Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:1018
Strafrecht
Hoger beroep
6,989 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000284-24
Uitspraak : 4 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-275617-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1983,
ingeschreven te: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel (feit 1);
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind (feit 2);
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort, vernielen (feit 3);
- opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast (feit 4),
en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 100,00. Voor het meergevorderde is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, alsmede met oplegging van de in het reclasseringsrapport d.d. 11 maart 2025 genoemde bijzondere voorwaarden, welke voorwaarden dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing tot een bedrag van € 100,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte heeft vrijspraak van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde bepleit. Derhalve is de verdachte het ook niet eens met de daarvoor door de politierechter opgelegde straffen. De verdachte heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Ook zal het hof een andere beslissing nemen ten aanzien van de strafoplegging.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 19 oktober 2023 te Tilburg, zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar meermalen
- met gebalde vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en/of
- met gebalde vuist tegen de nek en/of tegen de rug, althans tegen het lichaam, te slaan;
2.hij op of omstreeks 19 oktober 2023 te Tilburg zijn kind, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar meermalen
- in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of
- tegen de rug, althans tegen het lichaam, te slaan;
3.hij op of omstreeks 19 oktober 2023 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4.hij op of omstreeks 19 oktober 2023 te Tilburg, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant 2] , hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd om mee te werken aan een onderzoek van uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 19 oktober 2023 te Tilburg zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar meermalen
- met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan en
- met gebalde vuist tegen de nek en tegen de rug te slaan.
2.hij op omstreeks 19 oktober 2023 te Tilburg zijn kind [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar meermalen
- tegen het hoofd te slaan en
- tegen het lichaam te slaan.
3.hij op 19 oktober 2023 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, die aan
[slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield.
4.hij op 19 oktober 2023 te Tilburg, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had gevorderd om mee te werken aan een onderzoek van uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de verdachte vrijspraak bepleit. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij door het handelen van zijn dochter in een situatie is gebracht waarin hij zichzelf moest verdedigen. Volgens de verdachte heeft zijn dochter hem als eerste geslagen, waarna hij uit zelfverdediging zijn dochter met vlakke hand op haar rug en hoofd heeft geslagen. Daarnaast heeft de verdachte aangevoerd dat hij zijn echtgenote slechts heeft tegengehouden en onder controle heeft proberen te houden.
Ook ten aanzien van feit 4 heeft de verdachte vrijspraak bepleit. De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hem was medegedeeld dat het ademonderzoek niet verplicht was.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof acht de verklaringen van de echtgenote en dochter van de verdachte over de mishandelingen betrouwbaar, temeer omdat zij hun verklaringen in essentie later bij de raadsheer-commissaris hebben bevestigd. De dochter heeft bovendien in haar latere verklaring bij de raadsheer-commissaris een nuance aangebracht ten nadele van zichzelf, wat de betrouwbaarheid van haar verklaring naar het oordeel van het hof versterkt. De verklaringen van de echtgenote en dochter worden daarnaast ondersteund door de waarnemingen van een verbalisant, die zichtbaar letsel bij de echtgenote heeft vastgesteld op plaatsen die passen bij de verklaringen van aangeefster.
Voor zover de verdachte zich hierop heeft beroepen, verwerpt het hof het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De verdachte ontkent de mishandelingen en heeft een scenario geschetst waarin hij zichzelf moest verdedigen tegenover zijn echtgenote en dochter. Het hof acht dit scenario, gezien de verklaringen van de echtgenote en dochter, alsmede de waarnemingen van de verbalisant, niet geloofwaardig. Het verweer van de verdachte inhoudende dat sprake was van een aanranding van zijn lijf acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt daarom verworpen.
Het hof verwerpt tevens het verweer van de verdachte met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsedige opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 20 oktober 2023 en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 18 september 2024. Hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte duidelijk en ondubbelzinnig heeft gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Dit betekent dat het onderzoek voor de verdachte verplicht was en dat zijn verweer, dat hem was medegedeeld dat dit niet verplicht was, daargelaten welke juridische consequentie daaraan dan zou moeten worden verbonden, wordt verworpen.
Het hof komt echter tot een iets andere bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde dan de politierechter, nu uit voornoemde processen-verbaal volgt dat niet verbalisant [verbalisant 2] , maar verbalisant [verbalisant 1] de verdachte heeft gevorderd om mee te werken aan het ademonderzoek. Daarnaast begrijpt het hof dat waar in de processen-verbaal de datum 20 oktober 2023 is vermeld, 19 oktober 2023 wordt bedoeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn kind.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel
[slachtoffer 2] en mishandeling van zijn dochter [slachtoffer 1] . De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De mishandelingen hebben plaatsgevonden in de woning van de slachtoffers, een plek waar iemand zich juist veilig zou moeten voelen. Door aldus te handelen wordt het veiligheidsgevoel van de slachtoffers in de huiselijke omgeving aangetast. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van de telefoon van [slachtoffer 1] . Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendom van zijn dochter en haar overlast en financiële schade berokkend.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vernieling, bedreiging met zware mishandeling, bedreiging met de dood en weigering medewerking te verlenen aan een ademonderzoek (doch in dat geval op grond van artikel 163 van de Wegenverkeerswet). Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen. Het hof weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee bij de op te leggen straf. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met de houding van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte heeft grotendeels de schuld buiten zichzelf gelegd en nauwelijks verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Dit weegt het hof in negatieve zin mee.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 11 maart 2025, opgemaakt in een andere strafzaak tegen de verdachte. De reclassering heeft in die strafzaak – waarin de verdachte eveneens mishandeling van [slachtoffer 2] wordt verweten – geadviseerd om bij een veroordeling een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Ook heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 21 juni 2024, opgemaakt in die andere strafzaak, waaruit blijkt dat er sprake is van een zeer complexe destructieve gezinsdynamiek en er zorgen zijn om het gezinssysteem en de veiligheid van de vrouw en de kinderen van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij
verslavingsreclassering [verslavingskliniek] op het adres [adres 2] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie agressiebeheersing
De verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie BORG of een andere
gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Meewerken aan diagnostisch onderzoek
De verdachte laat zich diagnostisch onderzoeken door Fivoor of soortgelijke instelling.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich ambulant behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Ambulante behandeling
Indien de reclassering het nodig acht, laat de verdachte zich ambulant behandelen door verslavingszorg [verslavingskliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling kan indien nodig starten. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Contactverbod
De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de aangeefster ( [slachtoffer 2] , geboren [geboortedag 2] 1985 te [geboorteplaats 2] ) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, met uitzondering van het navolgende. Indien contact nodig is voor herstel van de relatie dan wel contact met/over de kinderen, is het noodzakelijk dat een hulpverlenende instantie hiermee vooraf instemt en dit contact begeleidt en monitort. Gedacht kan worden aan Toegang Tilburg in samenwerking met Veilig Thuis of Sterk Huis.
Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
De verdachte bevindt zich niet in de straat van de gezamenlijke woning, te weten [adres 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Meewerken aan middelencontrole
Indien de reclassering het nodig acht, werkt de verdachte mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en
ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak
de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 oktober 2023.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, mr. E.E. Vrieler, griffiers,
en op 4 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Dictum
Tevens heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting aangevoerd dat het Veiligheidshuis haar (in de aanloop naar de zitting) heeft medegedeeld dat zij zich enorm grote zorgen maken over de situatie tussen de verdachte en [slachtoffer 2] en dat recentelijk alle veiligheidsmaatregelen zijn aangescherpt, omdat het Veiligheidshuis “ziet dat het escaleert en mis gaat zodra de maatregelen een beetje worden losgelaten.”
Ook heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Alle omstandigheden afwegende, is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Het hof zal aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, conform het advies van de reclassering d.d. 11 maart 2025 en de eis van de advocaat-generaal. Ook het hof acht namelijk de geadviseerde bijzondere voorwaarden van – kort gezegd – een meldplicht bij [verslavingskliniek] , het volgen van de gedragsinterventie agressiebeheersing (Borg), diagnostisch onderzoek door Fivoor, een ambulante behandeling bij [verslavingskliniek] , een contactverbod met [slachtoffer 2] , een locatieverbod voor de gezamenlijke woning in Tilburg en middelencontrole noodzakelijk.
Gelet op de hiervoor overwogen omstandigheden en zorgen en voorts gelet op het feit dat het hof de verdachte bij arrest van 4 april 2025 in een andere strafzaak tegen de verdachte (met parketnummer 20-003025-24) veroordeelt ter zake van een op 19 juni 2024 gepleegde mishandeling van zijn partner, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De bijzondere voorwaarden zullen derhalve dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 400,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. Voor het overige heeft de politierechter de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij
[slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 100,00. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van € 250,00 ter zake van de kapotte telefoon en € 150,00 ter zake van verloren bestanden. Het hof is, met de politierechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat – mede gelet op de ouderdom van de telefoon – de schade schattenderwijs kan worden vastgesteld op (ten minste) € 100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld en met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij uit van de pleegdatum: 19 oktober 2023. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen, nu het aldus gevorderde het hof ongegrond voorkomt.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 100,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften