Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2025:1401
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
10,063 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.352.822/01
arrest van 20 mei 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: mr. S.B.P. van Kuetsem te 's-Hertogenbosch.
op het bij exploot van dagvaarding van 20 maart 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 februari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de moeder als gedaagde en de vader als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 8;
de memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep met producties 9 tot en met 16;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie 8.
de brief van de advocaat van de man d.d. 16 april 2025 met productie 17;
het H12 formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 25 april 2025 met productie 9;
de mondelinge behandeling, gehouden op 30 april 2025, waarbij zijn verschenen de moeder (digitaal), bijgestaan door mr. Boelhouwer, de vader bijgestaan door mr. Van Kuetsem en [persoon A] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
In het principaal en incidenteel hoger beroep:
3.1.
In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in het voorjaar van 2024 is verbroken.
Partijen zijn de ouders van: [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
Vader heeft [de minderjarige] erkend. Moeder heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
Moeder is samen met [de minderjarige] bij haar moeder ingetrokken nadat de relatie tussen partijen was beëindigd.
Tussen vader en [de minderjarige] is enkele keren omgang geweest.
Moeder heeft op 15 mei 2024 aangifte gedaan tegen vader van bedreiging op 13 mei 2024. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de politie op 16 mei 2024 een melding bij Veilig Thuis gedaan. Veilig Thuis heeft vader bij brief van 30 mei 2024 laten weten dat zij vervolgstappen richting vader vooralsnog niet noodzakelijk acht.
Op 2 juli 2024 heeft moeder aangifte gedaan tegen de vader van zware mishandeling, gepleegd tussen 1 oktober 2017 en 1 maart 2024. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de politie op 2 en 3 juli 2024 wederom een melding gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft moeder bij brief van 5 juli 2024 laten weten dat betrokkenheid van Veilig Thuis nodig is.
Op 21 juli 2024 hebben partijen via WhatsApp contact gehad. Moeder heeft daarbij laten weten dat zij en [de minderjarige] op dat moment niet in Nederland verbleven en dat zij met Veilig Thuis en Wij [locatie] in contact was over het tot stand brengen van een geschikte omgangsregeling.
Op 31 juli 2024 heeft moeder aangifte gedaan tegen vader van stalking, gepleegd tussen 1 maart 2024 en 1 juli 2024. Op 5 augustus 2024 heeft moeder een aanvullende verklaring afgelegd. Naar aanleiding van de aangiftes van moeder heeft de politie vader op 13 augustus 2024 aangehouden.
Vader verbleef drie dagen in voorlopige hechtenis. Bij bevel van 16 augustus 2024 is de voorlopige hechtenis geschorst. Aan deze schorsing zijn (onder meer) de volgende bijzondere voorwaarden verbonden:
“7 De verdachte meldt zich op binnen 3 werkdagen na het ingaan van de schorsing hij Reclassering
Nederland (…) De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de
reclassering dal nodig vindt.
8 Indien door de toezichthouder wordt geïndiceerd laat verdachte zich behandelen door de GGzE of
een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte werkt mee aan een intake en aan het mogelijk te indiceren behandelaanbod. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
9 Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze direct contact met het aangever in deze zaak [appellante]
( [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, met
uitzondering van eventueel contact tijdens het kortgeding van 26 september 2024.
10 Verdachte bevindt zich niet in een straal van 500 meter van de [adres] te [plaats] zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt "
Na de schorsing heeft vader zich naar eigen zeggen gemeld bij de huisarts teneinde een vrijwillige behandeling te ondergaan. Er hebben inmiddels drie intakegesprekken plaatsgevonden bij GGzE ‘De Woenselse Poort’.
Tijdens de mondelinge behandeling op 26 september 2024 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt:
“1. Met ingang van maandag 30 september 2024 zal vader iedere maandag om 19.00 uur een
rechtstreeks beeldbelcontact hebben met [de minderjarige] via de telefoon van [de minderjarige] . [persoon B] zal voor het einde van deze week aan mr. Van Kuetsem opgave doen van het telefoonnummer waaronder [de minderjarige] is te bereiken. Moeder is tijdens deze beeldbelcontacten niet in de kamer waar [de minderjarige] met vader belt aanwezig
2. Vader zal met [de minderjarige] zich uitsluitend richten op zaken die bezien vanuit de positie van het kind voor
[de minderjarige] van belang zijn en hij zal nadrukkelijk niet informeren naar de verblijfplaats van moeder of andere zaken aan de orde stellen waar hei kind buiten staat
3. Met ingang van oktober 2024 zal moeder iedere twee maanden, telkens op de vijftiende van de
betreffende maand, vader per e-mail informeren over het wel en wee van [de minderjarige] (algemene informatie, zijn gezondheid, schoolprestaties en ervaringen op school, de hobby's waaronder sporten) kortom alles in het leven van [de minderjarige] wat voor een ouder van belang is om te weten. Moeder zal haar bericht telkens vergezellen van tenminste vier foto’s die in de loop van de twee achterliggende maanden zijn gemaakt Moeder zal de informatieberichten sturen naar het e-mailadres van de advocaat van vader, mr. Van Kuestem ( ) Mr. Van Kuetsem zorgt ervoor dat dn bericht dan zo spoedig mogelijk naar haar client wordt doorgezonden (…)”
Vader en [de minderjarige] hebben wekelijks beeldbelcontact met elkaar gehad, met uitzondering van 28 oktober 2024 en 30 december 2024.
Moeder verbleef een aantal maanden in Frankrijk met [de minderjarige] . Zij heeft zich inmiddels permanent gevestigd in [woonplaats] . Zij heeft zich laten uitschrijven uit het BRP in Nederland en [de minderjarige] gaat inmiddels in [woonplaats] naar school.
Procesverloop
3.2.
In de onderhavige procedure vordert vader, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. moeder te verbieden om met [de minderjarige] naar het buitenland te verhuizen, dan wel
buiten een straal van 30 kilometer van de woning van vader, op straffe van
verbeurte van een dwangsom;
II. voor zover moeder is verhuisd: moeder te gebieden om binnen twee weken
na betekening van dit vonnis terug te verhuizen naar [plaats] , althans naar
een woning binnen een straal van 30 kilometer van de woning van vader, op
straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. te bepalen dat tussen vader en [de minderjarige] de volgende voorlopige omgangsregeling
zal gelden:
Primair:
- iedere woensdag na school tot aan donderdag naar school;
- om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur, dan wel maandag
naar school;
- althans een door de voorzieningenrechter passend geachte voorlopige
omgangsregeling vast te stellen tussen vader en [de minderjarige] ;
Subsidiair:
- iedere maandag om 19.00 uur een rechtstreeks belmoment tussen vader en
[de minderjarige] te gelasten, waarbij vader naar [de minderjarige] belt en waarbij moeder niet in
dezelfde ruimte aanwezig is als [de minderjarige] ;
- althans een door de voorzieningenrechter passend geachte voorlopige
omgangsregeling te bepalen tussen vader en [de minderjarige] ;
IV. te bepalen dat moeder verplicht is om vader eenmaal per twee maanden op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden omtrent [de minderjarige] en vader te raadplegen over te nemen beslissingen;
V. moeder te veroordelen om aan vader een dwangsom te betalen wanneer zij niet voldoet aan het onder III en of IV gevorderde;
VI. moeder te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.
3.3.
Moeder heeft verweer gevoerd.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis:
moeder veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis terug te verhuizen naar een woning in de [regio] ;
moeder veroordeeld om ervoor zorg te dragen dat er iedere maandag om 19.00 uur een rechtstreeks belmoment tussen vader en [de minderjarige] kan plaatsvinden, waarbij vader naar [de minderjarige] belt en waarbij moeder niet in dezelfde de ruimte aanwezig is als [de minderjarige] ;
moeder veroordeeld om vader via de advocaat van vader eenmaal per twee
maanden op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de minderjarige] en vader daarbij tijdig te informeren over voorgenomen belangrijke beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] ;
het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard,
de kosten van de procedure gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
het meer of anders gevorderde afgewezen.
Procesverloop
3.5.
Partijen zijn het niet eens met het bestreden vonnis en zijn daarvan in hoger beroep gekomen.
3.6.
Moeder voert in principaal hoger beroep drie grieven aan. Zij concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis voor wat betreft de veroordeling van moeder om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis terug te verhuizen naar een woning in de [regio] , vanwege de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, dan wel vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de eis van vader dat moeder moet terugverhuizen alsnog af te wijzen.
3.7.
Vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken. Vader wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep.
Ontvankelijkheid
3.8.
Vader voert aan dat moeder handelt in strijd met de goede procesorde. In hoger beroep dienen geen nieuwe feiten te worden aangevoerd die in eerste aanleg al bekend waren. Dat moeder per 1 oktober 2024 een huurovereenkomst is aangegaan en een jaar vooruit heeft betaald, reeds in augustus 2024 in [woonplaats] verbleef, zich heeft ingeschreven in [woonplaats] , [de minderjarige] Franse les volgt, naar school gaat en op voetbal zit, en dat moeder werk heeft was allemaal bekend tijdens de mondelinge behandeling op 30 januari 2025. Moeder heeft de voorzieningenrechter en vader op het verkeerde been willen zetten. Moeder heeft ter zitting alleen aangegeven dat zij zich een week voor de zitting heeft uitgeschreven uit Nederland en dat zij in Frankrijk verbleef. Vader meent dat moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. Als moeder deze feiten in eerste aanleg naar voren had gebracht, dan had de voorzieningenrechter zich daar op dat moment al over kunnen buigen. Vader verwijst naar Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144.
3.9.
Het hof volgt vader niet. Weliswaar blijkt in hoger beroep dat moeder niet in Frankrijk maar in [woonplaats] woonachtig is, maar zij heeft in eerste aanleg wel aangevoerd dat zij niet meer in Nederland verbleef, dat zij zich daar had uitgeschreven en dat [de minderjarige] inmiddels naar school gaat. Ook indien moeder kan worden aangerekend dat zij in eerste aanleg niet of niet tijdig de volledige en juiste feiten heeft verstrekt, is in dit geval geen sprake van een dusdanige omissie dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Daarbij komt dat het hoger beroep ertoe strekt eventuele omissies te herstellen. Overigens neemt zulks niet weg dat bij de weging van de relevante feiten en omstandigheden hierop nader kan worden ingegaan.
3.10.
Moeder voert nog aan dat er onvoldoende samenhang is met de oorspronkelijke vordering van de vader om de eisvermeerdering in eerste aanleg, te weten de vordering tot terug verhuizing, in de kortgedingprocedure mee te nemen. De vordering tot terug verhuizing hangt echter naar het oordeel van het hof genoegzaam samen met het verzoek van vader tot omgang met [de minderjarige] , zodat de rechtbank deze eisvermeerdering terecht en op goede gronden heeft toegestaan.
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
3.11.
Onder grief 1 voert moeder aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Ter toelichting voert zij het volgende aan.
Vader heeft zijn vordering tot terug verhuizing ingesteld op 25 oktober 2024. [de minderjarige] had op dat moment zijn gewone verblijfplaats niet meer in Nederland, maar in [woonplaats] .
Het huurcontract is op 1 oktober 2024 ingegaan en de huur is vooruit betaald tot 30 september 2025. Daarvoor verbleef moeder bij haar tante in [woonplaats] . De inschrijving in [woonplaats] kon pas worden gestart nadat de huurovereenkomst was getekend. Moeder heeft een voorlopige verblijfsvergunning.
De thuisscholing van [de minderjarige] , Franse les, is op 7 oktober 2024 gestart en loopt nog door. Hij is per 12 maart 2025 gestart op de basisschool. Sinds 8 oktober 2024 gaat hij naar voetbal en tennis. Moeder werkt vanaf september 2024 als zelfstandig schoonheidsspecialiste. Daarnaast is zij parttime leidinggevende van een housekeeping team.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] niet in een lidstaat van de EU ligt, is Brussel II-ter niet van toepassing. [woonplaats] is aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV) en dat verdrag is van toepassing. Op grond van artikel 5 HKBV heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht, omdat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. De uitzondering van artikel 7 is niet van toepassing omdat moeder alleen het gezag heeft.
Er is onvoldoende samenhang om deze nieuwe vordering in de bestaande kortgeding procedure mee te nemen. De moeder is pas aan de hand van de akte wijziging eis tevens vermeerdering eis d.d. 25 oktober 2024 in staat geweest haar rechten te doen gelden ten aanzien van de terug verhuizing van [de minderjarige] naar Nederland. Moeder verwijst naar Hoge Raad 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1594) en stelt dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd had moeten verklaren om van de nieuwe eis kennis te nemen.
Moeder heeft in eerste aanleg aangegeven dat zij woonachtig was in Frankrijk. Ze heeft niet gezegd dat ze in werkelijkheid in [woonplaats] verbleef. [woonplaats] is praktisch hetzelfde als Zuid-Frankrijk. Ze heeft het niet eerder gezegd omdat [woonplaats] een klein land is en ze bang was en is dat vader haar en [de minderjarige] daar snel kan traceren. In verband met de van toepassing zijnde regelgeving is het echter onvermijdelijk aan te geven waar zij verblijven.
3.12.
In reactie op de grief voert vader het volgende aan. De vordering tot terug verhuizing hangt samen met zijn vordering tot omgang met [de minderjarige] . Pas na de eerste mondelinge behandeling bij de rechtbank is het vader duidelijk geworden dat moeder niet terug zou komen. Op het moment van dagvaarding, 31 juli 2024, stond moeder met [de minderjarige] ingeschreven in Nederland en hadden zij hun gewone verblijfplaats in Nederland. De man was bevoegd om op 25 oktober 2024 zijn eis te wijzigen omdat er nog geen eindvonnis was gewezen en de zaak tot 31 december 2024 was aangehouden. Moeder heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt. De door moeder aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad mist toepassing omdat in onderhavige zaak in eerste aanleg een terugverhuisgebod is gevorderd.
De gewone verblijfplaats is volgens de Hoge Raad ‘de plaats waar het kind de nauwste sociale banden heeft vlak voor zijn overplaatsing’. Dat is Nederland. [de minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte in Nederland gewoond, waar hij dagelijks zijn beide ouders zag. Hij ging in Nederland naar de opvang en zat op boksen. Na de verbreking van de relatie verbleven moeder en [de minderjarige] bij oma (mz). Ook als 25 oktober 2024 als datum voor vaststelling van de gewone verblijfplaats wordt genomen, is de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] Nederland. [de minderjarige] en moeder stonden toen nog ingeschreven in Nederland. Moeder heeft pas op 17 oktober 2024 een verzoek tot inschrijving in [woonplaats] ingediend. Tijdens de zitting op 26 september 2024 gaf moeder aan dat zij nog niet wist wanneer zij terug naar Nederland zou komen.
Vader heeft bovendien vernomen dat moeder begin februari 2025 nog in Nederland was. De vader verwijst naar berichten op snapchat. Moeder zegt dat ze bang is van vader maar kon weten dat deze berichten bij vader terecht zouden komen. Dat de moeder sinds september 2024 als schoonheidsspecialiste werkt blijkt niet uit de door haar overgelegde prod. 7.
Moeder is niet eerlijk geweest. Het kan niet zo zijn dat zij door haar zwijgen en handelen na het vonnis de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zelf kan wijzigen.
Procesverloop
Het gedrag van moeder zou dan immers lonen.
3.13.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van de hoofdregel van artikel 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 (hierna: Brussel II-ter) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. De vordering tot terug verhuizing is op 25 oktober 2024 door vader ingesteld. Het hof dient te beoordelen waar [de minderjarige] op dat moment zijn gewone verblijfplaats had.
3.14.
De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:440 over de vraag waar de gewone verblijfplaats is van een kind overwogen:
“Het hof heeft in rov. 5.5 – in cassatie onbestreden – de juiste maatstaf weergegeven ter beantwoording van de vraag waar de minderjarige ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad – dat wil zeggen op 20 februari 2020 – haar gewone verblijfplaats in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis had. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU houdt deze maatstaf in – kort gezegd – dat de gewone verblijfplaats van een kind een zekere integratie van dat kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt en moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Voorts heeft het HvJEU overwogen dat Verordening Brussel II-bis in dit verband uitgaat van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren.”
3.15.
[de minderjarige] is in Nederland geboren en woonde tot hij vier jaar oud was in Nederland bij zijn ouders. Hij heeft in Nederland familie en een halfbroertje en halfzusje. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 26 september 2024 heeft de moeder verklaard in Frankrijk te verblijven met [de minderjarige] en dat niet duidelijk was wanneer zij met [de minderjarige] weer naar Nederland zou terugkeren. Weliswaar verklaarde moeder ook dat zij met [de minderjarige] in de loop van 2024 naar Marokko is vertrokken en een tijdje bij een tante in [woonplaats] heeft gewoond, maar pas per 1 oktober 2024 heeft moeder een huurwoning in [woonplaats] en pas op 17 oktober 2024 heeft zij een verzoek tot inschrijving te [woonplaats] gedaan. [de minderjarige] ging toen nog niet naar school. Op 25 oktober 2024 was er nog geen verblijfsvergunning aan de moeder en [de minderjarige] verleend, zodat het, gelet op voormelde omstandigheden, op dat moment nog niet althans niet voldoende duidelijk was of het verblijf in [woonplaats] bestendig was. [de minderjarige] was zeker nog niet geworteld in [woonplaats] .
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat [de minderjarige] op 25 oktober 2024 nog zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vordering tot terug verhuizing kennis te nemen.
3.16.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Spoedeisend belang
3.17.
Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.
Terug verhuizing naar Nederland
3.18.
Met grieven 2 en 3 komt moeder op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het noodzakelijk is dat moeder zich vestigt in Nederland, [regio] , om de mogelijkheden tot omgang tussen vader en [de minderjarige] te onderzoeken en dat moeder moet terugverhuizen naar de omgeving van [plaats] . Ter toelichting voert zij het volgende aan.
De uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 mist toepassing omdat ten tijde van het vertrek van moeder en [de minderjarige] geen omgangsregeling was vastgesteld en geen gezagsvoorziening aanhangig was. Er heeft geen omgang plaatsgevonden sinds het uiteengaan van partijen. Het is onjuist dat moeder niet wil meewerken aan het onderzoeken van de mogelijkheden van omgang tussen vader en [de minderjarige] . Dat onderzoek kan ook – digitaal – worden gedaan als [de minderjarige] in [woonplaats] woonachtig is. Ook kan een bijzondere curator worden benoemd of kan moeder een deskundige inschakelen.
Er is sprake van ernstige problematiek: stalking, huiselijk geweld, intieme terreur en dat heeft zijn weerslag op de relatie tussen partijen en daarmee ook op [de minderjarige] . Deze problematiek is (mede) de oorzaak van de huidige weerstand van moeder tegen omgang tussen vader en [de minderjarige] . Terugkeer naar Nederland zal ook niet het door vader gewenste effect – omgang –, hebben.
Vanaf 2017 kenmerkt de relatie van partijen zich door onveiligheid, grensoverschrijdend gedrag en huiselijk geweld door vader. Moeder durfde niet weg, ze was geïsoleerd en bang. Door intieme terreur werd haar afhankelijkheid van vader vergroot en haar weerbaarheid ondermijnd. De impact op [de minderjarige] is groot. Het is een patroon van eisen en dreigen wat niet doorbroken kan worden. Vader vindt dat hij een goede reden heeft voor zijn gedrag, zonder in te zien wat de effecten daarvan kunnen zijn op anderen.
De officier van justitie heeft vader een straat- en contactverbod opgelegd. Dat garandeert de veiligheid van moeder echter niet. Moeder weet uit ervaring dat vader zich daar niet door laat weerhouden. Er staat geen hek om haar huis en zij zal altijd achterom moeten kijken. Dat blijkt ook uit de berichten die vader haar heeft gestuurd. Moeder moest in Nederland continue over haar schouder kijken, op haar hoede zijn, haar familie werd lastiggevallen, haar vrienden werden benaderd/bedreigd. Het hield niet op. Moeder wil niet dat [de minderjarige] leeft in angst. Zij gunt hem een onbezorgde jeugd, waarin hij buiten kan zijn in alle vrijheid. Het is niet de bedoeling dat [de minderjarige] niet weet wie zijn vader is. Ook vanuit [woonplaats] wil moeder de contacten tussen vader en [de minderjarige] onderhouden. Op dit moment is afstand de enige veiligheid die moeder kan bieden.
Het is niet in belang van [de minderjarige] om terug te verhuizen naar Nederland. Moeder en [de minderjarige] wonen in een prettige omgeving in [woonplaats] , in een leuk huis. [de minderjarige] heeft er zijn eigen kamer, gaat naar school, leert de Franse taal, gaat naar sport en heeft vriendjes. Hij is aan het integreren. Het gaat goed met hem. Hij kan vrij zijn. Hij heeft een moeder die niet gestrest en angstig is. Moeder heeft werk, er is een netwerk om op terug te vallen en alles loopt goed. De toekomstplannen van moeder zijn in een vergevorderd en onomkeerbaar stadium.
3.19.
In reactie op de grief voert vader het volgende aan.
Dat moeder in contact stond met Veilig Thuis en Wij [locatie] is niet gebleken. Toegewerkt moet worden naar fysieke omgang. Hiervoor is nodig dat moeder met [de minderjarige] in Nederland verblijft. Het onderzoeken naar de mogelijkheden voor omgang kan niet plaatsvinden als [de minderjarige] in het buitenland verblijft.
Procesverloop
Moeder heeft ook niet aan kunnen geven op welke manier verantwoorde omgang tussen vader en [de minderjarige] tot stand gebracht zou kunnen worden zolang moeder met [de minderjarige] in Frankrijk verblijft.
Vader staat open voor begeleide omgang. Hij heeft drie intakegesprekken gehad bij De Omslag in het kader van de behandelverplichting op grond van de schorsingsvoorwaarden. Inmiddels heeft vader ook twee behandelgesprekken gehad. Het doel is omgaan met stress en frustraties zonder dat dit tot conflicten met anderen leidt. Ook is er aandacht voor hoe vader kan kiezen voor een relatie die positief stimulerend is. Vader is actief bezig met de behandelingen.
Dat er sinds het uiteengaan geen omgang heeft plaatsgevonden is omdat moeder vader deze kans niet gunt. Zij houdt [de minderjarige] bij vader weg door naar het buitenland te vertrekken. Het wordt vader onmogelijk gemaakt om een rol in het leven van [de minderjarige] te vervullen.
De strafzaak van vader is nog niet inhoudelijk behandeld. In het kader van de onschuldspresumptie moet worden gesteld dat vader onschuldig is, tot het tegendeel is bewezen. Vader heeft een andere beleving van wat er tijdens de relatie is gebeurd. Van intieme terreur was geen sprake. Overigens heeft moeder zelf ook vaak dreigende berichten naar vader gestuurd. Vader reageert in zijn berichten op het feit dat hij zijn zoon niet te zien krijgt van moeder.
Vader wil geen contact met moeder. Er is sprake van een straat- en contactverbod. Moeder heeft een AWARE knop. Daardoor kan vader geen fysiek contact zoeken met moeder. Als moeder zich nog steeds onveilig zou voelen, kan zij ook naar een safe house gaan. Er zijn genoeg waarborgen voor moeder om ook in Nederland veilig te zijn. Hiervoor is niet noodzakelijk dat zij naar [woonplaats] verhuist en [de minderjarige] bij vader weghoudt. Vader betwijfelt of moeder daadwerkelijk zo bang is voor hem. Zij is in februari 2025 nog in Nederland geweest en heeft daar op haar social media berichten over geplaatst.
Niet is gebleken dat omgang tussen vader en [de minderjarige] onveilig zou zijn. Gekeken moet worden hoe partijen geen contact met elkaar kunnen hebben in het contact tussen vader en [de minderjarige] .
[de minderjarige] groeit op in [woonplaats] zonder zijn vader en halfbroer en halfzus. [de minderjarige] had in Nederland zijn basis, hij zat hier op sport en ging naar de opvang. Het kan niet zo zijn dat moeder tegen het vonnis in [de minderjarige] in [woonplaats] houdt. [de minderjarige] gaat nog maar kort naar school in [woonplaats] (12 maart 2025). Hij is jong en zal snel wennen op een nieuwe school in Nederland. [de minderjarige] spreekt de Nederlandse taal. Dat moeder een veilige basis voor [de minderjarige] in [woonplaats] heeft gecreëerd, blijkt nergens uit.
Het beeldbellen is onvoldoende om een band tussen vader en [de minderjarige] op te bouwen. Vader heeft het idee dat moeder bij de beeldbelmomenten aanwezig is. [de minderjarige] en vader kunnen samen geen dingen ondernemen, herinneringen opbouwen of elkaar fysiek vasthouden. Dat is wel nodig voor de hechting / goede band tussen [de minderjarige] en vader. Zij hadden voor het verbreken van de relatie van partijen ene goede band en [de minderjarige] was erg gehecht aan vader.
Nu gebleken is dat moeder ondanks het vonnis van de voorzieningenrechter niet meewerkt aan terug verhuizing, verzoekt vader het hof om alsnog een dwangsom op te leggen.
3.20.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de vordering tot omgang en de vordering tot terug verhuizing samenhangen en dat het van belang is om de behandeling bij de rechtbank in de bodemzaak die vader is gestart af te wachten. De raad verwacht dat er onderzoek zal worden gedaan naar de mogelijkheden voor omgang tussen vader en [de minderjarige] . Daarin moet het behandelplan van vader en hoe hij zich ontwikkelt in zijn therapie worden meegenomen. Hoewel het vervelend is voor vader, gaat [de minderjarige] naar school in [woonplaats] en heeft hij daar zijn sport. Voor nu adviseert de raad om [de minderjarige] in [woonplaats] te laten blijven. Ook als hij daar is kan de raad onderzoek doen. Als de raad adviseert dat omgang mogelijk is, dan zou dat via een omgangshuis kunnen lopen. Dan is het onhandig dat [de minderjarige] in [woonplaats] woont. Op dit moment is echter niet te zeggen of op dat punt wordt uitgekomen.
3.21.
Het hof stelt vast dat moeder ten tijde van de verhuizing (in oktober 2025) met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] was belast. Dit betekent dat moeder de bevoegdheid heeft om [de minderjarige] naar eigen inzicht te verzorgen en op te voeden. Dit recht omvat mede het bepalen van de woonplaats van [de minderjarige] .
3.22.
De bevoegdheden van moeder worden begrensd door, althans de moeder dient bij het gebruik van haar bevoegdheden rekening te houden met haar verplichting om als gezaghebbende ouder de ontwikkeling van de banden tussen [de minderjarige] en vader te bevorderen. Aan een beslissing tot verhuizing van moeder kan in het licht van deze uitgangspunten in de weg staan dat de belangen van [de minderjarige] ernstig in het gedrang zouden komen of de ontwikkeling van de banden tussen [de minderjarige] en vader ernstig zou worden geschaad. De Hoge Raad overweegt in dat kader in de uitspraak van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513):
“3.1.2 Uitgangspunt is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat ook door art. 9 lid 3 IVRK en art. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.2 Art. 1:247 lid 3 BW bepaalt in dat verband dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze norm richt zich zowel tot ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, als tot de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
(…)
3.1.4
Opmerking verdient dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW). Op grond van art. 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat zodanige maatregel minder ingrijpend is dan de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de andere ouder, waarin de wet uitdrukkelijk voorziet (art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253c leden 1 en 3 BW).”
3.23.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 26 september 2024 afspraken gemaakt over de omgang tussen vader en [de minderjarige] . Zij hebben een wekelijks beeldbelcontact afgesproken. Deze omgangsregeling is door de verhuizing naar [woonplaats] niet in het geding gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen bevestigd dat zij nog altijd uitvoering geven aan het beeldbelcontact.
Van een fysieke omgangsregeling tussen vader en [de minderjarige] is op dit moment geen sprake. Wel is vader een bodemprocedure gestart om tot een fysieke omgangsregeling te komen. Een raadsonderzoek naar de mogelijkheden van een omgangsregeling komt door de verhuizing naar [woonplaats] niet in het geding nu moeder en [de minderjarige] wel digitaal bereikbaar zijn.
Procesverloop
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aangegeven dat een digitaal onderzoek mogelijk is. Moeder heeft verder aangegeven bereid te zijn om met [de minderjarige] naar Nederland te vliegen voor een omgangsregeling.
3.24.
Het is op dit moment nog onduidelijk of er daadwerkelijk fysieke omgang tussen [de minderjarige] en vader aan de orde kan en zal zijn. Vader kan er niet omheen dat er aangiftes tegen hem zijn gedaan van stalking, mishandeling en (ernstige) bedreiging ter zake waarvan vader in voorlopige hechtenis is genomen. De omstandigheid dat deze voorlopige hechtenis is geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden doet aan de ernst van de verdenking niet af. Vader vindt deze voorlopige hechtenis belachelijk en ontkent de beschuldigingen. Vader snapt dat de door hem verstuurde appjes en berichtjes naar moeder niet handig waren. Volgens vader is moeder alleen maar naar de politie gegaan omdat vader de onderneming van partijen heeft laten liquideren. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft vader de indruk gewekt de beslissing van de rechter ten aanzien van de voorlopige hechtenis en de aangiftes van moeder niet serieus te nemen. Dat baart het hof zorgen, mede gelet op de inhoud en toonzetting van de door vader gestuurde berichten naar moeder.
3.25.
Tussen partijen loopt geen bodemprocedure over de verhuizing. Wel vindt nog deze maand in de bodemprocedure over onder meer de omgang bij de rechtbank een mondelinge behandeling plaats. De raad heeft aangegeven waarschijnlijk te zullen adviseren om in verband met de omgang een onderzoek te gelasten, waarvoor het verblijf van de moeder en [de minderjarige] in Nederland niet nodig is. De raad geeft verder aan dat nog niet duidelijk is waartoe dit zal leiden.
Op grond van voorgaande omstandigheden is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat het verblijf van de moeder met [de minderjarige] in [woonplaats] omgang tussen de vader en [de minderjarige] in de weg staat en blijvend in de weg zal staan.
3.26.
Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, waarbij niet duidelijk is of en zo ja in welke vorm een fysieke omgangsregeling tussen vader en [de minderjarige] tot stand komt, van moeder, met eenhoofdig gezag belast, niet kan worden verlangd dat zij thans met [de minderjarige] terug verhuist naar Nederland. Op dit moment kan dan ook niet worden aangenomen dat vader een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening tot terug verhuizing heeft. Het feit dat het risico bestaat dat door tijdsverloop geworteldheid van [de minderjarige] in [woonplaats] kan ontstaan, kan voorshands niet tot een ander oordeel leiden.
3.27.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van moeder slagen. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter dan ook vernietigen ten aanzien van de veroordeling tot terug verhuizing. De vordering van vader daartoe wordt alsnog afgewezen.
3.28.
Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren nu partijen een affectieve relatie hebben gehad.
4De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2025 voor zover moeder is veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis terug te verhuizen naar een woning in de [regio] ;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af de vordering van vader tot terug verhuizing van moeder naar een woning in de [regio] ;
verklaart vader niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, E.P. de Beij en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2025.
griffier rolraadsheer