Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-04
ECLI:NL:GHSHE:2024:3979
Strafrecht
Hoger beroep
5,907 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001379-23
Uitspraak : 4 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-049957-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de opgelegde straf.
Het hof zal de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van de bevoegdheid tot het binnentreden/rechtmatigheid van de doorzoeking (pagina 3 en 4) vervangen op na te melden wijze.
Verbeteringen van de bewijsoverwegingen ziende op de bevoegdheid tot het binnentreden
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota, bepleit dat de politie niet bevoegd was om in het kader van artikel 3 van de Politiewet de woning van de verdachte te betreden. De verdediging stelt dat er sprake had moeten zijn van een acuut gevaar in de woning waardoor de hulp van de politie redelijkerwijs noodzakelijk was en verwijst hiervoor naar artikel 3 in samenhang met artikel 7, tweede lid van de Politiewet. Daartoe is samengevat aangevoerd dat er geen reden en geen noodzaak was om de woning van de verdachte te betreden, nu de vriendin van de verdachte daar niet woonde, nooit in gevaar is geweest en er geen verband was tussen de woning en de ontvoering. Voorts was er geen noodzaak tot het binnentreden, aangezien de politie niet direct om 23.00 uur bij een eerste controle de woning is binnengegaan, maar pas omstreeks 03.30 uur, toen de verdachte al was bevrijd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de politie de bevoegdheid zoals omschreven in artikel 3 van de Politiewet heeft misbruikt, omdat zij onderzoek wilden doen naar hetgeen zij kennelijk al bij die eerste controle hadden waargenomen. Van die eerste controle is tevens, in strijd met het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), geen proces-verbaal opgemaakt. Voorts is in het eindproces-verbaal niets gerelateerd over die eerste controle, waardoor deze controle moedwillig lijkt te zijn achtergehouden. De verdediging meent dat vorenstaande een onherstelbaar vormverzuim oplevert in het voorbereidend onderzoek, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de in de woning aangetroffen goederen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt op grond van het dossier het navolgende vast. De politie krijgt op 24 februari 2020 rond 23.00 uur twee meldingen dat er vermoedelijk in de [straatnaam] te Eindhoven een man tegen zijn wil is meegenomen in een personenauto. Ter plaatse treft de politie twee voertuigen op naam van [bedrijf] aan, met op de grond onaangebroken eten en een geopende achterklep (witte Range Rover). Bij beide voertuigen wordt niemand aangetroffen. De bewoner van [adres 2] meldt op 24 februari 2020 rond 23.30 uur aan de politie onder meer dat de eigenaar van de auto’s op [adres 3] woont met een vriendin (pagina 7 van het proces-verbaal van de voorgeleiding). De eigenaar van de auto’s blijkt de verdachte te zijn. Hij is op 24 februari 2020 omstreeks 23.00 uur in de buurt van zijn toenmalige woning aan [adres 3] ontvoerd en op 25 februari 2020 omstreeks 02.28 uur met zijn handen geboeid en zichtbaar letsel in het gezicht – te weten blauwe plekken rondom de ogen en rode vlekken op het voorhoofd – in Utrecht door de politie aangetroffen op de achterbank van een BMW. Na het aantreffen van de verdachte in Utrecht wilde het onderzoeksteam in Eindhoven een onderzoek instellen naar het welzijn van voornoemde vrouwelijke bewoner in de woning van de verdachte, omdat op het adres van de verdachte volgens het GBA ook een vrouw genaamd [betrokkene] stond ingeschreven en het vermoeden bestond dat de verdachte in of nabij deze woning was overmeesterd. Desgevraagd heeft de verdachte ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam bij de politie-eenheid Midden Nederland, verklaard dat hij de politie geen toestemming gaf om zijn woning in te gaan en heeft daarbij tevens verklaard dat hij dacht dat zijn vriendin thuis was. Uit het dossier blijkt dat de politie bij een eerste controle van de woning via de tuin van de buren toegang tot de tuin van de woning van de verdachte had verkregen en dat was gezien dat op de begane grond de verlichting brandde. Om 3.12 uur werd in het kader van artikel 3 van de Politiewet hierna overleg gepleegd door de hulpofficier van justitie met de officier van justitie en werd besloten de woning van de verdachte binnen te treden om vast te stellen of de vriendin van het slachtoffer [verdachte] , de latere verdachte, aanwezig was in de woning. Blijkens het proces-verbaal van binnentreden (pagina 88 van het dossier) is om 3.25 uur op grond van artikel 3 van de Politiewet binnengetreden met inachtneming van artikel 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden (AWBI) tussen middernacht en 6.00 uur, bij afwezigheid van de bewoner, met als motivering van de dringende noodzakelijkheid: ‘op zoek naar mogelijk (2e) slachtoffer van vrijheidsberoving’.
Anders dan de verdediging heeft betoogd wordt in artikel 3 van de Politiewet niet bepaald dat er een acuut gevaar moet zijn bij het uitoefenen van de hulpverleningstaak van de politie. Op grond van artikel 7, lid 2 van de Politiewet heeft de politie toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is. De uitoefening van deze bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn (lid 7 van artikel 7 van de Politiewet). In de artikelen 2 en 3 van de AWBI staan vervolgens de voorwaarden waaronder mag worden binnengetreden. In artikel 2, lid 3 AWBI is bepaald dat vooraf geen schriftelijke machtiging of toestemming is vereist voor het binnentreden van een woning indien terstond moet worden binnengetreden ter voorkoming van ernstig en onmiddellijke gevaar voor de veiligheid van personen.
Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verbalisanten op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Politiewet in het kader van de hulpverleningstaak bevoegd waren de woning van de verdachte zonder zijn toestemming en zonder machtiging te betreden. De verdachte is immers diezelfde avond in de nabijheid van zijn woning op grove wijze ontvoerd.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 254 (tweehonderdvierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. drs. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 4 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Uit de feiten en omstandigheden bij het aantreffen van de auto’s nabij de woning van de verdachte en zoals die naar voren komen uit een filmpje dat door een buurtbewoner is gemaakt van het moment van de ontvoering en de geestelijke en lichamelijke toestand waarin de verdachte verkeerde toen hij in Utrecht door de politie is aangetroffen, kon de politie afleiden dat er voorafgaand en tijdens de vrijheidsberoving fors geweld is gebruikt tegen de verdachte, toen nog in de hoedanigheid van slachtoffer. Daarnaast acht het hof van belang dat de politie de informatie had dat op het adres van verdachte ook een vrouw, te weten [betrokkene] , stond ingeschreven, dat blijkens verdachtes verklaring tegenover de verbalisanten zijn vriendin thuis zou zijn en de politie ziet dat er licht brandt op de benedenverdieping van de woning van de verdachte. Daarnaast heeft een buurman die nacht aan de politie verklaard dat de verdachte daar woont met een vriendin.
Naar het oordeel van het hof was het binnentreden in de woning van de verdachte op grond van al deze omstandigheden gerechtvaardigd en noodzakelijk om het welzijn van de toenmalige vriendin van de verdachte te kunnen vaststellen. Het hof overweegt voorts dat hierbij het tijdsverloop tussen de meldingen van de vrijheidsberoving en het binnentreden in de woning niet maakt dat er geen dringende noodzakelijkheid voor het binnentreden in het kader van de hulpverlening meer zou zijn, aangezien de verdachte pas omstreeks 02.28 uur door de verbalisanten geboeid en gewond achter in BMW werd aangetroffen, toen heeft verklaard dat hij dacht dat zijn vriendin thuis was en een verbalisant daarnaast bij de eerste controle in de tuin van de woning had gezien dat er licht brandde. Het hof schuift het betoog van de verdediging dat de toenmalige vriendin van de verdachte niet feitelijk in de woning van de verdachte woonde, dat de verdachte met ‘thuis’ haar huis elders zou hebben bedoeld en dat de politie dat makkelijk had kunnen verifiëren, terzijde nu deze feiten en omstandigheden pas achteraf bekend zijn geworden en de politie na het aantreffen van de verdachte snel wilde handelen in verband met de veiligheid van de vriendin van de verdachte.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de politie bevoegd was de woning van de verdachte binnen te treden in het kader van artikel 3 van de Politiewet. De daarna ontstane verdenking naar witwassen (en later het bezit van harddrugs en jammers), maakt niet dat er initieel sprake is geweest van misbruik van de bevoegdheid tot binnentreden op grond van artikel 3 Politiewet.
Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van het door de verdediging gestelde in verband met rechtmatigheid van het binnentreden in de woning nog als volgt. De voorschriften omtrent het binnentreden en het betreden van plaatsen door de politie strekken ter bescherming van het huisrecht van de bewoner. Indien het hof het binnentreden van de politie in deze zaak als onrechtmatig zou hebben beoordeeld, zou daardoor het in artikel 8 Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zijn geschonden. Een schending van artikel 8 EVRM levert niet zonder meer een inbreuk op van de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborg van een eerlijk proces en daarmee bewijsuitsluiting op.
In dit kader overweegt het hof voorts dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een mogelijk vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv. Daarnaast kwam de politie naar het oordeel van het hof ook een titel om in de woning van de verdachte binnen te treden toe in het onderzoek naar zijn wederrechtelijke vrijheidsberoving, een strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar of meer is gesteld. De politie heeft echter bij haar optreden in deze zaak het welzijn van de vriendin van de verdachte voorop gesteld.
Het verweer van de verdediging dat er van de eerdere controle geen proces-verbaal is opgemaakt en dit bewust uit het einddossier is gelaten, gaat naar het oordeel van het hof niet op. Over die eerste controle is immers wel gerelateerd in het relaas van het voorgeleidingsproces-verbaal en derhalve is voldaan aan het bepaalde in artikel 152 Sv. Dat de bevindingen over de eerste controle vervolgens niet zijn opgenomen in het eindproces-verbaal, maakt naar het oordeel van het hof niet dat die bevindingen (bewust) zouden zijn achtergehouden.
Nu het hof niet tot het oordeel komt dat er sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv worden de verweren van de verdediging in al hun onderdelen verworpen.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft, ingeval het hof het verweer ziende op de rechtmatigheid van het binnentreden in de woning niet volgt, verzocht de onbekend gebleven verbalisanten te horen die de ‘eerste controle’ hebben uitgevoerd. Het hof begrijpt uit het verzoek dat de verdediging door middel van het horen van deze verbalisanten meer informatie wenst te verkrijgen over de eerste controle zodat de rechtmatigheid van het latere binnentreden in de woning van de verdachte kan worden getoetst. Het hof acht zich op dit punt op basis van de in het dossier voorhanden zijnde informatie al voldoende voorgelicht. Het is derhalve niet noodzakelijk dat deze getuigen worden gehoord, waardoor het voorwaardelijk verzoek zal worden afgewezen.
Op te leggen straf
De verdediging heeft, indien het hof tot een strafoplegging komt, bepleit om rekening te houden met het recente reclasseringsadvies betreffende de verdachte, het tijdsverloop, het strafblad van de verdachte en de gevolgen die een detentie voor de verdachte zouden hebben. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de goede ingeslagen weg van de verdachte zou doorkruisen en verzoekt derhalve geen straf op te leggen die hoger is dan de tijd die hij reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. De verdachte is bereid en in staat een geldboete te betalen en/of een werkstraf uit te voeren.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van circa 8 kilogram cocaïne. Het is algemeen bekend dat harddrugs schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Voorts mag als bekend worden verondersteld dat de handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormt van nationale en internationale – niet zelden elkaar beconcurrerende – criminele verbanden, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld niet schuwen, met soms ook onbedoelde slachtoffers. De verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van dit illegale circuit, zonder zich te bekommeren om alle negatieve neveneffecten.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van vier geheel of gedeeltelijk aangelegde jammers, terwijl voor deze apparaten geen vergunningen waren verleend.
Inleiding
Jammers hebben tot doel de telecommunicatie-infrastructuur te verstoren. Dit kan gevaarlijke situaties opleveren, omdat het gebruik van jammers ook de elektronische communicatie en de opslag van gegevens verstoort waarvan onder meer hulpdiensten afhankelijk zijn. Bovendien is het algemeen bekend dat dergelijke jammers vaak worden gebruikt in het criminele circuit om zo de opsporing van onder andere druggerelateerde feiten te bemoeilijken. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk, doch niet recentelijk, ter zake van een drugsdelict is veroordeeld.
Het hof heeft tevens kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 6 november 2024, welke een aanvulling betreft op de eerder uitgebrachte reclasseringsadviezen van 28 april 2020 en 29 maart 2023. Uit het reclasseringsadvies van 29 maart 2023 kwam onder meer naar voren dat de verdachte een enorme verandering ten aanzien van de invulling van zijn leven heeft doorgemaakt. Hierover werd gerapporteerd:
“Waar zijn leven zich vóór het onderhavige feit kenmerkte door instabiliteit en rusteloosheid in dagbesteding, financiën en sociale relaties, kenmerkt zijn huidige leefsituatie zich door stabiliteit in alle leefgebieden”.
Uit het reclasseringsadvies van 6 november 2024 volgt dat de verdachte deze ingezette positieve verandering sindsdien heeft weten vast te houden. De verdachte praat met enthousiasme over zijn werk en zijn relatie. Deze positiviteit wordt bevestigd door zowel zijn werkgever als zijn vrouw (beiden ook ter terechtzitting bij het hof aanwezig). De bestendiging van verandering ten aanzien van de praktische leefgebieden heeft rust gebracht, maar heeft er ook voor gezorgd dat er meer ruimte is gekomen voor reflectie. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag. De reclassering stelt ten slotte dat een gevangenisstraf de positieve ontwikkeling van de verdachte van de afgelopen jaren zal doorkruisen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen overigens door en namens de verdachte naar voren is gebracht omtrent zijn persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit komt onder meer naar voren dat de verdachte ten gevolge van de ontvoering een ernstig trauma heeft opgelopen en daarmee de negatieve neveneffecten van de handel in harddrugs zoals hierboven omschreven, aan den lijve heeft ondervonden.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij de straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd.
Voor het aanwezig hebben van bijna 8 kilo harddrugs gaan de oriëntatiepunten bij een zogenaamde first-offender uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur vanaf 24 maanden. Naast het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne heeft de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vier jammers.
In het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde in samenhang met voornoemd vertrekpunt kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
In voormelde persoonlijke omstandigheden – in het bijzonder de inhoud van de reclasseringsadviezen, verdachtes beperkte justitiële documentatie, de omstandigheid dat hij al lange tijd geschorst is uit de voorlopige hechtenis en er zich sindsdien in het leven van de verdachte verschillende positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan die door een nieuwe detentie zouden worden doorkruist – ziet het hof aanleiding om in deze zaak aan het strafdoel van speciale preventie (het voorkomen van herhaling) bijzonder gewicht toe te kennen en bij hoge uitzondering in het voordeel van de verdachte af te wijken van de hiervoor genoemde oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 254 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, in onderhavige zaak passend en geboden. Naast deze gevangenisstraf ziet het hof aanleiding om een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Met oplegging van het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte 106 dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij de verdachte de voorwaarden bij de voorwaardelijk op te leggen straf overtreedt of de taakstraf niet naar behoren verricht.
Het hof zal ten slotte het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften