Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-10
ECLI:NL:GHSHE:2025:1070
Strafrecht
Hoger beroep
11,913 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001510-24
Uitspraak : 10 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 24 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-198365-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de verdachte van het hem tenlastegelegde integraal vrijgesproken en de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering benadeelde partij volledig wordt toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juli 2023 te [plaats] , gemeente Asten, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen, in elk geval eenmaal met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) wrijven en/of tikken op/over de vagina van die [slachtoffer] , althans het meermalen, in elk geval eenmaal betasten/aanraken van de vagina van die [slachtoffer] (op de kleding).
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 juli 2023 te [plaats] , gemeente Asten, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) wrijven en/of tikken op/over de vagina van die [slachtoffer] (op de kleding).
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, team zeden & TBKK, registratienummer PL2100-2023160228, gesloten d.d. 1 augustus 2023, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam als hoofdagent (gecertificeerd zedenrechercheur) bij de eenheid Oost-Brabant (doorgenummerde pagina’s 001 tot en met 071).
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 24 mei 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
U vraagt mij wat ik op 20 juli 2023 in het zwembad te [plaats] deed. Ik bezoek daar de sauna en het bubbelbad.(…) Om de tijd te verdrijven doe ik soms een trucje met water. Het kan zijn dat ik met het voordoen van het trucje de handen van [slachtoffer] heb vastgehouden (…).
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2023 (pg. 008 t/m 010), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op donderdag 20 juli 2023 (...) , kregen wij de opdracht (...) om te gaan naar [adres 2] . (...)
Omstreeks 14.40 uur kwamen wij ter plaatse (…). Vrijwel direct kwam [getuige 2] onze kant in. Wij hoorden dat zij tegen ons zei dat er een meisje naar haar toe was gekomen omdat er iets was voorgevallen in het zwembad en dat het meisje helemaal over haar toeren was. (…)
Vlak nadat wij [verdachte] hadden overgedragen aan de collega’s van de andere eenheid kwam [getuige 2] aangelopen met het meisje (…). Wij zagen direct dat het meisje erg emotioneel was. Wij zagen dat het meisje huilde en ons heel voorzichtig aan keek. Wij gaven haar een hand om onszelf voor te stellen. Wij hoorden dat het meisje tegen ons zei dat zij [slachtoffer] heette. Wij vroegen haar waar haar vader was. Wij hoorden dat dat zij tegen ons zij dat hij bij het huisje op de camping was. Wij vertelden tegen [slachtoffer] dat wij samen met haar naar haar vader zouden gaan zodat zij daar kon vertellen wat er was gebeurd. Wij zijn vervolgens met [slachtoffer] en [getuige 2] over het campingterrein naar de vader van [slachtoffer] gelopen. [slachtoffer] is de gehele wandeltocht erg stil geweest en heeft enkel gepraat om te reageren op onze vragen. Wij hoorden dat [slachtoffer] constant aan het snikken was en omlaag keek.
[slachtoffer] wees op een gegeven moment naar haar vader die verderop in het gras zat. Wij liepen vervolgens naar de vader van [slachtoffer] toe. [getuige 2] vertelde tegen de vader van [slachtoffer] dat [slachtoffer] naar haar toe gekomen was omdat een man [slachtoffer] had aangeraakt. Wij vertelden dat wij vervolgens door [getuige 2] gebeld waren en dat wij in het bijzijn van de vader van [slachtoffer] , [slachtoffer] wilde laten vertellen wat er was gebeurd. Wij zagen dat [slachtoffer] direct naar haar vader liep en hem stevig vastpakte. Wij zagen dat [slachtoffer] erg verdrietig was. (...) Wij zijn vervolgens binnen in het huisje gaan zitten. Het bleef eerst even stil. [slachtoffer] was nog steeds in tranen en zei nog niets. De vader van [slachtoffer] gaf aan dat zij mocht vertellen wat er was gebeurd als zij er zelf klaar voor was om het te zeggen. Nadat het even stil was geweest vertelde [slachtoffer] wat er was gebeurd. Wij hoorden dat [slachtoffer] tegen ons zei dat zij in het bubbelbad zat samen met haar vriendin [getuige 1] . Er zat ook een donkere man bij hun in het bubbelbad. Deze man zou hun leren hoe zij trucjes konden doen met hun handen om het water heel hoog te kunnen spetteren. [slachtoffer] voelde toen dat de man met zijn hand over haar been streelde. [slachtoffer] vertelde dat zij dit echt niet fijn vond en daarom het bad uit wilde gaan. Zij voelde dat de man toen weer over haar been streelde en haar vervolgens aanraakte bij haar plekje. Wij zagen dat [slachtoffer] naar haar schaamstreek keek toen ze dit aan ons benoemde. Ze vertelde dat hij vervolgens met zijn duim meerdere malen over haar plekje heen wreef. (...)
[slachtoffer] pakte vervolgens haar grote roze knuffel stevig met twee armen vast. Zijwilde deze knuffel graag meenemen. Wij zijn tegelijk met [slachtoffer] , haar vader en haarbroertje naar Eindhoven gereden.
Feiten
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zake van het tenlastegelegde feit op drie gronden vrijspraak bepleit, te weten:
(primair) dat de verklaringen van het slachtoffer, [slachtoffer] , op onderdelen onbetrouwbaar zijn een daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd;
(subsidiair) dat gelet op het bewijsminimum van artikel 342, lid 2, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen;
(meer subsidiair) dat het aanwezige bewijs onvoldoende overtuigend is om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof overweegt het volgende.
A. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]
In strafzaken moeten aangiftes c.q. verklaringen van slachtoffers kritisch, zorgvuldig en behoedzaam worden bezien. Dit geldt temeer in zedenzaken, waarin doorgaans naast de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte geen zelfstandige getuigenverklaringen voorhanden zijn.
De raadsvrouw van de verdachte heeft erop gewezen dat de verklaringen van [slachtoffer] op essentiële onderdelen niet consistent zijn, tegenstrijdigheden bevatten en daarnaast ook op punten onlogisch en onduidelijk zijn. De tegenstrijdigheden die door de raadsvrouw zijn benoemd zien op het aantal aanrakingen van het been en de schaamstreek van [slachtoffer] , het gebruik van één ofwel twee handen bij het leren van het trucje om water te schieten, het teruggaan in het bubbelbad, het opschuiven in het bubbelbad, het vastpakken van het been van [slachtoffer] bij het verlaten van het bubbelbad en het contact tussen [slachtoffer] en de verdachte op de dag voor het tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van het aantal aanrakingen van het been en de schaamstreek van [slachtoffer] stelt het hof vast dat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor constant heeft verklaard dat de verdachte zijn (linker)hand de hele tijd op haar been hield en zijn andere (rechter)hand gebruikte om onder meer [slachtoffer] het trucje te leren om water te schieten. Op de vraag hoe vaak dat is gebeurd op haar been, antwoordt [slachtoffer] (pg. 023): “Hij heeft mij een keer aangeraakt. Hij bleef daarop tikken. (…)”. Eerder in het studioverhoor heeft [slachtoffer] verklaard (pg. 022): “Toen ging hij met een hand zo over mijn been naar dat ene plekje. Daar ging hij met zijn ene hand daar overheen en daarop tikken met zijn duim. (…)” [slachtoffer] heeft tijdens de voorbereiding op het studioverhoor op 20 juli 2023 het volgende verklaard (pg. 018): “Toen raakte hij me aan op dat ene plekje zeg maar, en toen ging hij daar tikken met zijn vinger. (…)”. Het hof stelt aldus vast dat het antwoord van [slachtoffer] op de vraag hoe vaak de verdachte haar op haar been heeft aangeraakt (mede) ziet op de aanraking (‘het tikken’) van de schaamstreek. Het hof is dus van oordeel dat [slachtoffer] in de kern niet wisselend of tegenstrijdig over de aanrakingen van het been en/of de schaamstreek heeft verklaard.
Ten aanzien van het gebruik van de handen tijdens het (aan)leren van het trucje om water te schieten heeft de raadsvrouw betoogd dat het onmogelijk is dat de verdachte, zoals [slachtoffer] heeft verklaard (pg. 024), zijn (linker)hand de hele tijd in het water had en daarmee [slachtoffer] aanraakte aan haar been en haar schaamstreek. De verdachte heeft zelf verklaard dat het niet mogelijk is om het trucje aan te leren met behulp van één hand en ook uit de getuigenverklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) kan volgens de raadsvrouw niet worden afgeleid dat de verdachte het trucje aanleerde met één hand en dat zijn andere hand de gehele tijd onder water was. Het hof stelt vast dat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor het volgende heeft verklaard (pg. 022): “(…) hij (hof: de verdachte) leerde ons trucjes met twee handen water eruit laten komen en dan kon je andere mensen nat maken. En toen leerde hij dat met 2 handen terwijl er maar 1 hand nodig was. Daarna ging hij over met de vuist water spuiten. Daarna weer met twee handen.” en, in antwoord op de vraag welke trucjes de verdachte hen heeft geleerd, het volgende (pg. 023): “Opmerking verbalisant: [slachtoffer] beeldt met haar handen uit wat voor trucjes het waren. Ze vouwt haar handen in elkaar met haar vingers verstrengeld (bidden). Hij legde me dit eerst uit met 1 hand en daarna met 2 handen. (…)” [getuige 1] heeft het volgende verklaard (pg. 028): “(…) die man (hof: de verdachte) leerde ons om met onze handen water te schieten. Daarom hield die man de handen van [slachtoffer] vast en wees ook in haar handen naar de rimpels aan de binnenkant van haar hand en hij wreef daar ook over. In die rimpel moest dan water komen zodat je goed met water kon schieten.” en (pg. 029): “Ik heb gezien dat hij de gehele tijd aan haar handen zat maar wat er onder water gebeurde kon ik niet zien omdat daar bubbels waren.” Hieruit leidt het hof af dat het trucje om water te schieten kennelijk met twee handen uitgevoerd kan worden, maar dit houdt niet in dat degene die het trucje aan een ander leert (in casu de verdachte) daarvoor de beide handen dient te gebruiken. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer] over het gebruik van de handen tijdens het (aan)leren van het trucje dus niet tegenstrijdig met haar verklaring dat de verdachte zijn (linker)hand de hele tijd op haar been hield en met zijn andere (rechter)hand [slachtoffer] ’s hand of handen aanraakte. Ook in het licht van de verklaring van [getuige 1] acht het hof dit niet tegenstrijdig, aangezien [getuige 1] in haar verklaring juist bevestigt dat de verdachte de handen van [slachtoffer] vasthield, maar dat zij door de bubbels niet heeft waargenomen wat er onder water gebeurde.
Ten aanzien van het teruggaan in het bubbelbad en het daarbij vastpakken van het been door de verdachte heeft [slachtoffer] eerst tijdens het studioverhoor verklaard (pg. 022): “Toen zei ik tegen mijn vriendin zullen we naar het grote zwembad gaan. Toen ging ik uit het bubbelbad en toen wilde hij mij een soort van vastpakken bij mijn been, maar ik was net te snel en toen voelde ik dat hij nog over mijn been wreef. (…)”. Later verklaart [slachtoffer] (pg. 024) dat zij en [getuige 1] eerst wilden wachten met het informeren van de badjuffrouw of -meester, dat de verdachte op een zeker moment uit het bubbelbad was en dat zij toen nog even zijn teruggegaan in het bubbelbad omdat ze het koud hadden. Toen de verdachte weer terug het bubbelbad in kwam, zijn [slachtoffer] en [getuige 1] er meteen weer uit gegaan en naar de badjuffrouw gegaan (pg. 025). Anders dan door de raadsvrouw is betoogd acht het hof het teruggaan naar het bubbelbad, bezien in het licht van de voornoemde verklaringen, niet opmerkelijk. Verder is het hof van oordeel dat door [slachtoffer] op dit punt niet tegenstrijdig of inconsistent is verklaard. Dat [getuige 1] niet heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] terug het bubbelbad zijn ingegaan, maakt dat niet anders. Ditzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden ten aanzien van de verklaringen van [slachtoffer] dat zij steeds meer naar haar vriendin opschoof en dat de verdachte achter haar aan kwam (pg. 024) en dat de verdachte haar been vastpakte toen zij uit het bubbelbad ging (pg. 022, 024 en 025), terwijl [getuige 1] dat niet heeft waargenomen. Ten aanzien van het opschuiven verklaart [getuige 1] bovendien dat zij niets heeft opgemerkt, omdat ze daarop niet aan het letten was en druk doende was het trucje aan te leren (pg. 029). Hierbij neemt het hof tevens in overweging dat de vermeende inconsistenties ondergeschikte onderdelen in de verklaringen betreffen en niet de kern raken van het aan de verdachte tenlastegelegde verwijt.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [slachtoffer] tegenstrijdig heeft verklaard over het contact met de verdachte op de dag voor het tenlastegelegde feit.
Conclusie
Het hof acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer.
Ten laste van de destijds 65-jarige verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig slachtoffer. Ten tijde van het plegen van het delict was het slachtoffer slechts 11 jaar oud. De ontucht bestond uit het betasten/aanraken van de vagina van het slachtoffer (op de kleding). De verdachte heeft met zijn handelen op bijzonder ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de nog zeer jonge [slachtoffer] . De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes en een ernstige inbreuk gemaakt op haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Dat de bewezenverklaarde handelingen grote impact hebben (gehad) op [slachtoffer] blijkt onder andere uit de slachtofferverklaring die door haar vader is voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden is het hof echter, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het taakstrafverbod, de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur. Het hof acht het, anders dan de advocaat-generaal, niet nodig om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte op enige manier contact met het slachtoffer heeft opgenomen of zal opnemen.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte waardoor haar lichamelijke integriteit is aangetast, rechtstreeks immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,00. Tengevolge van het bewezenverklaarde feit heeft [slachtoffer] psychisch nadeel ondervonden waardoor zij nachtmerries, angstige gedachten en klachten van prikkelbaarheid ervaarde, waarna bij haar PTSS is gediagnostiseerd en zij EMDR-therapie heeft moeten ondergaan. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 20 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 20 (twintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Dit arrest is gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 10 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van Roosmalen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Terwijl wij op het politiebureau aan de Mathildelaanwachtte op de collega's van zeden hield [slachtoffer] haar knuffel nog steeds stevig vast.[slachtoffer] is continu erg stil geweest.(...)
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 juli 2023 (pg. 012 t/m 017), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] (namens het slachtoffer [slachtoffer] ):
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord aangever
Feit : Seksueel misbruik kinderen (geen incest)Plaats delict : [adres 2] , binnen de gemeente AstenPleegdatum/tijd : Tussen donderdag 20 juli 2023 om 14:32 uur en donderdag
20 juli 2023 om 14:43 uur
(…) [aangever] deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] (…) en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde feit, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict. (…)
V: Waarvan wil je aangifte doen?
A: Van aanranden van mijn dochter van 11 jaar oud. (…)
V: Wanneer heeft dit plaatsgevonden?
A: Vandaag 20 juli 2023, tussen 14.00 en 15.00 uur.
V: Waar heeft dit plaatsgevonden?A: In het zwembad, in het bubbelbad van vakantiepark [vakantiepark] in [plaats] . (…)
V: Hoe is het nu voor jou om hier te zitten?
A: (…) Ik zat lekker op een grasveldje met een boekje. Toen kwam de badjuffrouw naar mij toe met 2 politieagenten. (Het hof begrijpt : en [slachtoffer] ) (...) Ik zag aan haar (hof: [slachtoffer] ’s) hele houding dat er iets ernstigs was gebeurd. Toen ze naar mij toekwam drukte ze zichzelf zo stevig tegen mij aan. Ik had direct door dat er iets heel ergs aan de hand was. (...)
V: Vertel eens alles, van het begin af aan, van wat jij weet wat [slachtoffer] is overkomen?
A: Vanmorgen deed [slachtoffer] haar bikini aan en pakte haar tas. Ze ging om 11 uur à 11.30 uur naar het zwembad. (...) Ik keek op een gegeven moment op en zag dat mijn dochter naar mij toe kwam gelopen. Zij was samen met twee politieagenten en een badjuffrouw. Ik zag dat mijn dochter heel verdrietig en in elkaar gedoken naar mij toeliep. Er werd mij toen verteld dat een man haar, in het zwembad, had aangeraakt. (…)
4. Het proces-verbaal van voorbereiding studioverhoor d.d. 20 juli 2023 (pg. 018), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van getuige [slachtoffer]:
[slachtoffer] vertelde het volgende:
Ik was vanmiddag met mijn broertje en nog een vriendinnetje bij het zwembad. Toen wilden we in het bubbelbad gaan, maar daar was het heel druk. Er was nog 1 plekje vrij en dat was naast die donkere man. Die donkere man had ik gisteren ook al gezien in het zwembad. Toen ben ik naast die donkere man gaan zitten. Toen raakte die mij aan op mijn been en toen wilde ik weg. Toen raakte hij me aan op dat ene plekje zeg maar, en toen ging hij daar tikken met zijn vinger. Toen ben ik weggegaan (…).
5. Het proces-verbaal van voorlopige samenvatting studioverhoor d.d. 21 juli 2023 (pg. 021 t/m 027), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [slachtoffer]:
Op de vraag om alles te vertellen over wat op 20 juli 2023 in het zwembad is gebeurd verklaarde de getuige:
- Ik had een paar nieuwe vrienden gemaakt op de camping. En toen wou ik met een vriendin van mij en haar broer wou ik gaan zwemmen. Alleen we wouden naar het bubbelbad gaan en die zat helemaal vol. Er was nog 1 plekje over en die was naast een donkere man. En uhm hij leerde ons trucjes met twee handen water eruit laten komen en dan kon je ander mensen nat maken. En toen leerde hij dat met 2 handen terwijl er maar 1 hand nodig was. Daarna ging hij over met de vuist water spuiten. Daarna weer met twee handen. Toen ging hij met een hand zo over mijn been naar dat ene plekje. Daar ging hij met zijn ene hand daar overheen en daarop tikken met zijn duim. Toen zei ik tegen mijn vriendin zullen we naar het grote zwembad gaan. Toen ging ik uit het bubbelbad en toen wilde hij mij een soort van vastpakken bij mijn been, maar ik was net te snel en toen voelde ik dat hij nog over mijn been wreef.
(…) Toen ben ik eigenlijk naar de badjuffrouw gegaan. Die heeft met mij een beetje gepraat. Ik heb haar het verhaal verteld. Toen is zij naar de man gegaan. Toen is zij terug gekomen. Toen heb ik gezegd dat het niet per ongeluk was gegaan omdat hij door bleef gaan. Toen wist ik dat het expres was. Toen is ze weer naar de man teruggegaan. (...)
Op doorvragen van de verhoorder op hoe vaak het gebeurd was verklaarde getuige:
- Hij zat heel de tijd met zijn hand op mijn been. Hij was er maar een keertje vanaf. De dag ervoor hadden ik en mijn vriendin hem ook al gezien. Toen ging hij alleen lachen naar mij en mijn vriendin. (...)
Hoe vaak is dat gebeurt op jouw been?
- Hij heeft mij een keer aangeraakt. Hij bleef daarop tikken. Dat is alleen gisteren gebeurd. (…)
Je zei hij ging jullie ook helpen?
- Dat is meerdere keren gebeurd. Maar met het helpen raakte hij ook elke keer mijn hand aan. Alleen die van mij en niet die van mijn vriendin. Dat is gisteren en eergisteren gebeurd. (...)
- Toen wij in het bubbelbad kwamen zat het helemaal vol. Alleen naast die man was nog een plekje.
- Toen dachten wij eigenlijk alleen ‘oh daar was die man weer die ons die trucjes leerde’. Dan kan hij dat weer verder leren want wij konden het nog niet. Alleen toen raakte hij mij ook aan.
Wat voor trucjes heeft hij jullie geleerd? (...)
Opmerking verbalisant: [slachtoffer] beeld met haar handen uit wat voor trucjes het waren. Ze vouwt haar hadden in elkaar met haar vinger verstrengeld (bidden). Hij legde me dit eerst uit met 1 hand en daarna met 2 handen.
- Toen ging hij met zijn hand naar mijn plekje toe.
- Hij hield mij steeds vast met mijn hand.
- Bij [getuige 1] en haar broertje legde hij het gewoon uit zonder vast te houden. Mij hield hij vast.
Wat bedoel je met plekje?
- Hij ging zo van mijn been door naar dat plekje. Daar ging hij de hele tijd zo wrijven en tikken daarop. Zo over mijn been heen en dan over mijn plekje. (...)
Hoe noem jij dat plekje?
- Dat plas plekje. (...)
Toen hij jou aanraakte bij dat plekje?
- Dat was over mijn broekje. Volgens mij probeerde hij wel met zijn vinger in mijn broekje te komen. Met 1 vinger zat hij daar een soort van te drukken om er in te komen. Met zijn duim zat hij op dat plekje.
Wat deed jij toen?
- Toen schoof ik steeds meer naar mijn vriendin toe. Maar hij kwam steeds achter mij aan. Toen vond ik het niet meer leuk en toen ben ik eruit gegaan. (…)
Waar was zijn hand toen jij verschoof?
- Die ging hier meer hier heen ( [slachtoffer] beeldt het uit). En toen schoof hij weer op.
Hoe vaak?
- Wel vaak. Dat wrijven deed hij heel vaak. Dan stopte hij met wrijven en dan ging hij weer tikken. Wrijven wel drie (3) keer en tikken daarna ook. Hij keek niet naar mijn gezicht hij keek alleen naar mijn handen en dan pakte hij die vast met zijn hand.
Begrijp ik het dan goed dat hij jou aanraakte met een hand bij je been en met zijn andere hand bij jouw hand?
- Ja.
Welke had bij het been?
- Met zijn linker. Hij deed dan met zijn linker hand zo naar mijn been. En met zijn rechter hand hield hij mij vast om het mij dat trucje te leren.
Hoe weet je dat die meneer dat bij jou deed?
- Omdat hij was de enige die bij mij kon. (…)
- Ik zag ook dat een hand de hele tijd in het water zat. De andere hand hield mij vast met oefenen. (…)
- Ik denk dat we ongeveer 10 of 15 minuten in dat bubbelbad hebben gezeten.
Wat had je aan [getuige 1] verteld?
- Dat hij heel de tijd bij mijn been en mijn plekje zat met zijn hand. Toen ik opstond dat hij nog een soort van probeerde te pakken.
Feiten
[slachtoffer] verklaart tijdens het studioverhoor eerst (pg. 023): “Dat (hof: het helpen) is meerdere keren gebeurd. Maar met het helpen raakte hij ook elke keer mijn hand aan. Alleen die van mij en niet die van mijn vriendin. Dat is gisteren en eergisteren gebeurd.” en later (pg. 025): “De dag ervoor wilden we ook in het bubbelbad gaan. Toen zagen we die man voor het eerst. Toen begon hij ons dat te leren. (….) De eerste keer toen hij die trucjes leerde zat hij tegenover ons in het bubbelbad. Toen raakte hij ons ook niet aan”. Voor zover in deze verklaringen al sprake is van tegenstrijdigheden of inconsistenties – het hof acht het niet uitgesloten dat [slachtoffer] een onderscheid maakt in de situatie van het helpen bij het uitvoeren van het trucje en in de situatie dat de verdachte het trucje aan haar leert – , acht het hof deze eveneens van ondergeschikte aard.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. De op het punt van de betrouwbaarheid door de raadsvrouw gevoerde verweren worden dan ook verworpen.
B. Onvoldoende wettig bewijs
Het hof stelt voorop dat volgens artikel 342, lid 2, Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op de verklaring van de aangever. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, lid 2, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het voorschrift van artikel 342, lid 2, Sv leidt ertoe dat - in een geval als het onderhavige, waarin doorgaans de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte tegenover elkaar staan en er geen (directe) getuigenverklaringen voorhanden zijn - de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de beweringen van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet - met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van het slachtoffer volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron.
Zoals het hof heeft overwogen onder A. acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de door [slachtoffer] genoemde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
In de eerste plaats merkt het hof op dat de verdachte heeft bevestigd dat hij op 20 juli 2023 in het bubbelbad trucjes deed met water en niet uitgesloten is dat hij daarbij de handen van [slachtoffer] heeft vastgehouden. Dit sluit aan bij wat [slachtoffer] en [getuige 1] verklaren. Verder heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] er bang uitzag en vroeg om uit het bubbelbad te gaan (pg. 028). Dit is een eigen waarneming van de emotionele toestand van [slachtoffer] op of vlak nadat het moment dat het tenlastegelegde feit plaatsvond, terwijl dit plaatsvond in een situatie waarin [getuige 1] en [slachtoffer] in en met het water aan het spelen waren en op grond van het opsporingsonderzoek niet is gebleken dat er een andere directe aanleiding was om angst te hebben of om ineens het bubbelbad te willen verlaten. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] na het tenlastegelegde feit aan het huilen en het trillen was (pg. 032). Ook [getuige 2] (pg. 036), de vader van [slachtoffer] (pg. 013 en pg. 015) en verbalisant [verbalisant 3] (pg. 009) nemen een soortgelijke (emotionele) toestand waar nadat het tenlastegelegde feit had plaatsgevonden. Getuige [getuige 2] , de badjuffrouw aan wie [slachtoffer] het voorval had verteld, heeft voorts verklaard dat toen zij even later alsnog aan [slachtoffer] vroeg of het misschien per ongeluk was gebeurd, [slachtoffer] heel stellig reageerde en dat weersprak door nogmaals de specifieke handelingen te benoemen die bij haar zouden zijn gedaan: het wrijven over haar been en met de duim op en neer wrijven op haar “speciale plekje” (pg. 038). Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw wordt door het hof verworpen.
C. Onvoldoende overtuigend bewijs
Anders dan de raadsvrouw en de rechtbank heeft het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het hof acht het onmogelijk dat [slachtoffer] in het volle bubbelbad door iemand anders dan de verdachte is aangeraakt. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] volgt dat [slachtoffer] tussen de verdachte en [getuige 1] in het bubbelbad zat. Het hof acht de verklaring van [slachtoffer] dat zij is betast/aangeraakt aan haar schaamstreek betrouwbaar. Het aanraken heeft zij bovendien omschreven als het (meermaals) ‘wrijven en tikken’. Een dergelijk aanraken kan niet zijn veroorzaakt door een, zoals de raadsvrouw als mogelijkheid heeft gesuggereerd, onverhoedse beweging van iemand dan wel de bubbels of de jet-massagestralen van het bubbelbad. Bovendien heeft [slachtoffer] , naar aanleiding van de vraag van [getuige 2] vlak na het incident of het aanraken misschien per ongeluk gebeurd zou kunnen zijn, heel stellig geantwoord dat dit niet het geval kan zijn geweest (pg. 038). Ook in zoverre wordt het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw aldus verworpen.
Inleiding
Hij ging nog zo
met zijn arm zo langs mijn been. Ik voelde nog zijn handen bij elkaar komen. Ik stond op en toen voelde ik hem nog knijpen dat hij mij probeerde vast te pakken.
Wat zei [getuige 1] toen?
- Dat moeten we tegen een badjuf of badmeester zeggen. Want anders blijft hij door gaan en dan is het niet meer goed. Eerst wouden we wachten. Toen was hij het bubbelbad uit (…). Wij dachten dan gaan we er nog heel even in. Het was nog lekker warm in het bubbelbad. We hadden het allebei koud. Toen kwam hij er weer in. Toen begon hij weer meteen te lachen. Toen zijn we er meteen weer uit gegaan en naar de badjuffrouw gegaan.
De dag ervoor was er ook iets. Vertel eens?
- De dag ervoor wilde we ook in het bubbelbad gaan. Toen zagen we die man voor het eerst. Toen begon hij ons dat te leren. (…) De eerste keer toen hij die trucjes leerde zat hij tegenover ons in het bubbelbad. Toen raakte hij ons ook niet aan. (…)
Op de vraag hoe het met de handen was boven of onder water zei [slachtoffer] :
- De linker hand was onder water die was bij mijn been. De rechter hand was boven water en met die hand pakte hij steeds mijn hand vast.
Waardoor had je het gevoel dat hij onder jou broekje wilde?
- Bij het randje van mijn broekje daar drukte hij steeds een beetje. Dan ging mijn broekje steeds een klein beetje omhoog.
Waar probeerde hij er dan onder te komen?
Opmerking verbalisant: [slachtoffer] wijst aan waar dit was. Ze wijst naar haar been richting haar lies/schaamstreek. (…)
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 21 juli 2023 (pg. 028 t/m 033), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 1]:
Vertel eens alles over wat er gisteren gebeurd is wat je nu komt vertellen.
- Wij waren gisteren naar het zwembad we waren eerst in het grote zwembad en daarna zijn we naar het bubbelbad gegaan. In het bubbelbad zaten heel veel mensen dus we konden niet ergens anders zitten. In het bubbelbad zat een man en die man leerde ons om met onze handen water te schieten. Daarom hield die man de handen van [slachtoffer] vast en wees ook in haar handen naar de rimpels aan de binnenkant van haar hand en hij wreef daar ook over. In die rimpel moest dan water komen zodat je goed met water kon schieten. [slachtoffer] zag er bang uit en vroeg aan mij om naar het grote bad te gaan en uit het bubbelbad te gaan. Toen vertelde ze aan mij wat er was. Ik zei toen dat we dat beter tegen de badjuffrouw konden vertellen. We zijn toen naar de badjuffrouw gegaan (...).
Wat heeft [slachtoffer] aan jou verteld toen ze bang keek en naar het grote bad wilde?
- Ze heeft verteld dat die man aan haar handen zat en over haar been heen wreef en dat hij naar haar plekje ging. Dat is zeg maar haar geslachtsdeel, en dat hij daar ook op heeft gewreven, met zijn duim.
Ze zei ook nog dat ze de gehele tijd opschoof maar dat die man de gehele tijd naar
haar opschoof. (...)
Wat heb jij zelf gezien van wat die man bij [slachtoffer] heeft gedaan?
- Ik heb gezien dat hij de gehele tijd aan haar handen zat maar wat er onder water gebeurde kon ik niet zien omdat daar bubbels waren.
Ik wist ook niet wat er aan de hand was.
Hoe is het toen verder gegaan toen de badjuffrouw de politie gebeld had en de man in het zwembad moest blijven?
- (…) Ik ben toen naar de tent gerend om mijn medicijnen in te nemen. [slachtoffer] was toen alleen en was aan het huilen. Ik had [slachtoffer] al getroost want ze was aan het huilen en trillen. (…)
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 21 juli 2023 (pg. 034 t/m 039), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 2]:
Wat is er gisteren 20 juli 2023 precies gebeurd?
- Ik zat bij de zwembadbar om mensen te helpen waarop 2 meisjes naar mij toe komen en die vroegen of ze met mij in gesprek kunnen. (…) Ik zag dat het meisje die het was aangedaan naar haar vriendinnetje keek. Daar had ze steun van, ze keek of dat oke was. Ik zag dat ze knikte. Toen vertelde ze dat er een meneer in het bubbelbad zat die hun trucjes leerde om het water omhoog te laten komen. Ze zei: ‘En toen op een gegeven moment ging zijn hand naar beneden naar mijn been. Daarna streelde hij over mijn been en ging naar mijn speciale plekje.’ (...)
- (…) De parkmanager zei mij terug te gaan naar de meisjes en nog een keer precies te vragen wat er gebeurd was en daarna die man aan te spreken. (…) Toen ben ik naar de meisjes terug gegaan en toen kreeg ik een nog duidelijker verhaal. Ze vertelde eigenlijk hetzelfde, dat hij over haar been wreef, naar haar speciale plekje ging, maar nu zei ze ook nog ‘hij wreef er overheen’. Toen ben ik bij de meiden weggelopen en gezegd dat ze daar moesten wachten. (...)
- Uiteindelijk zijn we met het meisje naar binnen gegaan in hun caravan die ze huurde. De politie had haar gevraagd of het meisje nog een keer wilde vertellen wat er was gebeurd. Het meisje vertelde precies hetzelfde als wat ze tegen mij had verteld. Inclusief het op en neer gaan van de duim. Dat moment dat ze dat mij vertelde staat in mijn geheugen gegrift. De rillingen liepen over mijn rug toen ze dat vertelde aan mij. Ik had ook zoiets van, dat kan niet per ongeluk zijn. (...) Ik had het niet over mijn hart kunnen verkrijgen om tegen die meneer te zeggen ‘meneer u kunt vertrekken’. Daar was het meisje te aangedaan voor. Dat zag ik aan de blik in haar ogen.
Wat zag je dan?
- Dat ze echt aangedaan was. Ze had een angstige blik in haar ogen. Dat werd steeds heftiger. Naar mate ze echt aangekleed was, moest ze huilen. (…)
Er schiet me nog iets te binnen. Ik weet dat ik aan de meisjes heb gevraagd of het misschien per ongeluk gebeurd kon zijn. Toen vertelde het meisje zelf zo stellig ‘nee’. Ze zei: ‘hij wreef over mijn been en toen ging zijn duim over het speciale plekje op en neer’. En dat was voor mij zo stellig en dat is in mijn ogen niet per ongeluk gegaan. Dat verzin je niet. (…)
Bewijsoverwegingen