Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-04-18
ECLI:NL:GHSHE:2024:4291
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,928 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 18 april 2024
Zaaknummer : 200.333.858/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/409601 / FA RK 23-2290
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.P. de Man,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende merkt het hof aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling),
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2023, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende alsnog te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] zal zijn bij de vader met bepaling dat de vader [minderjarige] zal dienen aan te melden als leerling op de [school] te [plaats] , eventueel in een parallelschool te [plaats] met instroming in het bij de leeftijd passende leerjaar.
Voorts kan de vader zich geheel vinden in de voorgestelde omgangsregeling die de moeder heeft voorgesteld in de brief aan de rechtbank van 26 juli 2023:
De volgende 4-weekse regeling (en dus geen maandelijkse regeling):
- Week 1: volledig bij vader;
- Week 2: [minderjarige] verblijft bij moeder van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur ( [betrokkene 1] is dan zaterdagavond en zondag ook bij moeder). Rest van de week is [minderjarige] bij vader;
- Week 3: [minderjarige] verblijft bij moeder van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur ( [betrokkene 1] is dan niet bij moeder). Rest van de week is [minderjarige] bij vader.
- Week 4: [minderjarige] verblijft bij moeder van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur ( [betrokkene 1] is dan het hele weekend ook bij moeder). Rest van de week is [minderjarige] bij vader;
Het voorstel dient als één geheel te worden beschouwd. Dat wil zeggen dat bij afwijzing van een gedeelte zulks ook consequenties heeft voor overige items daar uit.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2024, heeft de moeder verzocht om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de grieven van de vader af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2024, heeft de GI zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. De Man;
de moeder, bijgestaan door mr. Van Haperen;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
de brief d.d. 23 november 2023 van de zijde van de vader;
de brief d.d. 28 november 2023 van de zijde van de vader;
het e-mailbericht d.d. 28 november 2023 van de zijde van de vader;
de brief d.d. 11 januari 2024 van de zijde van de vader;
de brief d.d. 20 februari 2024 met bijlagen van de zijde van de vader;
de brief d.d. 22 februari 2024 met bijlage van de zijde van de vader;
de brief d.d. 7 maart 2024 met bijlage van de zijde van de vader;
het V6-formulier met bijlagen d.d. 11 maart 2024 van de zijde van moeder;
de brief d.d. 15 maart 2024 van de zijde van de vader.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder.
3.2.
Ingevolge de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 december 2018 is [minderjarige] bij de vader van donderdag na school tot zaterdag 18.30 uur, met inachtneming van hetgeen onder rechtsoverweging 2.6 van die beschikking is overwogen, alsmede tijdens de vakanties en feestdagen op de wijze zoals in rechtsoverweging 2.5 van die beschikking is overwogen.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 april 2023 is [minderjarige] met ingang van 4 april 2023 tot 4 april 2024 onder toezicht gesteld van de GI.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep relevant:
- het verzoek van de vader tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] afgewezen;
- het verzoek van de vader dat [minderjarige] dient te worden aangemeld bij een reguliere basisschool in de omgeving van de woonplaats van de vader afgewezen;
- de overeenstemming over de wijziging van zorgregeling in de herfstvakantie 2023 vastgelegd.
4.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Beoordeling
5.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Het is van belang dat er afspraken worden gemaakt over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de schoolgang van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft inmiddels volledig bij de vader, hij zit daar goed in zijn vel. [minderjarige] gaat echter inmiddels al meer dan een jaar niet naar school, nadat hij niet langer welkom was op zijn school in [plaats] . Dit heeft veel gevolgen voor zijn verdere ontwikkeling. Wanneer er in ieder geval voorlopige afspraken gemaakt kunnen worden, kan [minderjarige] worden aangemeld voor de [school] te [plaats] . De leiding van de school in [plaats] heeft aangegeven dat de ouders tot afspraken moeten komen, om de schoolgang van [minderjarige] een kans van slagen te geven. Als na aanmelding en onderzoek naar de vraag of [minderjarige] toegelaten kan worden tot de school de conclusie wordt getrokken dat speciaal onderwijs geïndiceerd is voor [minderjarige] , wil de vader dat [minderjarige] naar een school voor speciaal onderwijs bij hem in de buurt gaat. De vader zal dan de toelaatbaarheidsverklaring daarvoor tekenen. Het is immers noodzakelijk dat [minderjarige] weer naar school kan. Daarnaast zal de vader alles in het werk zetten dat het verblijf bij de vader en schoolgang in [plaats] niet ten koste gaat van de band van [minderjarige] met de moeder.
5.2.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De situatie rondom [minderjarige] is ingewikkeld en een enkele wijziging van het hoofdverblijf lost zijn problemen niet op. De problematiek ligt in de ouderstrijd tussen partijen, waarvan [minderjarige] veel last ondervindt. De afgelopen periode is hectisch verlopen, waarbij [minderjarige] steeds meer afstand van de moeder neemt. De moeder ziet [minderjarige] inmiddels vrijwel niet meer. Dit komt door het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zich bevindt waardoor hij geen andere keuze meer heeft om volledig afstand te nemen van één van de ouder. Dit maakt dat de moeder inmiddels instemt met een voorlopig hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader, omdat dit verblijf bij de vader door alle omstandigheden feitelijk de situatie is geworden; zij kan nu niet anders. De onderzoeken naar de vraag welke hulpverlening [minderjarige] nodig heeft en welke school passend is voor hem, zijn nog steeds nodig. Het is nog te vroeg om een definitieve beslissing te nemen, maar er kunnen voorlopige afspraken worden gemaakt om voortgang te maken. De moeder is bereid om in gesprek te gaan met de vader en de mediator over hoe zij omgaan met [minderjarige] .
5.3.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. In een groot overleg met [instantie 1] en de GI is op 27 januari 2024 afgesproken dat [minderjarige] tijdelijk bij de vader zal verblijven, waarbij er contact met de moeder moet zijn. Dit is besloten omdat [minderjarige] zich steeds verder afzette tegen de moeder en de situatie daardoor onhoudbaar werd voor de moeder. De verantwoordelijkheid voor het inschrijven van [minderjarige] op een school ligt niet bij de GI, dat moet door de ouders gebeuren. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van een toelaatbaarheidsverklaring voor speciaal onderwijs ligt bij de school waar [minderjarige] nog inschreven staat en moet vervolgens door de ouders worden ondertekend. Voor de aanmelding op de school in [plaats] is de GI afhankelijk van de leiding van de school die zullen onderzoeken of [minderjarige] op die school past. Er moet rust komen in de situatie en er moet gekeken worden of [minderjarige] bij de vader naar school toe kan gaan. De GI stemt in met de voorlopige afspraken die de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben gemaakt. De GI schat in dat als [minderjarige] in ieder geval voorlopig bij de vader kan wonen en naar school toe gaat, er mogelijk ruimte ontstaat om het contact met de moeder op te pakken. [minderjarige] heeft hiervoor nodig dat hij van beide ouders hoort dat zij de gemaakte afspraken ondersteunen. Ook kan op het moment dat de voorlopige hoofdverblijfplaats van [minderjarige] duidelijk is de Multi Systeem Therapie (MST) bij de [instantie 2] starten.
5.4.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. De raad heeft zorgen over de situatie van [minderjarige] . Ondanks dat er in hoger beroep afspraken zijn gemaakt tussen de ouders, is het belangrijk dat de zorgen worden meegenomen in de hulpverleningsprocessen. De raad maakt zich zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Dat [minderjarige] op een gegeven moment niet meer kon functioneren op zijn oude school komt door de situatie tussen de ouders. De vader leek de verblijfplaats van [minderjarige] te ondermijnen. Ook over de dagbesteding bij [instantie 3] was de vader negatief, waardoor [minderjarige] hier niet meer naartoe wilde. Het gedrag dat [minderjarige] vertoont lijkt reactief te zijn, en de afspraken die nu worden gemaakt zijn symptoombestrijding. Het is goed dat MST kan gaan starten, nu daar gekeken zal worden naar de dynamiek tussen de ouders. Het feit dat de vader de situatie bij [minderjarige] ondermijnde en dat hij niet wilde meewerken, maakt dat er een ondertoezichtstelling is gekomen. Nu is er ook een andere ontwikkelingsbedreiging: het verlies van contact met de moeder. De moeder heeft [minderjarige] wel altijd ruimte gegeven voor de vader.
Het is fijn dat de ouders tot afspraken zijn gekomen, maar het is heel belangrijk dat de vader een plek kan geven aan de moeder in het leven van [minderjarige] . De vader moet dit ook stimuleren. Het is begrijpelijk dat de moeder zich met de rug tegen de muur gezet voelt, waardoor zij nu instemt met het voorlopige verblijf van [minderjarige] bij de vader. De problemen zijn hierdoor echter nog niet opgelost.
Er is een verschil van visie tussen de ouders over welke school passend zou zijn voor [minderjarige] . Speciaal onderwijs is er niet alleen voor kinderen die minder begaafd zijn. Het kan zo zijn dat een kind dusdanige gedragsproblemen ontwikkelt door de omgeving waarin hij zich begeeft, dat speciaal onderwijs geïndiceerd is. [minderjarige] zal ook op de nieuwe school situaties gaan tegenkomen waar hij zich niet in kan voegen. Het is nodig dat hij leert hoe hij daar mee om moet gaan. Het is aan de ouders om het op te lossen. Het is fijn dat de moeder ervoor openstaat om met de mediator te gaan praten, maar de mediator gaat geen zicht krijgen op de thuissituatie van [minderjarige] . De vraag kan worden gesteld dat gezien de mate waarop [minderjarige] op situaties reageert, er inmiddels mogelijk sprake is van kindeigen problematiek.
5.5.
Het hof overweegt het volgende.
5.5.1.
Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep volgt dat partijen voorlopige overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de voorliggende verzoeken. Partijen zijn het er over eens dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader en dat voorlopig de zorgregeling zal gelden zoals door de moeder voorgesteld in de brief aan de rechtbank van 26 juli 2023 (en zoals de vader nu in hoger beroep heeft verzocht). Hierbij is duidelijk dat [minderjarige] op dit moment weigert om naar de moeder te gaan. Partijen zullen zich dan ook inspannen om [minderjarige] het contact met de moeder weer op te laten pakken. Verder zijn de ouders overeengekomen dat zij [minderjarige] zo spoedig mogelijk aanmelden op de [school] te [plaats] , zodat het vooronderzoek gestart kan worden naar de vraag of [minderjarige] toelaatbaar is op die school. De ouders zullen hier hun medewerking aan verlenen. Daarnaast hebben zowel de vader als de moeder zich bereid verklaard om, onder begeleiding van de heer [betrokkene 2] die als mediator zal optreden, met de ander in gesprek te gaan over de manier waarop de ouders omgaan met [minderjarige] en zijn problematiek.
Partijen hebben verzocht de definitieve beslissingen aan te houden.
Dictum
Het hof:
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de vader;
bepaalt een voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , inhoudende dat [minderjarige] drie weekenden per vier weken van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de moeder verblijft;
bepaalt dat de ouders [minderjarige] zo spoedig als mogelijk zullen aanmelden bij de [school] te [plaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de ouders en de GI tijdig, te weten uiterlijk 28 juni 2024, het hof schriftelijk te informeren over hetgeen vermeld in rechtsoverweging 5.5.2., met gelijktijdige verzending daarvan aan de overige partijen, belanghebbende en de raad;
houdt iedere verdere beslissing PRO FORMA aan tot 19 juli 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.J.M. van Engelen en M.L.F.J. Schyns en is op 18 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.