Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-02-16
ECLI:NL:GHSHE:2024:469
Strafrecht
Hoger beroep
6,215 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002700-23
Uitspraak : 16 februari 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 3 maart 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-152337-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van € 13.000,00 (ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] ) subsidiair 100 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Door de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.
Door de verdachte is bepleit dat hij gelet op zijn beperkte aandeel in het geheel van feiten en omstandigheden geen straf verdient.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Eindhoven opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) valselijk opgemaakt en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening en/of doorlopende machtiging en/of betalingsopdracht als ware het echt en onvervalst, door voornoemde aanvraag en/of doorlopende machtiging en/of betalingsopdracht te voorzien van de personalia en/of adresgegevens en/of handtekening(en) en/of bankrekeningnummer (zijnde [rekeningnummer 1] ) van [benadeelde 2] , en/of vervolgens die aanvraag en/of machtiging en/of betalingsopdracht op te sturen/in te dienen naar/bij [benadeelde 1] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Eindhoven opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte en vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening
als ware het echt en onvervalst, door voornoemde aanvraag te voorzien van de personalia en adresgegevens en handtekeningen en bankrekeningnummer (zijnde [rekeningnummer 1] ) van [benadeelde 2] , en vervolgens die aanvraag in te dienen bij [benadeelde 1] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2016 met bijlagen (dossierpagina’s 16-48), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] namens benadeelde [benadeelde 1] :
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Er is bij [benadeelde 1] door middel van valse papieren en handtekening een krediet van 13.000 euro aangevraagd en uitgekeerd.
(dossierpagina 34)
AANGIFTE TER ZAKE:
Art. 225 W.v.Sr. (Valsheid in geschrifte)
(dossierpagina 37)
Op 16 november 2015 is via de website van [benadeelde 1] .nl een kredietaanvraag voor een
persoonlijke lening bij [benadeelde 1] op naam van [benadeelde 2] binnengekomen. Het betrof een krediet van € 13.000.
Vervolgens ontving [benadeelde 1] op 23 november een door de cliënt ondertekende
kredietovereenkomst met nummer [nummer] . Verder ontvingen we de volgende
stukken:
• Een door de cliënt ondertekende betalingsopdracht. Een bedrag van € 13.000 moest worden overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] .
• Een kopie van het paspoort op naam van [benadeelde 2] .
• Een uitkeringsoverzicht 2015 van het Pensioenfonds van de [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] )
• Specificaties van november en oktober 2015 van het SVB (AOW uitkering)
• Digitaal afschrift van [rekeningnummer 1] . Op dit afschrift staat vermeld dat
dit rekeningnummer op naam van [benadeelde 2] staat. Het betreft een afschrift van 6
oktober 2015 en op dit afschrift zijn onder meer de volgende bijschrijvingen
zichtbaar:
> 1-10 € 181,75 nabestaandenpensioen van de overleden partner
> 24-9 € 287,69 pensioen van het [bedrijf 1]
> 23-9 € 847,65 maandelijkse uitbetaling van de AOW
Een medewerker heeft de stukken gecontroleerd en de kredietsom is op 23
november overgemaakt naar bovengenoemd rekeningnummer.
Opmerkelijk is dat op 20 oktober (het hof begrijpt 2015) vanaf hetzelfde adres een kredietaanvraag is gedaan op naam van [verdachte] met geboortedatum 13 maart 1985. Ook de heer [verdachte] gaf op eigenaar te zijn van het huis op [adres 2] maar de heer [verdachte] is niet bekend in het kadaster. Wij hebben het kredietdossier van de heer [benadeelde 2] doorgenomen en bij de ABN AMRO geverifieerd of rekeningnummer [rekeningnummer 1] inderdaad op naam
staat van [benadeelde 2] . Wij hebben van hen vernomen dat dit niet het geval is. Voornoemd rekeningnummer staat op naam van de minderjarige [benadeelde 3] .
(dossierpagina 38)
Op 17 december (het hof begrijpt 2015) heb ik contact opgenomen met het vaste telefoonnummer op het adres [adres 2] . Ik kreeg de heer [benadeelde 2] aan de telefoon die mij vertelde niets te weten van een kredietaanvraag. Ik heb hem gezegd dat bij de kredietaanvraag diverse persoonlijke en vertrouwelijke stukken zijn overgelegd. Het betreft stukken waar een derde in principe niet over zou kunnen beschikken zoals een kopie van zijn legitimatiebewijs, diverse inkomensspecificaties en een digitaal afschrift. De heer [benadeelde 2] zei dat zijn gegevens “in de computer staan” en dat derden in huis hier toegang toe hadden.
Indien bij [benadeelde 1] bekend was geweest dat de overgelegde stukken vals/vervalst
waren, was het krediet niet verstrekt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d.
Feiten
Volgens de verklaring van de verdachte in hoger beroep heeft hij samen met zijn voormalige schoonvader gehandeld. Hij moest zijn schoonvader helpen omdat deze hem anders de woning uit zou zetten. Bovendien had hij nooit gedacht dat de lening zou worden verleend en heeft hij van de lening geen profijt gehad. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig en overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier volgt dat op 16 november 2015 een aanvraag voor een lening op naam van [benadeelde 2] is ingediend. Daartoe zijn persoonlijke documenten van [benadeelde 2] opgestuurd. Het bedrag van de lening is overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 1] , zijnde het rekeningnummer van [benadeelde 3] , de minderjarige dochter van de ex-partner van de verdachte. Nadat het bedrag op de rekening van [benadeelde 3] is gestort is dezelfde dag € 8.400,00 en een dag later € 1.550,00 overgeboekt naar de rekening van de verdachte. Op 20 oktober 2015 is een kredietaanvraag gedaan op naam van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
De aanvraag is ingediend op naam van [benadeelde 2] en voorzien van een gelijkende handtekening. [benadeelde 2] heeft verklaard geen aanvraag te hebben ingediend, noch te hebben ondertekend. De verdachte woonde samen met zijn ex-partner en de kinderen in de woning van zijn ex-schoonvader, deed de financiën voor zijn ex-partner en had daartoe toegang tot haar gegevens waaronder de rekening van haar dochter [benadeelde 3] . Uit onderzoek volgt dat op het bankafschrift het rekeningnummer van [benadeelde 2] is gewijzigd in het nummer van [benadeelde 3] , dat op de dag dat de lening is gestort aanzienlijke bedragen naar de rekening van de verdachte zijn overgeboekt en dat de verdachte kort voor onderhavige aanvraag een kredietaanvraag op eigen naam heeft ingediend, welke is afgewezen.
Gelet op het voorgaande acht het hof, met de advocaat-generaal, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet geloofwaardig en gaat het hof aan deze verklaring van de verdachte voorbij. Het hof merkt daarbij ten overvloede nog op dat indien de verdachte handelde in opdracht dan wel onder druk van zijn ex-schoonvader het hof niet inziet waarom niet [benadeelde 2] de aanvraag heeft getekend in plaats van de verdachte met een door hem nagemaakte handtekening van die [benadeelde 2] . De verdachte heeft hiervoor ter zitting geen verklaring gegeven.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, opzettelijk gebruik maken van een vals en vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst, heeft begaan.
Het hof verwerpt mitsdien de verweren, die voor het overige geen bespreking behoeven.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk gebruik maken van een vals en vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse en vervalste geschriften op naam van zijn ex-schoonvader om daarmee een geldlening te kunnen krijgen. Met zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen, dat in de juistheid van dergelijke geschriften in het economische en bancaire verkeer moet kunnen worden gesteld, geschaad.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, passend en geboden.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat door verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 13.000,00, voor welke schade de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden de schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis;
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.000,00 (dertienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 100 (honderd) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 november 2015.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 16 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn en mr. L.C.J.M. Hillebrandt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het Onderzoek Oplichting en Valsheid in geschrift, Eenheid Oost Brabant, Afdeling Recherche Eindhoven-Zuid, proces-verbaalnummer PL2100-2016006232 Z in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, gesloten op 23 maart 2016, doorgenummerde dossierpagina's 1-101.
Inleiding
6 maart 2016 (dossierpagina’s 61 en 62), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant] :
Op zondag 6 maart 2016, omstreeks 09.50 uur, deed ik onderzoek naar een aangifte kredietfraude.
Tijdens het onderzoek ontving ik de volgende stukken van de benadeelde [benadeelde 2] :
- twee nagenoeg identieke bankafschriften waarbij op een het rekeningnummer
[rekeningnummer 2] staat vermeld. En bij het andere bankafschrift welke mij werd
aangeleverd zag ik een ander rekeningnummer, namelijk [rekeningnummer 1] . Ik zag dat er
dezelfde datum, bladnummer, volgnummer en afschrijvingen opstonden. Na onderzoek bleek dat het rekeningnummer [rekeningnummer 2] behoort aan benadeelde [benadeelde 2] . Het rekeningnummer [rekeningnummer 1] behoort aan [benadeelde 3] . Dit is de kleindochter van benadeelde [benadeelde 2] .
- Een ondertekend kredietaanvraagformulier van [benadeelde 1] , op naam van [benadeelde 2] met een handtekening lijkend op de zijne.
Tijdens het onderzoek ontving ik van mevrouw [aangever] , namens de benadeelde [benadeelde 1] de volgende stukken:
-Kopie van de getekende kredietovereenkomst voor een krediet van 13.000 euro op naam van [benadeelde 2] op 16 november 2015. Tevens een verklaring op 5 januari 2016 van [benadeelde 2] gericht aan [benadeelde 1] waarin verklaard wordt door [benadeelde 2] dat hij geen krediet heeft aangevraagd bij [benadeelde 1] . Deze beide documenten zijn ondertekend met een handtekening lijkend op elkaar als zijnde die van [benadeelde 2] .
-Een uitdraai van [benadeelde 1] met de goedkeuring van de aanvraag welke op 23 november 2015 is uitgekeerd op het rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Hierop staat vermeld dat op 23 november 2015 een bedrag van 13.000 euro is gestort op het rekeningnummer [rekeningnummer 1] .
-Digitaal bankafschrift van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] .
Uit onderzoek zag ik dat het aangeleverde bankafschrift nagenoeg overeenkwam met het aangeleverde bankafschrift van [benadeelde 2] . Echter zag ik dat het rekeningnummer niet overeenkwam welke vermeld stond op het bankafschrift. De datum, volgnummer en tekst bij de afschrijvingen kwamen wel overeen op beide rekeningafschriften. Uit onderzoek bleek dat het rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam stond van [benadeelde 3] .
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 februari 2016 (dossierpagina’s 55-56), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Op donderdag 17 december (het hof begrijpt 2015) werd mijn vader gebeld door mevrouw [aangever] van [benadeelde 1] . Zij vroeg zich af waar de eerste betaling bleef. Omdat mijn vader en ik niets wisten van de afgesloten lening heb ik diezelfde dag [verdachte] gevraagd of hij daar wat van afwist. Hij deed namelijk de financiën voor ons gezin. Hij deed dit niet voor mijn vader. Wel beschikte hij over mijn bankpas en inloggegevens voor bankieren online bij de ABN Amro. Aan mijn rekeningnummer, [rekeningnummer 3] was ook het rekeningnummer van mijn dochter [benadeelde 3] gekoppeld. Dit was [rekeningnummer 1] .
Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Wij hebben nooit zoveel geld ontvangen". Ik zei hierop dat dat geld echter op de rekening van [benadeelde 3] is gekomen. Hierop hoorde ik dat hij zei: "Ik zag wel een flink bedrag op de rekening van [benadeelde 3] staan en dat heb ik toen meteen eraf gehaald."
Later op de avond heb ik hem er opnieuw naar gevraagd. Ik vroeg aan hem waarom hij het had gedaan. Ik hoorde dat [verdachte] toen zei: "Als ik had geweten dat het dit als resultaat had gehad dan had ik het op een andere manier gedaan".
4. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift ten name van [benadeelde 3] d.d. 30 november 2015 (dossierpagina 54), voor zover inhoudende:
Overboeking 24.11 1.550,00 (debet/-)
IBAN: [rekeningnummer 4]
Naam: [verdachte]
Overboeking 23.11 8.400,00 (debet/-)
IBAN: [rekeningnummer 4]
Naam: [verdachte]
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 februari 2016 (dossierpagina’s 59-61), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [benadeelde 2] :
Er is op 16 november 2015 een lening van dertien duizend euro afgesloten bij [benadeelde 1] met mijn gegevens. Ik wist hier niets van. Ik heb hier ook dus geen toestemming voor gegeven.
Op 17 december 2015 werd ik omstreeks 09.00 uur gebeld door de firma [benadeelde 1] . Ik hoorde dat er een mevrouw [betrokkene] zich voorstelde als medewerkster van [benadeelde 1] . Toen zij vroeg of ik [getuige] kende gaf ik aan dat zij mijn dochter is. Ik hoorde mevrouw [betrokkene] zeggen dat het geld op het rekeningnummer is gestort van de dochter van [getuige] , [benadeelde 3] . [benadeelde 3] is mijn kleindochter en is 5 of 6 jaar oud.
[getuige] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) woonden vanaf april 2014 samen met hun kinderen bij mij in op [adres 2] . Ik bewaarde destijds al mijn papieren in een kleine kamer op de bovenverdieping. Deze papieren bewaarde ik in 2 plastic dozen. [verdachte] had vrij toegang tot deze kamer omdat deze kamer niet voorzien is van een deurslot. In dezelfde kamer zaten destijds spullen van de kinderen en daardoor kon [verdachte] dus ook in de kamer bij mijn uitkeringsspecificaties en andere privé documenten. [verdachte] deed altijd de boodschappen en de financiën voor hem en [getuige] .
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2016 (dossierpagina’s 8-12), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Wat kun jij vertellen over de lening die op naam van [benadeelde 2] is afgesloten bij
[benadeelde 1] in november 2015?
A: Ik heb een lening van 13.000,- euro aangevraagd op naam van [benadeelde 2] . Ik heb dat via internet gedaan via een site, www. [benadeelde 1] .nl. Online heb ik toen een aanvraag
ingediend.
V: Hoe ben jij aan zijn gegevens gekomen?
A: In een kastje in de huiskamer lag het paspoort van [benadeelde 2] . Zijn persoonlijke ABN Amro bankpasje had ik al eerder in mijn bezit omdat ik die van [benadeelde 2] had gekregen voor het maken van een scan van zijn bankpasje. Waarvoor dat was weet ik niet meer. Zijn inkomensgegevens had ik via het internet gedownload. Via de site van de sociale verzekeringsbank kon ik deze downloaden. Ik had zijn inloggegevens van die site. En die gegevens heb ik vervolgens allemaal gescand. En die heb ik vervolgens via www. [benadeelde 1] .nl opgeload en doorgestuurd. Dit samen met mijn aanvraag.
V:Wanneer was deze aanvraag?
A: Dit was ergens in november 2015. De exacte datum weet ik niet meer. Ik heb dit op het rekeningnummer van [getuige] laten storten. Ik heb sinds 2010 het bankpasje van [getuige] gehad. Ik deed alle financiële zaken voor haar. Zo had ik de beschikking over haar rekening.
V: Hoe kan het dan dat dat bedrag op het rekeningnummer van [benadeelde 3] is gekomen?
A: [getuige] had 2 rekeningen. 1 is van [benadeelde 3] en de andere van [getuige] . Ik heb
deze op het rekeningnummer van [benadeelde 3] laten storten omdat op de bankrekening van [getuige] vaak automatische incasso's worden gedaan. En dit was niet het geval bij het rekeningnummer van [benadeelde 3] . Puur dus zodat ik de 13.000 euro kon houden. Mijn voornemen was wel om de aflossingen na te komen.
V: Hoe kon je het bedrag dan op de rekening van [benadeelde 3] laten storten als je
bankafschriften moet overleggen?
A: Ik heb de rekeningnummers gewijzigd. Ik heb dat via een computerprogramma gedaan. De naam van het programma weet ik niet meer. Ik zocht via google naar de term "PDF bestand veranderen".