Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1371
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,865 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.348.566/01
zaaknummer rechtbank : C/03/324173 / FA RK 23-4250
beschikking van de meervoudige kamer van 15 mei 2025
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.P.A.M. Haerkens-Vlemmix.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 27 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 25 november 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 27 augustus 2024.
2.2.
De man heeft op 28 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 12 augustus 2024;
- het procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 20 december 2024;
- het V6-formulier d.d. 13 maart 2025 van de advocaat van de man met als bijlagen producties 5 tot en met 7;
- het V-6 formulier d.d. 17 maart 2025 van de advocaat van de vrouw met als bijlagen producties 1 en 2.
2.4.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn mening kenbaar te maken aan het hof. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2025 plaatsgevonden. De vrouw is (met bericht van verhindering) niet naar de mondelinge behandeling gekomen maar de advocaat van de vrouw is wel verschenen. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008, hierna [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013, hierna: [minderjarige 2] ;
hierna samen te noemen: de kinderen.
De man en de vrouw hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
3.3.
Bij beschikking van 10 juni 2021 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 juni 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
3.4.
In voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank beslist dat het door de man en de vrouw overeengekomen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant van 18 mei 2021 deel uitmaken van de beschikking.
In het echtscheidingsconvenant zijn de man en de vrouw onder meer het volgende overeengekomen:
“4. Kinderalimentatie
De man kan momenteel, gezien zijn draagkracht, geen bijdrage leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarige kinderen. Partijen stellen vast dat er aan de zijde van de kinderen wel behoefte bestaat aan een dergelijke bijdrage. Gelet op de hoogte van het huidige maandelijkse netto-inkomen van de man en het feit dat de man maandelijks aflost aan de gemeenschappelijke schulden van partijen, bestaat er momenteel echter aan de zijde van de man geen enkele draagkracht. In geval van wijziging van omstandigheden kan de meest gerede partij alsnog maatregelen nemen om een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen dan wel te laten vaststellen.
Partijen hebben in het ouderschapsplan wel afspraken gemaakt omtrent de verdeling van de kosten van de kinderen.”.
In het ouderschapsplan zijn de man en de vrouw onder meer het volgende overeengekomen:
“Artikel 7 Kinderalimentatie
Artikel 7.1 Kosten van de kinderen
De kosten van de kinderen zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 475,00 voor de kinderen samen (uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning van € 2.500,00) en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen.
Artikel 7.2 Kinderalimentatie
Ouders komen overeen dat vader momenteel geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen. Vader heeft een inkomen van € 1.681,25 netto per maand, inclusief vakantiegeld. Echter gelet op de maandelijkse aflossing van gemeenschappelijke schulden is vader thans financieel niet in staat een bijdrage te leveren.
Ouders komen hierbij wel overeen dat zij de kosten van de kinderen, waaronder wordt begrepen maar niet uitputtend: schoolkosten, schoolboeken, schoolreisjes, medische kosten, tandartskosten, aanschaf van fietsen, laptop en dergelijke, gezamenlijk zullen voldoen naar rato van hun inkomsten. De aanschaf van dergelijke spullen zal pas geschieden na onderling overleg en toestemming.”.
3.5.
De man heeft uit een latere relatie nog twee kinderen, te weten [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 18 mei 2021 en de echtscheidingsbeschikking van 10 juni 2021, gewijzigd en bepaald dat deze kinderalimentatie vanaf 8 november 2023 € 25,- per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2024 € 26,55 per maand.
4.2.
De vrouw verzoekt het hof, na verduidelijking van het verzoek tijdens de mondelinge behandeling, om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw in eerste aanleg alsnog toe te wijzen (om de man te veroordelen om met een bedrag van € 300,- per maand per kind bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, inclusief verblijfsoverstijgende kosten, met ingang van 24 juni 2021), althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum vast te stellen als het hof juist acht.
4.3.
De grieven van de vrouw zien op de ingangsdatum, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw.
Motivering
Wijziging van omstandigheden
5.1.
Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de eerder in het convenant en ouderschapsplan van 18 mei 2021 gemaakte afspraak opnieuw dient te worden beoordeeld.
Ingangsdatum
5.3.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting heeft bepaald op 8 november 2023.
De vrouw verzoekt als ingangsdatum te hanteren de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 24 juni 2021, althans in ieder geval september 2022, toen de man door de vrouw is aangeschreven.
5.4.
De man is van mening dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum heeft bepaald op 8 november 2023. De vrouw heeft na de echtscheiding nog tweeëneenhalf jaar gewacht met het indienen van een verzoek. De man werd verrast door de indiening van het verzoekschrift en door de hoogte van het verzochte bedrag. Ook ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was hij feitelijk nog niet in staat om zijn (eventuele) bijdrage echt goed vast te stellen, aangezien ieder inkomensbewijs van de vrouw zelf ontbrak en pas veel later in de procedure werd getoond. Indien er verdergaande terugwerkende kracht wordt verleend (vanaf 24 juni 2021) zou de man nog verder in financiële problemen raken.
5.5.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof ziet in hetgeen door de vrouw in hoger beroep is aangevoerd, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de man, geen aanleiding om af te wijken van de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen ingangsdatum, zijnde de datum van de indiening van het verzoekschrift (8 november 2023).
Hoogte behoefte kinderen
5.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2021 € 237,50 per kind per maand bedroeg.
Draagkracht
5.7.
De rechtbank is bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.506,- per maand.
5.8.
Tegen dit oordeel van de rechtbank richten zich de eerste en de tweede grief van de vrouw. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de verdiencapaciteit aan de zijde van de man. De man werkt op dit moment niet en geniet een WIA-uitkering van het UWV. Er zou inmiddels een herkeuring hebben moeten plaatsgehad en de man is gehouden de meest actuele informatie dienaangaande in het geding te brengen.
Voorts heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de draagkracht van de man te vermeerderen met een bedrag van € 100,- per maand. De man heeft niet of nauwelijks bijgedragen in de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. Deze kosten heeft de vrouw voor haar rekening genomen. Om verdere discussie te voorkomen heeft de vrouw verzocht dit te corrigeren door de draagkracht van de man met voornoemd bedrag te vermeerderen. De vrouw bestrijdt dat dit een nakomingsvordering is, zoals de rechtbank heeft geoordeeld.
5.9.
De man voert verweer. Hij stelt dat er geen herkeuring heeft plaatsgevonden en dat hij nog steeds een WIA-uitkering ontvangt. De inkomenssituatie en het inkomen van de man zijn ongewijzigd.
Tot 21 januari 2025 becijfert de man zijn draagkracht op het minimum van € 50,- per maand.
Sinds 21 januari 2025 woont de man bij zijn vader in. Er hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met zijn forfaitaire woonlast maar met het normbedrag voor kost en inwoning ad € 198,- per maand. De man becijfert zijn draagkracht vanaf 21 januari 2025 op € 78,- per maand, te verdelen over vier kinderen. Feitelijk is zijn draagkracht echter lager omdat hij ook schulden dient af te lossen.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om de draagkracht met € 100,- te verhogen terecht afgewezen. De man beschikt niet over extra draagkracht per maand. Zijn inkomen is maatgevend bij het berekenen van de draagkracht en dat wordt gevormd door zijn uitkering.
5.10.
Het hof oordeelt als volgt.
Het beoordelingskader van het hof ten aanzien van de draagkracht van de man door het hof wordt begrensd door de ondergrens van € 25,- per maand met ingang van 8 november 2023 en van € 26,55 per maand met ingang van 1 januari 2024 die de rechtbank heeft vastgesteld.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is voldoende vast komen te staan dat de man nog steeds een (volledige) WIA-uitkering heeft, dat er (nog) geen herkeuring heeft plaatsgehad en dat een dergelijke herkeuring voorlopig niet aan de orde is. Al ten tijde van het sluiten van het convenant waren er schulden waarop de man diende af te lossen, waarmee bij het bepalen van zijn draagkracht rekening is gehouden. Om die reden heeft de rechtbank de bijdrage van de man voor de twee kinderen van partijen tezamen bepaald op de bedragen zoals hiervoor genoemd.
De man stelt dat onverminderd rekening moet worden gehouden met zijn (aflossing op zijn) schulden. De vrouw heeft het bestaan van deze schulden niet betwist.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bij de berekening van de draagkracht rekening gehouden met alle schulden, tenzij deze onnodig zijn aangegaan of de mogelijkheid bestaat van de schuld bevrijd te worden. Niet gesteld of gebleken is dat de man de schulden onnodig is aangegaan of dat de man de mogelijkheid heeft om zich van deze schulden te bevrijden.
Gelet op het voorgaande zal ook het hof rekening houden met de (aflossing op de) schulden van de man, zodat de man niet meer kan bijdragen dan de bijdrage zoals de rechtbank heeft beslist.
Zelfs indien er al aanleiding is de draagkracht te verhogen met € 100 wegens door de vrouw betaalde verblijfsoverstijgende kosten, hetgeen gemotiveerd is betwist, volgt uit het voorgaande reeds dat daarvoor geen ruimte meer bestaat aan de zijde van de man.
De overige grieven behoeven derhalve geen bespreking meer.
6De slotsom
in het hoger beroep:
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 27 augustus 2024;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en E.P. de Beij, en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.P. de Beij op 15 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.