Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-18
ECLI:NL:GHSHE:2024:4091
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,681 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/368
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 februari 2023, nummer BRE 21/3344, in het geding tussen belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
hierna: de minister.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende oefende het beroep van vloerenlegger uit.
2.2.
Belanghebbende is op 17 oktober 2016 geïmmigreerd naar Nederland.
2.3.
Belanghebbende heeft een verzekeringsproduct ‘ZelfstandigVerzekerd’ (hierna: de verzekering) bij [verzekeringsmaatschappij] (hierna: de verzekeraar) afgesloten ten aanzien van zijn beroep als vloerenlegger. Het polisblad vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Conform de in de polisvoorwaarden gepubliceerde tabel is een uitkering verzekerd vanaf ten minste 25% arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval, respectievelijk 25% als gevolg van een ziekte.
(…)
Arbeidsongeschiktheidscriterium: Beroepsarbeidsongeschiktheid”
In de ’Algemene Voorwaarden 2008 ZelfstandigVerzekerd’ (hierna: de polisvoorwaarden) is onder meer het volgende opgenomen:
“1.5. Arbeidsongeschiktheid
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd.
(…)
Te verzekeren risico
Artikel 2 Strekking van de verzekering
Deze verzekering heeft tot doel periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid uitsluitend in de hoedanigheid van zelfstandig ondernemer, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot. Eén en ander met inachtneming van hetgeen daarover in deze voorwaarden is bepaald.
(…)
Artikel 16 Uitkeringen
16.1
Mits verzekerde arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 1.5 voorziet deze verzekering in een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.
(…)”
2.4.
Op 23 juli 2013 heeft een registerarbeidsdeskundige namens de verzekeraar een arbeidskundig advies opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat belanghebbende in het geheel niet geschikt is zijn eigen beroepswerkzaamheden uit te voeren.
2.5.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2011 op 3 september 2012 ingediend en de aangifte IB/PVV 2012 op 18 oktober 2013 ingediend. Belanghebbende heeft in deze aangiften in box 1 zowel uitkeringen als premies voor particuliere verzekeringen in aanmerking genomen. De aanslag IB/PVV 2011 en de aanslag IB/PVV 2012 zijn conform de ingediende aangiften vastgesteld.
2.6.
Op 3 januari 2017 heeft belanghebbende een verzoek tot het opleggen van een navorderingsaanslag voor de jaren 2011 en 2012 ingediend. Vervolgens heeft de voormalige gemachtigde van belanghebbende telefonisch gesproken met de inspecteur. In het logboek heeft de inspecteur op 31 maart 2018 daarover het volgende vastgelegd:
“Tel. Contact met adviseur [adviseur] . Gevraagd wat de bedoeling van bezwaar/verzoek is. Blijkt dat klant in BE een procedure voert over de “sommenverzekering” en dat hij om de schijn niet tegen te hebben graag aanslagen ontvangen, waarin geen AEB en geen uitkering is opgenomen. Afgesproken met adviseur dat - ondanks dat mij niet bekend is wat voor soort uitkeringen en premie het betreft en dus ook niet hoe het zit met het al dan niet belast zijn van de uitkering en aftrekbaar zijn van de premies - ik akkoord ga met het verzoek. Levert navorderingsaanslagen 2011 en 2012 op, want ingehouden LH was eerder uitbetaald en moet nu weer afgedragen worden”
2.7.
De inspecteur heeft op 11 april 2018 voor beide jaren een navorderingsaanslag opgelegd waarbij zowel de uitkeringen als de premies zijn gecorrigeerd (hierna: de navorderingsaanslagen). Belanghebbende heeft tegen deze navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.
2.8.
In de uitspraken op bezwaar van 30 november 2018 schrijft de inspecteur, voor zover relevant, het volgende:
“Om uw stelling dat de uitkeringen niet tot het box 1 inkomen behoren te kunnen beoordelen zijn aanvullende stukken opgevraagd, de bijzondere voorwaarden (voorheen: clausulebladen) van de verzekeringen. Tot op heden heeft mijn collega deze niet ontvangen.
Hierdoor moet ik het bezwaar beoordelen aan de hand van de gegevens die mij tot nu toe ter beschikking staan. Uit het polis blad van polisnummer [polisnummer] met verwijzingsdatum 11 november 2011 blijkt dat er sprake is van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid. Hierdoor ben ik van mening dat er sprake is van een uitkering die op grond van artikel 3.100, lid 1, onder b Wet IB belast is. En dat de betaalde premies aftrekbaar zijn.”
2.9.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de onder 2.8 vermelde uitspraken op bezwaar, maar heeft deze beroepen later ingetrokken.
2.10.
Belanghebbende heeft over het jaar 2017 in totaal € 31.816 aan uitkeringen ontvangen van de verzekeraar (hierna: de uitkeringen). De verzekeraar heeft hierop € 10.428 aan loonheffingen ingehouden.
2.11.
In de op 3 augustus 2018 ingediende aangifte IB/PVV 2017 heeft belanghebbende de uitkeringen niet als belastbaar inkomen opgenomen. Wel heeft belanghebbende de ingehouden loonheffing in de aangifte vermeld. Op basis van de aangifte bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning negatief € 977.
2.12.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte en heeft het inkomen uit werk en woning verhoogd met € 31.819 tot € 30.893. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 589 aan belastingrente in rekening gebracht.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslag en dienovereenkomstige aanpassing van de beschikking belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag 1: Zijn de uitkeringen aan te merken als belastbare periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001?
4.1.
Artikel 3.100 Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:
“1. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn:
(…)
b. (…) en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, (…);”
4.2.
Artikel 3.124 Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:
“1. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn de op de belastingplichtige drukkende:
(…)
c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen (…) ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige (…)”
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van periodieke uitkeringen en dat deze zijn toegekomen aan belanghebbende. Wel is in geschil of de uitkeringen zijn gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’.
4.4.
Belanghebbende betoogt dat de uitkeringen zijn gedaan vanwege beroepsongeschiktheid, niet vanwege arbeidsongeschiktheid en, zo begrijpt het hof belanghebbende, om die reden niet zijn gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Belanghebbende verwijst hiervoor naar de per 1 januari 2005 vervallen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ). Bij de WAZ was het volgens hem van belang of de verzekerde in staat was om met arbeid een inkomen te verdienen, ongeacht met welke werkzaamheden. De verzekering die belanghebbende heeft afgesloten is een product van particuliere verzekeraars dat is ontstaan als gevolg van het vervallen van de WAZ.
Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat sprake is van uitkeringen die verband houden met gemist arbeidsvermogen, aangezien belanghebbende het beroep van vloerenlegger niet meer kan uitoefenen. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van dit standpunt gewezen op een volgens hem vergelijkbare zaak waarin rechtbank Zeeland-West-Brabant en dit hof op respectievelijk 1 september 2023 en 17 juli 2024 uitspraak hebben gedaan.
4.5.
Het hof overweegt als volgt. De door belanghebbende afgesloten verzekering heeft tot doel een periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn (beroeps)arbeidsongeschiktheid.Van arbeidsongeschiktheid is volgens de polisvoorwaarden uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval (onderstreping hof) objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd. Er is daarom een direct oorzakelijk verband tussen ziekte of ongeval van een verzekerde en de door de verzekeraar aan hem gedane uitkeringen. De uitkeringen vallen daarmee binnen de tekst van periodieke uitkeringen gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Daarbij maakt het naar het oordeel van het hof niet uit dat de uitkeringen worden gedaan omdat belanghebbende niet meer geschikt is om arbeid als vloerenlegger te kunnen verrichten en dat hij wellicht wel andere arbeid kan verrichten. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden dat onderhavige wetsbepalingen slechts zien op situaties waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid in die zin dat een belastingplichtige in het geheel geen arbeid meer kan verrichten of slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maar dan wel voor alle arbeid. De verwijzing van belanghebbende naar de WAZ maakt het voorgaande niet anders. Tot 1 januari 2005 bevatte de Wet IB 2001 afzonderlijke bepalingen die bewerkstelligden dat premies voor de WAZ als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking konden worden genomen en uitkeringen op grond van de WAZ als belastbare periodieke uitkeringen werden aangemerkt. Deze bepalingen bestonden naast de destijds ook al bestaande bepalingen inzake periodieke uitkeringen ter zake van ‘invaliditeit, ziekte of ongeval’. Het hof acht de per 1 januari 2005 vervallen WAZ daarom niet relevant voor de beslechting van het geschil.
4.6.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de uitkeringen zijn aan te merken als belastbare periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001. De door belanghebbende aangedragen uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en dit hof leiden niet tot een ander oordeel. De feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan die uitspraken wijken op fundamentele punten af van de deze zaak. Anders dan in deze zaak ging het in die zaak om een schadevergoeding die door de verzekeraar van een derde (degene die schade heeft veroorzaakt) aan de desbetreffende belastingplichtige/ondernemer werd toegekend voor het blijvend verlies aan arbeidskracht. Deze schadevergoeding was onbelast omdat deze buiten de inkomenssfeer lag. De schadevergoeding was niet toe te rekenen aan een bron van inkomen. In onderhavige zaak gaat het om periodieke uitkeringen die belanghebbende van zijn eigen verzekeraar ontvangt als gevolg van ziekte c.q. ongeval en zijn deze uitkeringen belast in box 1 op grond van artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001.
4.7.
Gelet op het voorgaande dient vraag 1 bevestigend te worden beantwoord en komt het hof toe aan de behandeling van vraag 2.
Vraag 2: Slaagt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel?
4.8.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur door tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende om de navorderingsaanslagen 2011 en 2012 op te leggen, bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de uitkeringen niet vallen onder artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001 en de verzekeringspremies niet vallen onder artikel 3.124, lid 1, letter c ,Wet IB 2001. Dat de inspecteur dit standpunt in de bezwaarfase heeft herzien, doet daaraan niet af. Voorts kan niet worden gezegd dat belanghebbende de inspecteur informatie heeft onthouden. De inspecteur heeft geen nadere informatie gevraagd. In dit kader is volgens belanghebbende verder van belang dat hij de aangifte IB/PVV 2017 heeft ingediend nadat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, maar voordat de inspecteur uitspraak heeft gedaan op het bezwaar van de belanghebbende tegen deze navorderingsaanslagen.
4.9.
Het hof overweegt als volgt. Indien een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid een weloverwogen standpunt heeft ingenomen kan dit leiden tot in rechte te beschermen vertrouwen. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de belastingplichtige in redelijkheid mocht aannemen dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle bijzonderheden van het desbetreffende geval.
4.10.
De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen opgelegd nadat belanghebbende daartoe heeft verzocht en nadat de voormalige gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur telefonisch contact hebben gehad over dit verzoek.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Wessels, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
€ 4.725 (2011) en € 9.726 (2012).
€ 3.263 (2011) en € 4.292 (2012).
ECLI:NL:RBZWB:2022:5081.
ECLI:NL:GHSHE:2024:2311.
Artikel 2 van de polisvoorwaarden.
Artikel 1.5 van de polisvoorwaarden.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 januari 2003, ECLI: NL:HR:2003:AF2996, r.o. 3.3.
Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI: NL:HR:2009:BJ5128, r.o. 3.3.1.