Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1141
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
1,401 tokens
=== VOLLEDIG ===
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.330.074/01
herstelarrest van 22 april 2025
in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg.
Het hof heeft in deze zaak op 25 februari 2025 arrest gewezen.
Bij brief van 10 maart 2025 heeft mr. Huijzer aan de griffier van het hof bericht dat het hem voorkomt dat het dictum van het arrest een kennelijke fout bevat, te weten een proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 5.387,00 in plaats van het in rov. 7.10. berekende bedrag van € 4.103,00.
Bij brief van 10 maart 2025 is mr. De Kramer in de gelegenheid gesteld namens zijn cliënt zijn mening hierover aan het hof kenbaar te maken. Mr. De Kramer heeft van die mogelijkheid bij brief van 20 maart 2025 gebruik gemaakt. Volgens mr. De Kramer vorderde [appellant] in hoger beroep een bedrag ad € 34.796,52 aan vermeende schade, € 42.218,17 aan rente door appellant berekend tot 27 december 2021 en € 1.617,97 aan incassokosten, in totaal daarmee € 78.632,66 + P.M. voor de rente van nadien. Volgens mr. De Kramer behoort de zaak zodoende tot tarief IV en is het hof in het dictum bij het vaststellen van de proceskosten ook uitgegaan van tarief IV, immers 2 punten x € 2.213 = € 4.426 + € 783 + € 178 = € 5.387. Volgens mr. De Kramer had het hof echter niet 2,0 punten, maar 3,0 punten in tarief IV moeten toekennen: voor de mondelinge behandeling na aanbrengen (1 punt), voor de memorie van antwoord (1 punt) en voor de mondelinge behandeling na memorie van antwoord (1 punt).
Mr. De Kramer verzoekt het hof daarom eveneens om verbetering van het arrest, met dien verstande dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van € 7.600 (3 punten x tarief IV = € 6.639 + € 783 + € 178). Mocht het hof overwegen dat de onderhavige procedure in tarief III ingeschaald behoort te worden, dan verzoekt mr. De Kramer het hof om [appellant] dan te veroordelen in de kosten van het hoger beroep van € 5.674 (3 punten x tarief III = € 4.713 + € 783 + € 178).
Het hof is van oordeel dat mr. Huijzer terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een kennelijke fout. Het hof heeft in zijn arrest van 25 februari 2025 over de proceskosten als volgt overwogen:
“7.10. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 783,00
Salaris advocaat € 3.142,00 (2 punten x tarief III)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.103,00”
In strijd daarmee en ten onrechte heeft het hof vervolgens in de beslissing opgenomen:
“8.4. veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep van € 5.387,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, [appellant] dan € 92,00 extra moet betalen, vermeerderd met de kosten van betekening.”
Het bedrag van € 5.387,00 in het dictum onder 8.4. in plaats van € 4.103,00 berust op een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.
Hetgeen mr. De Kramer aanvoert leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van een kennelijke fout. Het hof heeft in rov. 7.10. geoordeeld dat de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] met toepassing van tarief III - en niet van tarief IV - moeten worden vastgesteld, vanwege het feit dat de hoofdsom exclusief de gevorderde wettelijke rente € 34.796,52 bedraagt en derhalve, ook met inbegrip van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.617,97, minder dan € 40.000,00. Van een kennelijke fout in rov. 7.10. van het arrest is geen sprake. Het toekennen van 2,0 punten (en niet 3,0 punten) is het gevolg van de keuze van het hof om voor de mondelinge behandeling na aanbrengen geen punt toe te kennen. Ook dat berust niet op een kennelijke fout.
Het arrest van 25 februari 2025 zal daarom op grond van artikel 31 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering op de volgende wijze worden verbeterd.
Het hof:
bepaalt dat in onderdeel 8.4. van het tussen partijen gewezen arrest van 25 februari 2025 het bedrag van € 5.387,00 moet worden verbeterd en gewijzigd in € 4.103,00;
bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van 22 april 2025 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 25 februari 2025;
bepaalt dat partijen de grosse van het arrest van 25 februari 2025 aan het hof moeten retourneren voor zover zij dat nog niet hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, M. van der Schoor en S.M. Peek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2025.
griffier rolraadsheer