Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1430
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,908 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.348.504/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/400186 FA RK 22-3465
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.M.M. Minkels,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers.
Deze zaak gaat over [minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 9 september 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 november 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
- [minderjarige] (voortaan) zijn hoofdverblijf zal hebben bij de moeder;
- de ouders gerechtigd zijn tot een co-ouderschapsregeling, in die zin dat [minderjarige] de ene
week een hele week bij de vader verblijft en de andere week een hele week bij de moeder;
- de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte dienen te worden verdeeld in die
zin dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg door partijen en/of de GI te regelen.
2.1.1.
Bij V6-formulier met bijlagen van 24 maart 2025 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
- [minderjarige] (voortaan) zijn hoofdverblijf zal hebben bij de moeder;
- tussen de vader en [minderjarige] een zorgregeling zal plaatsvinden onder regie van de hulpverlening en/of de GI, die in dat kader onder meer beoordeelt hoe de zorgregeling wordt ingevuld, wie het toezicht op de zorgregeling verzorgt, of de duur van de zorgregeling kan worden uitgebreid en of er mogelijkheden zijn om de zorgregeling (deels) onbegeleid te laten plaatsvinden, waarbij [minderjarige] en de moeder eveneens betrokken zullen worden en waarbij ook afstemming en overleg plaatsvindt met [minderjarige] en de moeder;
- een verdeling van de vakantie- en feestdagenregeling tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden onder regie van de hulpverlening en/of de GI, die in dat kader onder meer beoordeelt hoe de vakantie- en feestdagenregeling zal worden ingevuld, waarbij [minderjarige] en de moeder eveneens betrokken zullen worden en waarbij ook afstemming en overleg plaatsvindt met [minderjarige] en de moeder.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 januari 2025, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans de verzoeken van de moeder af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Minkels;
mr. Van Beers namens de vader;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
De vader is hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, welke brief op 31 maart 2025 bij de griffie is ingekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier met bijlage namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 24 maart 2025 (het verzoek tot horen van [minderjarige] );
het V6-formulier met bijlagen (producties 33 t/m 42 en het gewijzigd verzoek) namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 24 maart 2025.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.2.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI, welke ondertoezichtstelling laatstelijk is verlengd tot 25 juli 2025.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het volgende beslist.
De rechtbank:
wijzigt het hoofdverblijf van [minderjarige] en bepaalt dat dit voortaan bij de vader is;
bepaalt dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
o op iedere vrijdag uit school, waarbij [minderjarige] op vrijdagavond om 21:30 uur weer bij de vader is;
o in de schoolvakanties overnacht [minderjarige] om het weekend bij de moeder. De ene
vrijdag is het contact dan vanuit school of vanaf 11:30 uur als er geen school is,
waarbij [minderjarige] op vrijdagavond om 21:30 uur weer bij de vader is. De andere vrijdag in de vakantie is het contact uit school of vanaf 11:30 uur als er geen school is, waarbij [minderjarige] op zaterdagochtend óf rechtstreeks naar het verzamelen van de voetbal gaat, of om 11:30 uur weer bij de vader is, als er geen voetbal is of het verzamelen later is. De GI stelt vast in welk(e) weekend(s) van de vakantie er overnacht wordt;
- bepaalt dat de GI de regie heeft over mogelijke uitbreiding van de regeling tussen
[minderjarige] en de moeder, binnen de ondertoezichtstelling;
- draagt de GI op zorg te dragen voor het vaststellen van een definitieve regeling bij een
eventueel einde van de ondertoezichtstelling.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert, samengevat het volgende aan.
Vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige] in mei 2023 bij de oma en later bij de met gezag belaste vader heeft de GI een lijn uitgezet waarbij met name de focus lag bij de vader. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader en een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder bepaald. De moeder heeft het gevoel dat ze is gepasseerd. De feitelijke situatie is echter na de bestreden beschikking gewijzigd. Vanaf februari 2024 heeft [minderjarige] uit eigen beweging weer contact opgenomen met de moeder en verbleef hij stiekem, zonder dat de vader hiervan op de hoogte was, gemiddeld twee keer per week bij de moeder thuis. De moeder heeft de GI hiervan op de hoogte gesteld, maar de GI heeft besloten dit niet met de vader te delen. Ook de school van [minderjarige] was op de hoogte van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. Vanaf 13 november 2024 verblijft [minderjarige] , met instemming van de GI, weer volledig bij de moeder en is er geen sprake van een (structurele) contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . De moeder staat achter een contactregeling tussen [minderjarige] en de vader en acht het in het belang van [minderjarige] dat er contact is. Er zou worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling, maar in januari 2025 heeft de GI besloten dat er eerst hulpverlening voor [minderjarige] moet worden ingezet. Op dit moment heeft [minderjarige] een jongerencoach vanuit [instantie 1] mede waardoor [minderjarige] in een korte periode beter zijn grenzen kan aangeven en voor zichzelf kan opkomen. [minderjarige] heeft enorme stappen gezet. Verder wordt een systemisch traject aangevraagd waarbij ook de ouders worden betrokken. [minderjarige] is aangemeld voor hulpverlening van [instantie 2] . Daarnaast is [minderjarige] verwezen naar een ergotherapeut om zijn belastbaarheid te bepalen en wordt er een NAH coach ingezet om mee te kijken met school. [minderjarige] is namelijk volledig uitgevallen op de middelbare school en staat nu ingeschreven voor een entreeopleiding voor het schooljaar 2025/2026. De gemeente heeft [minderjarige] inmiddels weer ingeschreven op het adres van de moeder omdat hij daar feitelijk woont. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt goed.
3.6.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] verbleef in het kader van de uithuisplaatsing eerst bij oma en vanaf maart/april 2024 bij de vader. In de periode dat [minderjarige] uit huis geplaatst was bij zijn oma en later bij de vader is [minderjarige] vooruit gegaan in zijn ontwikkeling: zijn gedrag is verbeterd, zowel thuis als op school, zijn cijfers op school zijn omhoog gegaan en het schoolverzuim is afgenomen. De vader was er niet van op de hoogte dat [minderjarige] stiekem contact had met de moeder. De moeder is aan [minderjarige] blijven trekken met als gevolg dat [minderjarige] na een (kleine)straf bij de vader thuis in november 2024 naar zijn moeder is gegaan en sindsdien niet meer bij de vader is teruggekomen. Sinds [minderjarige] weer (veel) meer tijd bij de moeder is gaan doorbrengen, is een kentering te zien in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is opstandiger en brutaler geworden, hij laat zich moeilijker corrigeren en zijn gedrag en cijfers op school zijn (veel) slechter geworden. Dit wordt bevestigd door school. De vader heeft ervoor gekozen de situatie niet op de spits te drijven en het advies van de GI op te volgen. De samenwerking met de GI verloopt goed. [minderjarige] is altijd welkom bij de vader thuis en hij houdt van [minderjarige] . Gelet op de huidige ontwikkelingen refereert de vader zich aan het oordeel van het hof en verzoekt hij het hof een eindbeslissing te nemen.
3.7.
De GI voert tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan.
De GI is het eens met het gewijzigde verzoek van de moeder waarbij het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder zal zijn en waarbij wordt bepaald dat tussen de vader en [minderjarige] een zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen zal plaatsvinden onder regie van de GI of hulpverlening. Dit komt ook overeen met de feitelijke situatie en de GI acht deze situatie ook bestendig. [minderjarige] heeft de afgelopen periode enorme stappen gezet. De GI ziet een andere [minderjarige] dan een paar maanden geleden. De GI vindt ook dat er contactherstel moet komen tussen [minderjarige] en de vader nu [minderjarige] aangeeft dat hij dat graag wil. [minderjarige] heeft de vader gedeblokkeerd op zijn telefoon en dat is de eerste stap. Het contact tussen de vader en [minderjarige] moet rustig worden opgebouwd. Verder is het belangrijk dat er voor zowel [minderjarige] als de ouders hulpverlening is waaronder systeemtherapie.
3.8.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd.
De raad adviseert het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder te bepalen en de beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan te houden waarbij de GI de komende periode de regie behoudt. De raad acht het van belang dat er contactherstel komt tussen [minderjarige] en de vader waarbij het tempo van [minderjarige] gevolgd wordt. Belangrijk is dat er een stip aan de horizon is en dat er een vinger aan de pols wordt gehouden.
3.9.
Het hof oordeelt als volgt.
Hoofdverblijfplaats
3.9.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Daartoe behoort ook het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 9 september 2024, voor zover ten aanzien van [minderjarige] gewezen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het verzoek van de vader met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ;
stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] de volgende regeling vast:
- tussen de vader en [minderjarige] zal een zorgregeling plaatsvinden onder regie van de hulpverlening en/of de GI, die in dat kader onder meer beoordeelt hoe de zorgregeling wordt ingevuld, of de duur van de zorgregeling kan worden uitgebreid, waarbij ook [minderjarige] en de moeder betrokken zullen;
- de verdeling van de vakantie- en feestdagenregeling tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden onder regie van de hulpverlening en/of de GI, die in dat kader onder meer beoordeelt hoe de vakantie- en feestdagenregeling zal worden ingevuld, waarbij ook [minderjarige] en de moeder betrokken zullen.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en E.J.M. van Engelen en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier
Beoordeling
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.9.2.
Het hof is van oordeel dat overeenkomstig het advies van de raad en de GI, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] thans bij de moeder moet worden bepaald. Hieronder zal het hof dit toelichten.
3.9.3.
Vooropgesteld wordt dat de advocaat zich tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op het punt van de hoofdverblijfplaats namens de vader alsnog heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het staat vast dat [minderjarige] sinds omstreeks februari 2024 al regelmatig en met instemming van de GI maar wetenschap van de vader bij de moeder verbleef. Sinds november 2024 woont [minderjarige] feitelijk weer volledig bij de moeder. De vader is hiervan wel op de hoogte. [minderjarige] heeft een turbulente periode achter de rug met meerdere wisselingen in zijn woonsituatie. Het hof heeft zorgen over de feitelijke gang van zaken sinds de bestreden beschikking. Het is de ouders niet gelukt, met de hulp van de GI, voor [minderjarige] een stabiele woonsituatie te bieden van waaruit hij met de andere ouder vrij contact kan hebben. Op dit moment heeft [minderjarige] met de vader geen enkel contact. Ook gaat [minderjarige] op dit moment niet meer naar school. Tijdens de mondelinge behandeling is echter ook gebleken dat [minderjarige] sinds hij weer bij de moeder woont positieve stappen zet en de ruimte heeft gekregen om zich te ontwikkelen. [minderjarige] is weerbaarder geworden en heeft meer rust in zijn hoofd. De GI ziet een heel andere [minderjarige] dan een paar maanden geleden. Er wordt ingezet op verder onderzoek om goed in beeld te krijgen wat de mogelijkheden en beperkingen zijn voor een nieuwe school. Inmiddels is ook adequate hulpverlening ingezet voor zowel [minderjarige] als de ouders waaronder [instantie 1] en systeemtherapie. Het hof acht het, ondanks de zorgen die het hof houdt, vooral van belang dat deze positieve lijn verder doorzet en dat er voor [minderjarige] rust komt. Gelet op deze omstandigheden acht het hof het op dit moment in het belang van [minderjarige] wenselijk dat hij overeenkomstig de feitelijke situatie zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
3.9.4.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en het inleidende verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats alsnog afwijzen. Dat betekent dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft.
Zorgregeling
3.9.5.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.9.6.
Met een wijziging van de hoofdverblijfplaats verandert ook de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Ten aanzien van de zorgregeling overweegt het hof als volgt.
3.9.7.
Het hof zal het verzoek van de raad om aanhouding afwijzen. Van belang is dat er contact komt tussen [minderjarige] en de vader. Te meer omdat [minderjarige] zelf ook aangeeft dat hij contact wil met de vader. Hij heeft de vader inmiddels gedeblokkeerd op zijn telefoon en de vader komt regelmatig bij de voetbal van [minderjarige] kijken. Het is belangrijk dat in het traject naar contactherstel het tempo van [minderjarige] wordt gevolgd. [minderjarige] is bijna 16 jaar en heeft belang bij rust en duidelijkheid. Een aanhouding van de beslissing leidt ertoe dat onzekerheid en onduidelijkheid blijft bestaan. Dat is niet in zijn belang. De samenwerking tussen de ouders en de GI verloopt momenteel goed en de eerste stappen voor hulpverlening en contactherstel zijn gezet. Beide ouders spreken uitdrukkelijk het vertrouwen uit dat het onder leiding van deze GI lukt om tot contactherstel te komen en beide ouders staan achter het contact tussen [minderjarige] en de andere ouder. Gelet op deze omstandigheden en in aanmerking nemende de leeftijd van [minderjarige] ziet het hof de meeste kans van slagen om tot een duurzaam contactherstel tussen [minderjarige] en de vader te komen door de regie over de omgang bij de GI te beleggen.
3.9.8.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen ten aanzien van de zorgregeling en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen een zorgregeling bepalen waarbij, kort gezegd, de regie bij de GI ligt.