Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-17
ECLI:NL:GHSHE:2025:1116
Strafrecht
Hoger beroep
5,699 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000691-24
Uitspraak : 17 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-331243-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘wederspannigheid’ veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, te voldoen in 10 termijn van elk € 40,00 per maand.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij verlofbeschikking van 28 maart 2024 is bevolen dat de onderhavige zaak ter terechtzitting aanhangig werd gemaakt.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 400,00, subsidiair 16 dagen hechtenis.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is partiële vrijspraak bepleit en is verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 13 december 2023, te Tilburg, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, te weten een hoofdagent en/of twee aspiranten van politie Zeeland-West-Brabant ( [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn/haar bediening, te weten ten tijde van de staande houding van haar, verdachte, en/of het inzichtelijk krijgen van de situatie ter plaatse en/of ten tijde van en/of aanstonds na de aanhouding (op heterdaad) van haar, verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht juncto artikel 2 Wet op de identificatieplicht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enige strafbare feiten, teneinde haar, verdachte, ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar, verdachte, daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist te slaan en/of te stompen en/of te stoten op/tegen de arm en/of het lichaam van die ambtenaar (die [verbalisant 1] ), en/of te trachten zich van die ambtenaren los te rukken en/of te trekken en/of aan/van de grip van die ambtenaren te ontkomen, en/of zich (met kracht) in/naar een andere richting te bewegen dan de richting waarin en/of waarnaar die ambtenaren haar, verdachte, wilden en/of trachtten te bewegen en/of te brengen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 13 december 2023, te Tilburg, zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, te weten een hoofdagent en twee aspiranten van politie Zeeland-West-Brabant ( [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ten tijde van de staande houding van haar, verdachte, en het inzichtelijk krijgen van de situatie ter plaatse en ten tijde van en aanstonds na de aanhouding van haar, verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht juncto artikel 2 Wet op de identificatieplicht, teneinde haar, verdachte, ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar, verdachte, daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, door meermalen, met kracht met gebalde vuist te slaan op de arm van die ambtenaar (die [verbalisant 1] ), en te trachten zich van die ambtenaren los te rukken en aan de grip van die ambtenaren te ontkomen, en zich met kracht in een andere richting te bewegen dan de richting waarin die ambtenaren haar, verdachte, wilden en trachtten te bewegen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het proces-verbaal van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023315864, gesloten d.d. 14 december 2023 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 25), nader te noemen: het dossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] (p. 5-8 van het dossier):
p. 5
Op woensdag 13 december 2023, was ik, verbalisant [verbalisant 1] samen met politiecollega's
[verbalisant 2] en [verbalisant 3] , belast met de toezicht en handhaving in het politiegebied
Tilburg centrum. Op genoemde dag en datum omstreeks 10.05 uur, kregen wij een opdracht om te gaan naar de autosnelweg A58, ter hoogte van hectometerpaal 38.0, linkerbaan. Na ongeveer vijf minuten kwam wij ter plaatse. Ik liep samen met politiecollega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] richting het genoemde voertuig. Ik zag dat er één persoon in het voertuig zat. (…) Vervolgens hoorde ik politiecollega [verbalisant 4] zeggen dat ze geen contact kreeg met de vrouw. Ik hoorde haar zeggen dat ze de vrouw meermaals gevraagd had wat er was gebeurd maar dat de vrouw niet in gesprek wilde gaan met de politie en dat politiecollega [verbalisant 4] moest wachten totdat zij klaar was met telefoneren.
Enkele minuten later zag ik dat politiecollega [verbalisant 2] in gesprek ging met de vrouw. Ik hoorde haar vragen naar het rijbewijs van de vrouw. Ook hoorde ik haar zeggen dat ze de vrouw kon helpen als dat nodig was. Ik hoorde dat de vrouw in verheven stem zei dat ze maar moest wachten.
Ik hoorde politiecollega [verbalisant 2] meermaals vragen naar het rijbewijs of een ander identiteitsbewijs van de vrouw. Ik hoorde dat ze de vrouw meermaals vorderde om een geldig identiteitsbewijs af te geven. Ik zag en hoorde dat de vrouw hier niet op reageerde. Ik hoorde de vrouw schreeuwen dat ze geen hulp wilde en dat ze weg moest gaan.
Ik vroeg haar om haar rijbewijs of haar identiteitsbewijs. Ik hoorde haar schreeuwen dat ze deze wel had maar niet wilde geven. Ik vorderde de vrouw om een geldig identiteitsbewijs af te geven. Ik vorderde haar meermaals. Ik zag en hoorde dat de vrouw hier niet op reageerde.
p. 6
Ik vertelde dat de vrouw aangehouden kon worden als ze hier niet aan voldeed. Ik zag dat de vrouw niet reageerde.
Feiten
De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu de betrokken ambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Daartoe is aangevoerd dat zij niet hebben gehandeld in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair is vrijspraak bepleit van het onderdeel van de tenlastelegging ‘slaan met de vuist’, nu de verdachte dit ontkent en dit slaan enkel wordt benoemd in het proces-verbaal dat is opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] . Derhalve bestaat bij de verdediging niet de overtuiging dat de verdachte zich aan het slaan schuldig heeft gemaakt.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
De verdachte heeft met betrekking tot het handelen van de betrokken verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij in shock was door het auto-ongeluk dat zij kort daarvoor had gehad en dat zij daardoor niet in staat was op de vragen van de verbalisanten te reageren.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. Uit die processen-verbaal blijkt dat de verdachte niet reageerde op het hulpaanbod dat zij kreeg en evenmin op de vragen die de verschillende betrokken verbalisanten aan haar stelden. Ook toen verbalisanten meerdere malen de afgifte van haar rijbewijs of een ander geldig identiteitsbewijs vorderden, gaf de verdachte daar geen gehoor aan. In plaats van mee te werken, schreeuwde zij tegen verbalisant [verbalisant 1] dat ze wel een identiteitsbewijs had, maar dat ze deze niet wilde geven. Het hof is daarmee in het geheel niet gebleken dat de verdachte dermate in shock was dat zij niet in staat was om adequaat te reageren op het optreden van de verbalisanten. Toen de verbalisanten overgingen tot aanhouding van de verdachte op grond van overtreding van de Wet op de identificatieplicht, weigerde zij daaraan mee te werken en wilde zij met kracht haar arm lostrekken, sloeg ze met haar vuist meerdere malen op de rechteronderarm van verbalisant [verbalisant 1] en trachtte ze de gehele tijd van de verbalisanten los te komen. Ook nadat de verdachte geboeid was, zette zij kracht om een andere richting op te lopen dan die waarin de verbalisanten haar trachtten te bewegen, namelijk richting de politiebus om haar ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie naar het arrestantencomplex te vervoeren.
Naar het oordeel van het hof is op 13 december 2023 ook geen sprake geweest van een situatie waarin de verbalisanten niet (meer) werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte zich recalcitrant gedroeg, alsmede dat zij zich met geweld heeft verzet tegen haar aanhouding. Gelet op het vorenstaande hebben de verbalisanten naar het oordeel van het hof dan ook noodzakelijk en proportioneel gehandeld.
Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
wederspannigheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd in verband met haar persoonlijke omstandigheden en de impact en consequenties die de gebeurtenissen van 13 december 2023 hebben gehad op de verdachte. De verdediging heeft aangevoerd dat het opleggen van een geldboete niet passend is in verband met de financiële situatie van de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 13 december 2023 schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid. Het handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. De politie kwam immers ter plaatse na een melding van een gebotste spookrijder teneinde inzicht te krijgen in de situatie en zo nodig hulpverlening te bieden aan de bestuurder, zijnde de verdachte. Het hof rekent de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard, met name nu zij het voor de politieambtenaren door haar verzet feitelijk onnodig lastig, hinderlijk en zelfs bijna onmogelijk heeft gemaakt om hun functie uit te oefenen terwijl zij door haar gewelddadige gedragingen tevens voor hen gevaar heeft veroorzaakt.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 oktober 2024. Daaruit blijkt dat zij voorafgaand aan het tenlastegelegde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Uit hetgeen is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep is het hof met betrekking tot de persoon van de verdachte gebleken dat zij met haar zoontje in een crisisopvang verblijft. Zij heeft een urgentieverklaring gekregen en hoopt snel een woning te kunnen vinden. De verdachte ontvangt een uitkering op grond van de Ziektewet en zij kan lastig rondkomen. Zij kampt verder met psychische problemen en heeft in het afgelopen jaar meerdere keren een beroerte gekregen.
Het hof zal aan de verdachte een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren opleggen, nu het hof oplegging van een geldboete gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet passend acht en bovendien onwenselijk in verband met de financiële situatie van de verdachte en oplegging van een gevangenisstraf mogelijk onwenselijke gevolgen zal hebben voor de zorg voor haar zoontje en zijn schoolgang.
Alles afwegende zal het hof de verdachte veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd of met het door de verdediging verzochte rechterlijk pardon, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt, terwijl naar het oordeel van het hof noch in de persoonlijkheid van de verdachte, noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan of die zich nadien hebben voorgedaan, een reden is gelegen met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht af te zien van oplegging van straf of maatregel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,
en op 17 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Op genoemde dag en datum omstreeks 10.20 uur, zei ik tegen de vrouw dat ze was aangehouden ter zake Wet ID (identificatieplicht). Ik zei tegen de vrouw dat ze uit de auto mocht stappen. Ik zag dat ze dit niet deed. Ik zei tegen de vrouw dat als ze niet meewerkte aan haar aanhouding, ik geweld mocht gebruiken. Ik hoorde de vrouw zeggen: "Houd me maar aan." Toen ik zag dat de vrouw geen aanstalten maakte om de auto uit te komen, pakte ik met beide handen de rechterarm vast van de vrouw.
Ik voelde direct dat de vrouw met kracht haar arm wilde lostrekken. Ik zag dat de vrouw met haar linkerhand een vuist maakte en voelde dat ze met haar vuist 3 à 4 keer op mijn rechter onderarm sloeg. Ik voelde dat dit met enig kracht werd gedaan. Hierop trok ik met politiecollega [verbalisant 2] de vrouw met kracht uit de auto. Ik pakte de linkerarm van de vrouw vast en maakte een overstrekking door haar arm te strekken, tegen haar elleboog te duwen en haar pols naar beneden te duwen. Ik voelde dat de vrouw met kracht probeerde om los te komen. Samen met meerdere politiecollega's drukten wij de vrouw tegen de vangrail. Ik zei tegen de vrouw dat ze moest meewerken. Ik zag dat politiecollega [verbalisant 2] handboeien aanlegde bij de vrouw. De gehele tijd dat ik de vrouw vasthield, voelde ik dat ze kracht zette om los te rukken. Toen beide handen van de vrouw vastzaten met de handboeien, liep ik met de vrouw richting de politiebus. Ik zag en voelde dat ze kracht zette om de andere richting op te lopen. Hierdoor trok ik met kracht aan de handboeien, zodat de vrouw richting de politiebus zou lopen.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1991
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] (p. 9-11 van het dossier):
p. 9
Op woensdag 13 december 2023 omstreeks 10.10 uur was ik, verbalisant [verbalisant 3] , werkzaam als aspirant, samen met aspirant [verbalisant 2] en hoofdagent [verbalisant 1] , allen aangesteld en werkzaam binnen de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant en belast met toezicht en handhaving in de regio Tilburg centrum.
Op woensdag 13 december 2023 omstreeks 10.15 uur kwamen wij ter plaatse aan de A58 ter hoogte van hectometerpaal 28.2 links. Ik zag dat een personenauto op de vluchtstrook stond. Ik zag dat een vrouw op de bijrijdersstoel van dit voertuig zat. Later bleek zij [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] , te zijn.
Ik hoorde dat [verbalisant 1] aan [verdachte] vorderde om haar identiteitsbewijs te overhandigen. Ik hoorde dat [verbalisant 1] tegen [verdachte] zei dat als zij hier niet aan kon voldoen dat ze aangehouden zou worden. Ik zag dat [verdachte] niet aan de vordering voldeed. Op woensdag 13 december 2023 om 10.19 uur hield collega [verbalisant 1] [verdachte] aan voor het niet op eerste vordering tonen van een geldig identiteitsbewijs. Ik hoorde dat [verbalisant 1] tegen de verdachte zei dat ze uit het voertuig moest stappen. De verdachte deed dit niet. Ik hoorde dat [verbalisant 1] waarschuwde voor geweld als ze niet mee zou werken. Ik zag dat de verdachte hier geen gehoor aan gaf. Ik zag vervolgens dat [verbalisant 1] samen met collega [verbalisant 2] de verdachte uit het voertuig trokken. Toen zij uit het voertuig was heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de arm van de verdachte van achteren vastgepakt en heb ik samen met de andere collega's de verdachte naar de vangrail verplaatst. Toen zij tegen de vangrail stond, probeerde ik een armoverstrekking bij de verdachte aan te leggen door haar arm te strekken en haar elleboog tegen mijn borst te duwen. Ik voelde dat de verdachte veel met haar arm bewoog, waardoor ik dit niet kon doen. Ik voelde dat de verdachte haar arm los probeerde te krijgen door haar arm naar haar toe te trekken. Vervolgens ging collega [verbalisant 2] handboeien bij de verdachte aanleggen. Toen [verbalisant 2] dit ging doen voelde ik dat de verdachte haar arm probeerde weg te trekken.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] (p. 12-14 van het dossier):
p. 13
Op woensdag 13 december 2023 om 10.19 uur hoorde ik dat politie-collega [verbalisant 1] tegen de vrouw zei dat ze was aangehouden ter zake van de Wet ID. Ik zag dat de verdachte niet meewerkte aan haar aanhouding. Ik zag dat ze de auto niet uit wilde komen. Ik zag dat politie-collega [verbalisant 1] de verdachte bij haar rechterarm vastpakte en uit de auto probeerde te halen. Ik zag dat de verdachte nog steeds de auto niet uit wilde komen. Ik pakte de verdachte ook bij haar rechterarm vast en we trokken haar uit het voertuig. Toen ik haar vastpakte, voelde ik dat de verdachte met kracht haar arm terug probeerde te trekken. Ik voelde dat de verdachte zich los probeerde te trekken.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] (p. 15 van het dossier):
Vandaag, woensdag 13 december 2023, hoorde ik, verbalisant [verbalisant 5] , samen met collega [verbalisant 6] , een verdachte, genaamd [verdachte] op het cellencomplex aan [adres 2] . Ze gaf aan dat ze niet wilde dat ze werd vastgepakt door de politie en dat ze daarom zich wilde losrukken.
Bewijsoverwegingen