Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-01-16
ECLI:NL:GHSHE:2024:79
Civiel recht
Hoger beroep
3,476 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.314.020/01
arrest van 16 januari 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
Achmea Schadeverzekering N.V. tevens handelend onder de naam Interpolis,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga,
tegen
[de B.V.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [de B.V.] ,
advocaat voorheen: mr. S.M. van Meer, thans: mr. S. Rorije,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 oktober 2022.
12.3.4.
5. Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 11 oktober 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 december 2022;
de aktes van beide partijen van 10 januari 2023;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord;
de akte van Achmea;
de antwoordakte van [de B.V.] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten zoals die zijn vastgesteld door de kantonrechter in overweging 3.1. van het bestreden vonnis van 13 april 2022 met zaaknummer 9348208.
6.2.
[de B.V.] heeft een Bedrijven Compact Polis afgesloten bij Achmea. Omstreeks 30 mei 2019 is een graafmachine ter reparatie aangeboden en op 19 juni 2019 is bij Achmea de schade aan de graafmachine gemeld. De door Achmea ingeschakelde deskundige heeft over de oorzaak van de schade gerapporteerd: “Een van de lamellenpakketten, die van de lage versnelling, is gaan slippen doordat er ooit vet is ingepompt om het pakket op druk te zetten. […] Daarna is men vergeten het vet weer te verwijderen waardoor de unit op druk is blijven staan en slip optrad en het lamellenpakket is verbrand.”
6.3.
Onder de dekking van de polis valt onder meer schade aan het werktuig zelf indien er sprake is van een gebeurtenis als vermeld in de polisvoorwaarden, hoofdstuk 4: Verkeer, zoals
(onder meer) omschreven in de volgende paragrafen:
- 18, “overig van buiten komend onheil werkmaterieel”, en/of;
- 19 “onoordeelkundig gebruik en bediening werkmaterieel” en/of;
- 20 “eigen gebrek werkmaterieel”,
steeds onder verwijzing naar concrete uitsluitingsbepalingen.
Geschil
7.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat er dekking bestaat, omdat er sprake is geweest van “van buiten komend onheil” en Achmea veroordeeld tot betaling van € 10.581,69 excl. BTW en de proceskosten. Achmea komt in hoger beroep met vier grieven op tegen de beslissing van de kantonrechter.
maatstaf
7.3.
Voor de vraag of er dekking bestaat onder de verzekering is de toepasselijke uitlegmaatstaf, zoals door de rechtbank geformuleerd en in hoger beroep terecht niet bestreden, dat wanneer het, zoals in dit geval, gaat over polisvoorwaarden waarover door partijen niet is onderhandeld, de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Voorts staat het een verzekeraar vrij om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt voor de verzekeraar ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.
geen van buiten komend onheil
7.4.
Met grief I, II en III wordt door Achmea betoogd dat geen sprake is geweest van een ‘van buiten komend onheil’ en dat daarom op die grond van dekking onder de polis geen sprake is.
7.5.
Het hof volgt de door Achmea ingeschakelde expert in zijn conclusie dat de schade is ontstaan doordat vet in de versnellingsbak aanwezig was en niet is verwijderd, waarna “het lamellenpakket is verbrand.” De mogelijkheid dat er een andere oorzaak is geweest van problemen met de versnellingsbak en dat – voor het transport naar de reparateur – het vet is ingebracht en pas daarna de schade is ontstaan, verwerpt het hof nu er geen andere oorzaak voor (eerdere) problemen is gevonden en ook niet concreet is gesteld of gebleken is dat de geconstateerde schade is veroorzaakt bij of na het transport naar de reparateur. Achmea wijst daar ook zelf uitdrukkelijk op in haar akte.
7.6.
Het debat tussen partijen heeft zich toegespitst op de vraag hoe het vet in de versnellingsbak is terechtgekomen. [de B.V.] stelt – onweersproken – dat zij haar medewerkers daarnaar heeft gevraagd en dat zij hebben verklaard het vet niet te hebben ingebracht. [de B.V.] oppert dat een onbekend gebleven derde dat zou hebben kunnen gedaan, Achmea oppert de mogelijkheid van verzekeringsfraude aan de zijde van [de B.V.] .
7.7.
[de B.V.] , die zich op het bestaan van dekking beroept, zal concrete feiten en omstandigheden moeten stellen (en bij voldoende betwisting: bewijzen) waaruit volgt dat er sprake is van “van buiten komend onheil”. Onduidelijk is gebleven wie het vet in de versnellingsbak heeft ingebracht. Vast staat wel dat vet in de versnellingsbak is ingebracht, maar ook dat dat op zichzelf niet schadelijk is voor de versnellingsbak, tenzij en totdat de graafmachine wordt gebruikt terwijl het vet (nog steeds) in de versnellingsbak aanwezig is. Het inbrengen van vet is dan ook op zichzelf niet de oorzaak van de schade. Er is door [de B.V.] geen enkele concrete aanwijzing aangevoerd, waaruit kan volgen dat door een onbekend gebleven persoon het vet is ingebracht met als doel de graafmachine te beschadigen. Dat betekent dat [de B.V.] onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat het inbrengen van het vet gekwalificeerd kan worden als “van buiten komend onheil” in de zin van de polisvoorwaarden. In die polisvoorwaarden is bepaald dat onheilen die van buiten komen, zoals botsen, stoten, omslaan, te water raken of van de weg raken, anders dan
brand en diefstal verzekerde schades zijn. Het betreft hier dus rechtstreekse fysieke
geweldsinwerking van buitenaf op het verzekerde werkmaterieel. Uit de in de polis gegeven voorbeelden moet dat redelijkerwijs voor [de B.V.] ook voldoende duidelijk zijn geweest. [de B.V.] stelt dus te weinig om aan te kunnen nemen dat er – op deze grondslag – dekking voor haar schade bestaat. Deze grieven van Achmea tegen het oordeel van de rechtbank slagen.
onoordeelkundig gebruik
7.8.
De rechtbank heeft in het midden gelaten of er dekking bestaat op grond van de dekking voor onoordeelkundig gebruik van de graafmachine. [de B.V.] heeft die grondslag van haar vordering niet prijsgegeven. Omdat de grieven van Achmea tegen de redenering in het vonnis slagen, moet het hof ook deze grondslag van de vordering beoordelen.
7.9.
De aanwezigheid van het vet – zo is tussen partijen niet in geschil – is op zichzelf niet schadelijk voor de versnellingsbak, tenzij de graafmachine gebruikt wordt, terwijl er (nog) vet in de versnellingsbak aanwezig is. Het inbrengen van vet is dan ook op zichzelf niet de oorzaak van de schade. De schade is veroorzaakt door het gebruik van de graafmachine, terwijl er vet in de versnellingsbak aanwezig was. De verzekering biedt in paragraaf 19 van hoofdstuk 4 dekking voor schade aan het verzekerd object voor: “onoordeelkundige of foutieve bedieningen en reparatie door u, uw personeel of derden.”, waarbij (onder meer) is uitgesloten schade die “het gevolg is van onvoldoende of onoordeelkundig onderhoud en van slijtage” (zie hierna onder 7.13). Als het gebruiken van de graafmachine met vet in de versnellingsbak kwalificeert als “onoordeelkundige of foutieve bediening” daarvan in de zin van paragraaf 19 van de polisvoorwaarden, dan bestaat in beginsel dekking voor de daardoor veroorzaakte schade en in dat geval is Achmea gehouden tot uitkering. Het hof oordeelt daarover als volgt.
7.10.
Om vast te stellen of er sprake is van “onoordeelkundige of foutieve bediening” en er (dus) in beginsel dekking bestaat voor deze schade, moet de verzekeringspolis worden uitgelegd overeenkomstig de hierboven in 7.3. vermelde, toepasselijke uitlegmaatstaf.
7.11.
De term “onoordeelkundige of foutieve bediening” is niet gedefinieerd in de polis. De opbouw van de polis biedt evenmin aanknopingspunten voor de uitleg van de bepaling: de dekkingsomschrijving is opgenomen in “Hoofdstuk 4: Verkeer” van de polis, maar in dat hoofdstuk is ook de dekking geregeld die niet samenhangt met gebruik van het verzekerd materiaal in het verkeer, zoals “diefstal” (in paragraaf 17) en geen van beide partijen voert aan dat dekking beperkt zou zijn tot onoordeelkundig gebruik in het (weg)verkeer. Verzekerd is expliciet het geheel of gedeeltelijk verlies van het verzekerd object: dat wil zeggen schade aan de graafmachine, niet schade van derden. Uit de gebruikte termen “onoordeelkundige of foutieve bediening” leidt het hof af dat bedoeld is schade te verzekeren die ontstaat doordat de verzekerde of zijn personeel de machine onoordeelkundig of fout gebruikt, zonder dat daarbij naar een gedefinieerd (juridisch) begrip van (de mate van) onvoorzichtigheid of (mate van) schuld wordt verwezen. Het bedienen, dat wil zeggen: gebruiken van de machine terwijl er (nog) vet in de versnellingsbak aanwezig was, is zo’n fout. Het hof ziet in de polis als geheel en in het gebruik van het woord “onoordeelkundig” op zichzelf geen aanwijzing dat Achmea bedoeld heeft en voor [de B.V.] voldoende duidelijk kenbaar zou zijn dat vereist was dat degene die de fout maakte, zich daarvan bewust moest zijn en dus – in dit geval – voor dekking vereist zou zijn dat de bestuurder zich diende te realiseren dat er (nog) vet in de versnellingsbak aanwezig was. Het hof verwerpt het betoog van Achmea dat het woord “onoordeelkundig” een uit onwetendheid gemaakte fout uitsluit en andere aanwijzingen daarvoor zijn door Achmea ook niet in de context van haar verweer aangevoerd.
Conclusie
7.8.
De conclusie is dat de verzekering dekking biedt voor deze schade. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen.
proceskosten
7.9.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Achmea in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de B.V.] worden vastgesteld op:
- griffierecht
€
783,00
- salaris advocaat
€
2.957,50
(2,5 punten × appeltarief II)
- nakosten
€
173,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
€
3.913,50
7.10.
Het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.
8De uitspraak
Het hof:
8.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Tilburg) van 13 april 2022;
8.2.
veroordeelt Achmea in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [de B.V.] vastgesteld op € 3.913,50, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Achmea niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 90,00 en de kosten van betekening;
8.3.
veroordeelt Achmea in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
8.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.G.J. Rinkes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 januari 2024.
griffier rolraadsheer