (voor wat betreft de bodemprocedure) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, primair:
te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben;
de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op haar oude basisschool en bij haar oude huisarts, tandarts en apotheek.
Subsidiair verzoekt de vader een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [minderjarige] elke woensdag na school bij de vader zal zijn tot 19.30 uur en iedere vrijdag van 18.00 uur tot en met zondag 14.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en haalt, zonder tussenkomst van instellingen.
Het in het petitum van het beroepschrift onder nummer 3 en 4 verzochte heeft de vader voor het overige ingetrokken.
2.2.
Bij verweerschrift met bijlage(n), ingekomen ter griffie op 1 april 2025, heeft de moeder verzocht om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.4.
Gelet op de onderlinge samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.350.945/01.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 15 oktober 2024;
het bij V6-formulier van 24 februari 2025 door de vader verzonden procesdossier eerste aanleg.
2.6.
De door mr. Car op 24 april 2025 toegezonden stukken (en opnames) zijn na uitdrukkelijk bezwaar van de kant van de moeder tijdens de mondelinge behandeling door het hof geweigerd, omdat ze te laat zijn ingediend en derhalve wegens strijd met de goede procesorde niet bij de procedure worden betrokken.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is de minderjarige [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
Bij afzonderlijke beschikking van 8 november 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank in de bodemprocedure:
bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder zal zijn;
aan de moeder vervangende toestemming verleend, ter vervanging van toestemming van de vader, om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen en haar aldaar in te schrijven op een basisschool, bij een huisarts, tandarts en apotheek en haar GGD-dossier over te dragen naar de GGD in de regio [woonplaats moeder] ;
bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de omgang en frequentie door en onder regie van de GI nader kan worden bepaald, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in rov. 5.17 van de bestreden beschikking heeft overwogen.
3.4.
Het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen, alsmede de subsidiaire verzoeken van de vader om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen en om de moeder te gelasten om [minderjarige] in te schrijven op haar oude basisschool te [plaats] , dan wel aan de vader vervangende toestemming van de rechtbank te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op haar oude basisschool, heeft de rechtbank afgewezen.
3.5.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.6.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank aangenomen dat de verhuizing naar [woonplaats moeder] in het belang van [minderjarige] is. De noodzaak om te verhuizen is niet aangetoond. De moeder heeft niet aangetoond dat zij concrete inspanningen heeft verricht om huisvesting in de omgeving van [woonplaats vader] te vinden. Zij heeft jarenlang in de omgeving van [woonplaats vader] gewoond en heeft daar haar sociale contacten. In [woonplaats moeder] heeft ze geen netwerk, behalve haar eigen moeder. De moeder heeft geen overleg gevoerd met de vader over de verhuizing. De vader maakt zich zorgen over de negatieve gevolgen van de verhuizing. Hij is altijd actief betrokken geweest in het leven van [minderjarige] en het is praktisch gezien onmogelijk om dit voort te zetten. De verhuizing brengt voor hem kosten en tijd met zich mee. Het is in het belang van [minderjarige] om beide ouders in haar directe omgeving te hebben. Dit dient zwaarder te wegen dan het belang van de moeder om te verhuizen.
De rechtbank heeft ten onrechte aan de moeder vervangende toestemming verleend om [minderjarige] definitief in te schrijven op de basisschool in [woonplaats moeder] . Een verhuizing moet goed voorbereid en doordacht zijn, zeker wanneer sprake is van ingrijpende gevolgen voor het kind en de andere ouder. [minderjarige] was geworteld in [plaats] , ging daar naar school en heeft daar haar familie. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven dat hij het oneens was met de verhuizing en de gevolgen ervan. De vader voelde zich door de verhuizing machteloos en heeft geprobeerd zich ertegen te verzetten. Bij [minderjarige] heeft de verhuizing ook tot verwarring en instabiliteit geleid. Het is niet rechtvaardig om de gevolgen van de eenzijdige beslissing van de moeder bij de vader neer te leggen. De vader vindt het onacceptabel dat de moeder [minderjarige] heeft laten wennen aan de nieuwe situatie en dit nu gebruikt als argument om de situatie in stand te laten. De vader kan en wil niet tot aan de volwassenheid van [minderjarige] op en neer naar [woonplaats moeder] reizen. Hij vindt dat hij op die manier geen goede invulling kan geven aan zijn ouderschap.
Het hoofdverblijf van [minderjarige] is ten onrechte bij de moeder bepaald. [minderjarige] heeft in de omgeving [woonplaats vader] een stabiele omgeving waar zij een goede band met de vader en zijn familie kan onderhouden. Sinds de verhuizing heeft de moeder de vader belemmerd in het onderhouden van een goede relatie tussen de vader en [minderjarige] . Er is onvoldoende rekening gehouden met de continuïteit en stabiliteit van [minderjarige] . Het recht van de vader om actief in de opvoeding betrokken te zijn wordt door de verhuizing en de fysieke afstand beperkt. De moeder neemt eenzijdige beslissingen in strijd met het gezag en de communicatie tussen de ouders is slecht. De vader wil komen tot een goede samenwerking en hij wenst een co-ouderschapsregeling met de moeder, zodat [minderjarige] veilig en evenwichtig kan opgroeien. Een stabiele ouderrelatie is essentieel voor de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] .
De rechtbank heeft ten onrechte geen concrete zorgregeling vastgesteld en de regie van de zorgregeling bij de GI neergelegd. De vader betwist dat sprake is van omstandigheden die het onmogelijk maken om op dit moment een structurele zorgregeling vast te stellen zonder tussenkomst van derden. De vader heeft het gevoel dat de moeder de band tussen hem en [minderjarige] probeert te ondermijnen en dat zij [minderjarige] tegen hem opzet. [minderjarige] is altijd ontspannen geweest in het contact met de vader. Ze gedraagt zich anders als ze met de vader alleen is dan wanneer ze met de vader videobelt in aanwezigheid van de moeder. De vader is in staat om voor [minderjarige] te zorgen en heeft dit in het verleden ook gedaan. Het gegeven dat hij af en toe blowt (buiten de aanwezigheid van [minderjarige] ) betekent niet dat er sprake is van een verslaving en maakt hem niet ongeschikt.
De vader voert ten slotte nog aan dat hij veel last heeft van de situatie, waarin hij geen contact heeft met [minderjarige] en waarbij hij ervaart dat hij van allerlei zaken wordt beschuldigd. Hij is uitgevallen van werk en ontvangt op dit moment een ziektewetuitkering. Hij heeft wekelijks gesprekken bij [instantie] , waardoor hij leert om beter met de situatie om te gaan.
3.7.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.
De rechtbank heeft terecht het belang van stabiliteit in het functioneren van de moeder en [minderjarige] in aanmerking genomen. [minderjarige] en de moeder hebben inmiddels hun leven in [woonplaats moeder] opgebouwd. [minderjarige] gaat al geruime tijd naar school in [woonplaats moeder] , de moeder heeft inmiddels een eigen huurwoning voor in ieder geval de periode van een jaar en de moeder heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De moeder betwist dat zij geen moeite heeft gedaan om alternatieve huisvesting in de buurt van [woonplaats vader] te zoeken. Binnen haar sociale netwerk in [plaats] / [woonplaats vader] kon de moeder geen onderdak vinden toen zij de gezamenlijke woning uit moest. De moeder had wel een netwerk in [woonplaats moeder] waar zij onmiddellijk terecht kon.
De vader gaat voorbij aan de noodzaak van de verhuizing die gelegen is in het escalerend gedrag van de vader jegens de moeder, dat tot voor kort nog steeds gaande was. Niet voor niets heeft er op 24 januari 2025 een stopgesprek tussen de politie en de vader plaatsgevonden en zijn er veiligheidsafspraken met de GI gemaakt.
Het is notabene de vader geweest die de moeder uit huis heeft gezet en die bij de zus van de moeder heeft aangegeven dat het beter was als de moeder uit [plaats] zou weggaan, omdat de situatie anders uit de hand kon lopen. Over de verhuizing is wel degelijk overleg tussen partijen geweest. Partijen hebben op vrijdag 6 oktober 2023 een verklaring ondertekend, waarbij de vader uitdrukkelijk toestemming geeft voor de verhuizing naar [woonplaats moeder] .
Dictum
Dat er op dit moment geen contact is tussen de vader en [minderjarige] is niet aan de moeder te wijten. De vader weigert zijn medewerking te verlenen aan de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Hij heeft recent een schriftelijke aanwijzing ontvangen, waarbij hij zich dient te onthouden van uitschelden, beledigingen en bedreigingen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader nog steeds niet in staat is om met de moeder te communiceren. Hij heeft geen zelfinzicht en legt alle schuld buiten zichzelf. Het is onjuist dat de vader in het verleden actief betrokken was in het leven van [minderjarige] op de wijze die hij beschrijft. Hij heeft nooit de persoonlijke verzorging, het naar bed brengen of zaken als het brengen naar school, sport, Moskee les of medische afspraken op zich genomen. De moeder is altijd de hoofdverzorger en stabiele factor van [minderjarige] geweest.
[woonplaats moeder] is inmiddels de stabiele omgeving van [minderjarige] . De verhuizing hoeft de band met de vader en zijn familie niet in de weg te staan. Het contact met de moeder en de zus van de vader is buiten de vader om weer hersteld. De moeder heeft meerdere pogingen gedaan om het contact tussen de vader en [minderjarige] te behouden en te stimuleren en vindt de beschuldigingen van de vader daarom heel kwalijk. De moeder erkent dat zij een aandeel heeft gehad in de beëindiging van de relatie, maar dat er sprake is van slechte communicatie is aan de vader te wijten. Een eventueel co-ouderschap is niet mogelijk en niet in het belang van [minderjarige] .
De moeder staat ervoor open dat het contact tussen [minderjarige] en de vader onder begeleiding wordt hersteld. Dit moet op een veilige en rustige manier. Op dit moment heeft de moeder er geen vertrouwen in dat dit mogelijk is, aangezien de vader weigert mee te werken aan hulpverlening vanuit de GI en hij zijn leven niet op de rit heeft. Ze probeert [minderjarige] te stimuleren in het contact met de vader, maar vanwege bepaalde uitspraken door de vader sluit [minderjarige] zich steeds af. De moeder wil werken aan de onderlinge communicatie maar de vader weigert zijn medewerking. Hij komt met veel verwijten maar toont zelf geen initiatief. Hij heeft meerdere kansen gehad om zijn kant van het verhaal aan de hulpverlenende instanties kenbaar te maken. De moeder hoopt dat de vader gaat inzien dat hulpverlening noodzakelijk is.
3.8.
De GI voert, samengevat, het volgende aan.
De GI heeft [minderjarige] gezien en gesproken. De GI heeft vanuit school begrepen dat [minderjarige] alle dagen naar school gaat, dat ze het daar goed doet en dat ze ook vriendjes en vriendinnetjes heeft. Er zijn geen zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder en de huidige leefomstandigheden. [minderjarige] is bij de moeder geaard. Het is niet in haar belang om haar bij de moeder weg te halen en terug te laten gaan naar haar oude omgeving. De moeder heeft altijd een grote rol in het leven van [minderjarige] gehad. Het is in het belang van [minderjarige] dat er een start wordt gemaakt in het contactherstel met de vader. Omdat [minderjarige] de vader al lange tijd niet heeft gezien vindt de GI het noodzakelijk dat er wordt gestart met begeleide belcontacten en dat die contacten eerst kunnen worden geobserveerd. De vader is het daar niet mee eens en weigert mee te werken. De vader heeft, samen met een ander persoon, [minderjarige] afgelopen februari onaangekondigd en ondanks het stopgesprek opgezocht rondom haar huis. [minderjarige] is daar erg van geschrokken. De GI heeft [minderjarige] op een wachtlijst voor speltherapie gezet om haar met de situatie te leren omgaan.
3.9.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd.
De raad vindt net als de GI dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder moet blijven en is het eens met hetgeen de GI verder heeft opgemerkt. De raad stelt vast dat de vader soms intimiderend over komt en heftige uitspraken doet. Vóór aanvang van de mondelinge behandeling hoorde zij de vader iets zeggen in de trant van dat hij het hoofd van de moeder niet wil zien. Dat is zorgelijk. De raad vindt de filmpjes die de vader heeft toegestuurd intimiderend. Er moet eerst zicht op komen hoe [minderjarige] op het contact met de vader reageert. Het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen vindt de raad in het licht van de huidige situatie heftig en niet in het belang van [minderjarige] .
Motivering
3.10.
Het hof overweegt op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht als volgt.
Hoofdverblijfplaats
3.11.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.12.
Het hof acht voldoende aannemelijk dat de moeder altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en dat er geen zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder zijn. Dit betekent niet dat de vader geen rol heeft gehad in het leven van [minderjarige] of dat hij geen activiteiten met [minderjarige] heeft ondernomen. Het afgelopen jaar heeft de vader echter geen enkele rol in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] gehad en is er al geruime tijd geen contact tussen de vader en [minderjarige] . Voor hoofdverblijfplaats bij de vader zal er toch op zijn minst sprake moeten zijn van contact tussen de vader en [minderjarige] . Dat is er niet. Daarbij komt dat de vader geen zelfstandige woonruimte heeft en bij zijn ouders inwoont. Niet inzichtelijk is of de vader op dit moment voldoende in het belang van [minderjarige] kan handelen en ook de moeder een plek in het leven van [minderjarige] kan blijven geven. De vader weigert iedere medewerking met de GI. Reeds daarom valt niet in te zien hoe het in het belang van [minderjarige] kan worden geacht om haar weg te halen uit haar veilige, vertrouwde omgeving bij de moeder.
3.13.
Op grond van het voorgaande kan het beroep van de vader in zoverre niet slagen en blijft de beslissing over het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder in stand.
Vervangende toestemming verhuizing
3.14.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover een beslissing nemen.
Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.
3.15.
Het hof sluit aan bij de beslissing van de rechtbank en zal hierna uitleggen waarom.
Voldoende aannemelijk is dat er ten tijde van de verhuizing van de moeder een noodzaak bestond om met [minderjarige] bij haar moeder in [woonplaats moeder] te gaan wonen. De situatie tussen partijen was ernstig geëscaleerd en op dat moment waren beide ouders het er blijkens de overgelegde door hen beiden getekende verklaring over eens dat het op dat moment akkoord was met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen.
De vader heeft er belang bij dat [minderjarige] dicht bij hem in de buurt blijft wonen. Wanneer [minderjarige] met de moeder in [woonplaats moeder] blijft wonen, dan is het voor de vader lastiger om op doordeweekse schooldagen voor [minderjarige] te zorgen en/of met haar contact te hebben. Daarnaast brengt het verblijf in [woonplaats moeder] een langere reistijd met zich, hetgeen ook meer kosten met zich brengt. Tegenover het belang van de vader staat het belang van de moeder. De moeder wil haar leven in [woonplaats moeder] verder vorm geven. Zij verblijft hier al enige tijd, heeft in [woonplaats moeder] een woning en baan gevonden, heeft daar een netwerk van familie en vrienden terwijl haar netwerk in de omgeving van [woonplaats vader] beperkt is.
Gebleken is dat de vader het - in ieder geval sinds de breuk - lastig vindt om zijn emoties te reguleren. Tot voor kort heeft de vader ontelbaar veel emailberichten aan de moeder verzonden waarin hij zich scheldend, respectloos en soms intimiderend tegenover de moeder, maar ook tegenover oma moederszijde en de zus van de moeder heeft uitgelaten. Dit heeft onder meer tot een schriftelijke aanwijzing van de GI geleid. Het is voorstelbaar dat deze wijze van communiceren mede tot de wens van de moeder heeft geleid om haar leven in [woonplaats moeder] op te bouwen en niet terug te keren naar de omgeving [woonplaats vader] . De moeder heeft ook aangegeven dat zij zich in [woonplaats moeder] prettig voelt en dat ze door de verhuizing meer stabiliteit en veiligheid ervaart. Ze staat nog op de wachtlijst voor een traumagerelateerde behandeling. Wanneer de moeder goed in haar vel zit en goed functioneert, dan heeft dit een positieve uitwerking op [minderjarige] . [minderjarige] is nog jong en zij is afhankelijk van haar ouders, momenteel met name van haar moeder. Met [minderjarige] gaat het in [woonplaats moeder] goed. Ze verblijft daar al geruime tijd, gaat er sinds november 2023 naar school en heeft daar vriendjes en vriendinnetjes gemaakt. Ze staat bovendien - niet voor niets - op de wachtlijst voor speltherapie. Het wordt in het belang van [minderjarige] noodzakelijk geacht dat de huidige situatie wordt gecontinueerd en dat de inzet van speltherapie geen verdere vertraging oploopt.
Al deze belangen wegen zwaarder dan de hiervoor genoemde belangen van de vader. Hierbij neemt het hof mede in overweging dat de vader aanvankelijk het vertrek naar [woonplaats moeder] heeft gestimuleerd en hiervoor schriftelijke toestemming aan de moeder heeft verleend. Voor zover de vader in hoger beroep heeft betoogd dat de handtekening onder de verklaring niet door hem is gezet acht het hof dit niet geloofwaardig. De vader heeft dit voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht, terwijl deze verklaring ook onderdeel uit heeft gemaakt van de procedure in eerste aanleg en daar uitvoerig is besproken.
Verder is voldoende komen vast te staan dat de moeder zich heeft ingespannen om het contact tussen [minderjarige] en de vader in stand te houden en dat ze de vader in zoverre heeft getracht te compenseren voor de gevolgen van de verhuizing. Het kan de moeder niet althans niet in overwegende mate worden tegengeworpen dat er al geruime tijd geen contact tussen de vader en [minderjarige] is. De verhuizing als zodanig hoeft niet aan contact in de weg te staan.
Al deze omstandigheden tezamen maken dat de grieven van de man in zoverre falen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool, huisarts, tandarts en apotheek, alsmede de overdracht van dossier van [minderjarige] aan de GGD
3.16.
Aangezien het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is bepaald en aan de moeder vervangende toestemming is verleend om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen, worden de beslissingen over de inschrijving van [minderjarige] op de basisschool, bij de huisarts, tandarts en de apotheek en de overdracht van het dossier aan de GGD eveneens bekrachtigd.
Verdeling van de zorg- en opvoedtaken
3.17.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.18.
Tussen de vader en [minderjarige] is er sinds juni 2024 geen contact meer. Iedereen is het met elkaar eens dat het belangrijk is dat het contact tussen [minderjarige] en de vader wordt hersteld. Het is in het belang van [minderjarige] dat dit zorgvuldig en onder regie van de GI gebeurt.
Conclusie
3.20.
Op grond van het voorgaande slagen de grieven van de vader niet en zal het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
3.21.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 8 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.