Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:1174
Strafrecht
Hoger beroep
8,361 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000787-24
Uitspraak : 14 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-227035-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit, het onder 1 tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken in bezit hebben’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 560,58, bestaande uit € 60,58 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil. Tot slot is ten behoeve van [slachtoffer] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren in combinatie met een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.560,80, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten behoeve van [slachtoffer] de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde en dat de benadeelde partij [slachtoffer] bijgevolg niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd en tevens omdat de causaliteit tussen het gestelde psychische letsel en het tenlastegelegde ontbreekt.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 2 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte evenwel geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit tegen deze vrijspraak is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:
in of omstreeks de periode van 01 oktober 2021 tot en met 07 maart 2022 te Valkenswaard, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens), afbeeldingen, te weten (een) foto('s) en/of (een) video('s) en/of (een) film(s) en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten een iPhone 8 (met goednummer 709498), van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven, in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedraging(en) – zakelijk weergegeven – bestond(en) uit het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk de (ontblote) borsten van die persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling ((onder andere) omschreven op pag. 194 van het proces-verbaal bevindingen met proces-verbaalnummer Ekster/OBRBC21073-20, onder vermelding van beschrijving kinderpornografie (bestandsnaam [bestandsnaam] ) en tevens opgenomen op pag. 5 van de toonmap behorende bij proces-verbaal nr. Ekster/OBRBC21073-20);
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 30 december 2021 in Nederland een gegevensdrager, te weten een iPhone 8 (met goednummer 709498) bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , is betrokken, zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedraging – zakelijk weergegeven – bestond uit het gedeeltelijk naakt posteren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding die niet bij haar leeftijd past, waarbij nadrukkelijk de ontblote borsten van die persoon in beeld gebracht worden, waardoor de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, op ambtseed opgemaakt onder registratienummer PL2100- 2021095275 door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier en gecertificeerd zedenrechercheur, gesloten d.d.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 20 (twintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. drs. A. Burgmeijer, griffier,
en op 14 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
30 augustus 2022, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-275. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2022, dossierpagina’s 188-189, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
(pagina 188)
Proces-verbaalnummer: Ekster/Obrbc21073-19Op 7 maart 2022 werden er bij [verdachte] een aantal goederen in beslag genomen. Daaronder een GSM van het merk Apple, type iPhone 8, (goednummer 709498).Door mij werden in de data uit die GSM drie afbeeldingen aangetroffen van een NN-meisje. Eén van die afbeeldingen werd door mij geclassificeerd
(pagina 189)
als kinderpornografisch. Daarbij zag ik dat op die afbeelding de naam [slachtoffer] stond weergegeven.
Bij nader onderzoek naar de identiteit van het meisje bestond op enig moment het sterke vermoeden dat met [slachtoffer] wordt bedoeld: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Op 15 maart 2022 verscheen voor ons de vader van [slachtoffer] . Ik toonde hem één van de aangetroffen, niet zijnde de kinderpornografische, afbeeldingen. Hij herkende zijn dochter op die afbeelding.
2. Het proces-verbaal van studioverhoor d.d. 23 maart 2022, dossierpagina’s 208-272, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
(pagina 261)
Getuige: Toen ik met [naam] op Amigo (het hof begrijpt: Omegle) zat, vroeg iemand m'n Snapchat en toen heb ik per ongeluk m'n Snapchat gegeven. (...)Getuige: Ehm hoe die heette op Snapchat (...)Getuige: Was [verdachte] (...)Getuige: En hij vroeg aan ons ook om blootfoto's te sturen. En toen hebben we dat gedaan. (...)Verhoorster: Oké. En wat voor blootfoto's heb je van jezelf gestuurd. (...)
(pagina 262)
Getuige: En één bovenlichaam.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2022, dossierpagina’s 194-196, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(pagina 194)
Proces-verbaalnummer: Ekster/OBRBC21073-20Ik, verbalisant, verklaar in aanvulling op proces-verbaal nummer Ekster/Obrbc21073-19 het volgende:Zoals in dat proces-verbaal beschreven werd een kinderpornografische afbeelding aangetroffen van een NN meisje dat werd geïdentificeerd als [slachtoffer] .Op deze afbeelding zie ik een meisje, in de geschatte leeftijd van 12 jaar. Ik zie dat zij met haar rechterhand haar oranje shirtje omhoog trekt. Daardoor zijn haar beide borstjes zichtbaar. Ik zie dat zij in de camera kijkt. Op de afbeelding zie ik de tekst “ [slachtoffer] zojuist” staan.Ik zie dat bij deze afbeelding de volgende informatie is opgeslagen:File info: name: [bestandsnaam] .Path: iPhone 8 van [verdachte] (…)Created: 30-12-2021 16:27:19 (UTC+1)Accessed: 30-12-2021 16:27:19 (UTC+1)Source file: iPhone 8 van [verdachte] (…)
4. Het proces-verbaal van terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, d.d. 19 februari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik ben de gebruiker van de onder mij inbeslaggenomen iPhone 8.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 17 december 2024, voor zover inhoudende:
Ik heb op 30 december 2021 via Snapchat op mijn iPhone 8 een foto ontvangen van [slachtoffer] waarop haar blote bovenlichaam te zien was.
6. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 februari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Tijdens de corona lockdown voelde ik mij eenzaam en zat ik op Omegle. Via die
applicatie kon ik mensen ontmoeten. Op 30 december 2021 ontving ik een naaktfoto via Snapchat. Ik wilde weten wie het was. Aan de hand van die screenshots heb ik haar dezelfde nacht, toen ik op bed lag (naar het hof begrijpt in zijn woning te Valkenswaard), opgezocht.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, in de eerste plaats aangevoerd dat er geen sprake van het ‘in bezit hebben’ van een kinderpornografische afbeelding. Immers, de tenlastelegging ziet op een thumbnailbestand, dat slechts met bijzondere, niet voor consumenten gebruikelijke software, te benaderen is, reden waarom de verdachte geen beschikkingsmacht had over dit bestand. Bovendien valt niet uit te sluiten dat de verdachte de afbeelding direct na binnenkomst heeft verwijderd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de afbeelding gedurende een zekere periode beschikbaar voor zich heeft gehouden. De wil van de verdachte was erop gericht om de kinderporno grafische afbeelding te verwijderen en verwijderd te houden. Voorts is aangevoerd dat het bestanddeel ‘afbeelding’ niet bewezen kan worden verklaard, aangezien een thumbnailbestand niet als zodanig kan worden aangemerkt. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘zich toegang verschaffen door middel van een geautomatiseerd werk of gebruikmaking van een communicatiedienst’. Nu er geen sprake is van een actieve handeling gericht op het verkrijgen van toegang tot kinderpornografische afbeeldingen, in casu het thumbnail-bestand, dient in de visie van de verdediging ook vrijspraak ten aanzien van dit bestanddeel te volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 30 december 2021 op zijn mobiele telefoon via de applicatie Snapchat een foto met een onmiskenbare seksuele strekking heeft ontvangen van [slachtoffer] . [slachtoffer] was op het moment van het maken en versturen van de desbetreffende foto elf jaren oud. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat zij door de verdachte is gevraagd om een blootfoto van zichzelf te sturen.
Het hof stelt op basis van de informatie van de algemeen toegankelijke website van Snapchat vast dat afbeeldingen die door een verzender naar een ontvanger zijn verstuurd, in beginsel automatisch worden verwijderd zodra ze door de ontvanger zijn bekeken. Het is mogelijk deze afbeeldingen op te slaan in het Snapchat-account dan wel er een screenshot van te maken en dit screenshot op te slaan. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen dat dit is gebeurd. Gelet op het vluchtige karakter van deze zogenoemde ‘snaps’, is het hof van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van het in bezit hebben en/of verwerven van kinderpornografisch materiaal. Daarvoor is immers een zekere beschikkingsmacht vereist. Nu de verdachte de blootfoto van [slachtoffer] slechts voor enkele seconden heeft kunnen bekijken, waarna de afbeelding voor hem niet langer toegankelijk was, heeft de verdachte geen beschikkingsmacht gehad over de afbeelding en deze daarmee niet in zijn bezit gehad of verworven. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van deze tenlastegelegde bestanddelen.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft tot de afbeelding waarop het ontblote bovenlichaam van [slachtoffer] te zien is.
Inleiding
Blijkens de wetsgeschiedenis is met de invoering van het bestanddeel ‘zich de toegang verschaffen’ beoogd de strafbaarstelling mede toe te snijden op gevallen waarin sprake is van het door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst kunnen beschikken over en kunnen bekijken van kinderporno, zonder dat tevens sprake is van ‘bezit’, omdat het kinderpornografische materiaal niet door de betrokkene wordt opgeslagen. Er is sprake van ‘zich toegang verschaffen’ indien de verdachte een gedraging verricht die is gericht op het verkrijgen van toegang tot kinderporno. Het opzet van de verdachte dient, al dan niet in voorwaardelijke zin, te zijn gericht op het verkrijgen van die toegang (vgl. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:167).
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte in dit geval opzet gehad op het verkrijgen van de toegang tot kinderpornografisch beeldmateriaal. Het hof acht de verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat zij op verzoek van de verdachte een blootfoto heeft gestuurd, betrouwbaar. Daarentegen acht het hof de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij de foto ongevraagd van [slachtoffer] ontving, terwijl hij nooit (digitaal) contact heeft gehad met die [slachtoffer] , niet geloofwaardig. Het hof heeft zich daarbij in het bijzonder rekenschap gegeven van de omstandigheden dat de verdachte eerder seksueel getinte digitale contacten heeft gehad met een elfjarig meisje (dossierpagina’s 61 en 76), er op de computer van de verdachte (dossierpagina’s 110-115) titels van filmbestanden zijn aangetroffen met kinderpornografisch gerelateerde titels – waarvan diverse bestanden via Windows Media Player waren afgespeeld – en dat de verdachte op zijn computer heeft gezocht op de afkorting ‘pthc’ (het hof begrijpt: pre teen hard core).
Nu naar het oordeel van het hof aldus voldoende is komen vast te staan dat de verdachte de Snapchatgegevens van [slachtoffer] heeft gevraagd, haar om een blootfoto heeft verzocht en dat de verdachte deze foto vervolgens heeft geopend en bekeken, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verdachte meerdere actieve handelingen heeft verricht om zichzelf toegang te verschaffen tot de afbeelding van [slachtoffer] en opzet had op het bekijken daarvan. Dat het op de telefoon aangetroffen bestand een thumbnail-bestand is, maakt een en ander niet anders.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich door middel van een communicatiedienst de toegang verschaffen tot een afbeelding waarop de minderjarige [slachtoffer] te zien was, waarbij nadrukkelijk de ontblote borsten van die [slachtoffer] in beeld zijn gebracht, waardoor de afbeelding een onmiskenbare seksuele strekking had. Met dit handelen heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeften en is hij voorbijgegaan aan de negatieve consequenties die dit kan hebben op het jonge slachtoffer. Dat verdachtes handelen tot op de dag van vandaag impact heeft op [slachtoffer] en haar ouders, wordt bevestigd door de inhoud van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij een ICT-opleiding heeft gevolgd, een fulltime baan heeft in de logistiek en woont in een huurwoning.
Het hof heeft tot slot acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij het zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang tot kinderporno verschaffen wordt als vertrekpunt voor de op te leggen straf uitgegaan van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan een kort gedeelte onvoorwaardelijk, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren. Gelet op de omstandigheid dat de bewezenverklaring ziet op slechts één afbeelding, ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan de straf die door de oriëntatiepunten wordt voorgeschreven en de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.575,58, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen:
€ 60,58 aan reiskosten van het thuisadres naar het politiebureau;
€ 15,00 aan toekomstige reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de terechtzitting;
€ 2.500,00 aan immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 560,58. Het materiële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 60,58 (post i.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Inleiding
Het immateriële deel aan schadevergoeding is bepaald op een bedrag van € 500,00 (post iii. gedeeltelijk), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Het gevorderde bedrag aan toekomstige reis- en parkeerkosten (post ii.) is door de rechtbank afgewezen. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van ernstige psychische schade. Bovendien zou er geen causaal verband zijn tussen het psychische letsel en het tenlastegelegde, aangezien het psychische letsel eveneens zou kunnen zijn veroorzaakt door het contact tussen benadeelde partij [slachtoffer] en [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een man met een kind.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Post i. en post ii.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten van en naar het politiebureau (post i.) en
de toekomstige reis- en parkeerkosten die de benadeelde partij zou moeten maken voor het bijwonen van de terechtzitting (post ii.) niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit (vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:233 en HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690). De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De benadeelde partij is ter terechtzitting bijgestaan door een gemachtigde, zodat op grond van het bepaalde in artikel 238, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gemaakte reiskosten evenmin als proceskosten voor toewijzing in aanmerking komen.
Post iii.
Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Het hof is in navolging van de rechtbank in eerste aanleg van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen indien het bestaan van geestelijk letsel als hiervoor bedoeld niet zou kunnen worden vastgesteld. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat online seksueel misbruik, zoals ook in het onderhavige geval aan de orde is, een ernstige inbreuk kan maken op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers, de seksuele ontwikkeling van slachtoffers kan doorkruisen en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen ervan te kampen kunnen hebben. In dit verband volgt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, zoals opgesteld en ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen door de ouders van de benadeelde partij [slachtoffer] , dat die [slachtoffer] zich tot op de dag van vandaag afsluit van haar omgeving, niet in staat is om te praten over het bewezenverklaarde en dat zij bang is dat de foto die zij via Snapchat naar de verdachte heeft verstuurd, zal worden verspreid. Naar het oordeel van het hof bestaat daarmee, anders dan de verdediging heeft betoogd, een voldoende causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de immateriële schade aan de zijde van de benadeelde partij.
Resumerend is het hof van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden, valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade te worden afgewezen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften