Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-07
ECLI:NL:GHSHE:2024:3967
Strafrecht
Hoger beroep
7,876 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002205-22
Uitspraak : 7 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 19 september 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-993231-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
‘medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 1);
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2);
‘medeplegen van, opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 3);
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop zijn begaan.
Voorts is de onder de verdachte in beslag genomen telefoon (iPhone) verbeurdverklaard.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen wegens een andere bewezenverklaring van feit 3 en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten slotte is verzocht dat het hof zal beslissen op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon overeenkomstig de rechtbank.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt, meer in het bijzonder voor wat betreft feit 3. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan verenigen met de bewijsbeslissingen en gronden van de rechtbank voor wat betreft de feiten 1 en 2 alsook de beslissing op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon, zodat het hof waar mogelijk onderdelen uit het vernietigde vonnis over zal nemen en tot de zijne zal maken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering – tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)wisten of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s):
- een hoeveelheid chemicaliën en/of grondstoffen, ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of
- hardware, te weten ketels en/of een drukvat en/of een roermotor en/of glaskolven en/of jerrycans en/of tabletteermachines gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of
- contacten onderhouden en/of gesprekken gevoerd met medeverdachten en/of
- foto’s van de productielocatie gemaakt en/of uitgewisseld en/of
- een voertuig ter beschikking gesteld en/of geregeld en/of
- een loods te Zaandam ter beschikking gesteld en/of verhuurd en/of gehuurd.
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,(een) hoeveelhe(i)d(en) metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, zijnde metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.
hij op of omstreeks 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43,28 kilogram metamfetamine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat:
de verdachte een verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid aan de [adres 2] en de aanwezigheid van zijn auto’s, zodat die aanwezigheid niet in belastende zin kan worden uitgelegd;
omtrent de foto’s die op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen te veel onduidelijk is om deze als belastend aan te kunnen merken;
de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar terzijde dient te worden geschoven
dat het dossier verschillende contra-indicaties bevat voor verdachtes betrokkenheid bij het aangetroffen drugslab, in het bijzonder:
a. dat de verdachte niet door de Mexicaanse medeverdachten wordt herkend;
b. van de verdachte geen DNA-sporen zijn aangetroffen in de ruimte die feitelijk gebruikt werd voor de productie van drugs;
c. de kleding van de verdachte op 11 maart 2020 niet naar synthetische drugs rook.
Gelet op al het vorenstaande dient derhalve de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Overneming gronden
Het hof neemt ingevolge artikel 423, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, uit het vernietigde vonnis de navolgende overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne:
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Algemeen’;
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Productie metamfetamine’;
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Voorbereidingshandelingen’.
Aanvullende overwegingen
De verdachte heeft verklaard dat hij veelvuldig bij de loods aan [adres 2] was om daar een gunfactor te krijgen bij [medeverdachte 2] en te helpen met opruimen, zodat hij van [medeverdachte 2] een deel van de loods zou kunnen huren voor zijn eigen bedrijf. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Het hof volgt de (door het hof overgenomen) overwegingen van de rechtbank en beschouwt de daarin vermelde feiten en omstandigheden nadrukkelijk in onderling verband en in samenhang.
Daaraan voegt het hof toe dat uit de bevindingen van het LFO is gebleken dat er – op het moment van de inval bij het lab – werd geproduceerd. In een dergelijk geval ligt het a priori niet in de rede – nu ontdekking daarvan met de daaraan verbonden risico’s moet worden voorkomen – dat wordt toegestaan dat personen die niets met dat lab te maken hebben, daarbij in de buurt mogen komen. Dat geldt te meer voor het toelaten van dergelijke personen ín de loods waar dat lab zich bevindt en waar op dat moment wordt geproduceerd.
Naar het oordeel van het hof doen de door de verdediging aangedragen ‘contra-indicaties’ hieraan niet af.
Opzettelijk aanwezig hebben metamfetamine
Zoals overwogen is de verdachte als medepleger betrokken geweest bij de voorbereiding van metamfetamine productie en bij de daadwerkelijke productie daarvan. Hij wist dat in de loods aan [adres 2] een in werking zijnd drugslab aanwezig was en dat aldaar metamfetamine werd geproduceerd. De verdachte had aldus de beschikkingsmacht en het opzet op het aanwezig hebben van (een materiaal bevattende) metamfetamine.
Anders dan de rechtbank overweegt het hof als volgt ten aanzien van de aangetroffen hoeveelheid metamfetamine. Ter plaatse zijn de volgende hoeveelheden aangetroffen:
2,1 kilogram crystal meth;
6,18 kilogram metamfetamine kristallen;
35 kilogram metamfetamine tartraat.
Uit de processen-verbaal van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt dat bij de productie van metamfetamine een mengsel ontstaat van respectievelijk linksdraaiende en rechtsdraaiende metamfetamine in een 1:1-verhouding. De linksdraaiende variant betreft levo-metamfetamine (of l-metamfetamine) en de rechtsdraaiende variant betreft dextro-metamfetamine (of d-metamfetamine).
Van deze twee varianten heeft d-metamfetamine een aanzienlijk sterkere werking. Deze variant wordt ook wel aangeduid als ‘Crystal meth’ of ‘Ice’.
De l-metamfetamine daarentegen heeft juist een minder sterke werking. Deze l-metamfetamine kan echter worden omgezet in (opnieuw) een racemisch mengsel van d- en l-metamfetamine (in dezelfde 1:1-verhouding), welk mengsel vervolgens weer kan worden gescheiden in d-metamfetamine (Crystal Meth) en l-metamfetamine.
Uit de bevindingen van het LFO blijkt dat het terug omzetten van l-metamfetamine naar een mengsel van l-metamfetamine en d-metamfetamine plaatsvond in het lab aan [adres 2] , en dat daarmee de opbrengst van het productieproces vergroot kan worden.
Zowel d-metamfetamine als l-metamfetamine als het racemisch mengsel van die twee staan vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Bovendien worden ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Opiumwet, zouten van substanties gelijkgesteld met de substanties zelf.
Gelet hierop, en gelet op het feit dat de tartraatvorm van metamfetamine een zoutvorm daarvan betreft, wordt aldus deze tartraatvorm voor de toepassing van de Opiumwet en de daarop berustende bepalingen gelijkgesteld aan de metamfetamine zoals vermeld op lijst I bij de Opiumwet. Daarom moet ook dit metamfetaminetartraat worden beschouwd als een middel als bedoeld op de bij die wet behorende lijst I.
Indachtig het hiervoor overwogene concludeert het hof dat op 11 maart 2020 de tenlastegelegde hoeveelheid van 43,28 kilogram metamfetamine ter plaatse aanwezig is geweest en dat de verdachte – gelet op zijn rol bij het produceren daarvan – die hoeveelheid ook opzettelijk aanwezig heeft gehad nu hij wist van de aanwezigheid ervan en daarover de feitelijke macht kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Herhaalde verzoeken tot het horen van getuigen
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 oktober 2024 zijn van de zijde van de verdediging de verzoeken herhaald om de volgende personen als getuige te horen: [getuige 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [getuige 2] .
Het hof overweegt als volgt.
Het hof wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige omdat deze getuige enkel heeft verklaard de verdachte bij de loods te hebben gezien. Blijkens de verklaringen van de verdachte zelf wordt dit door hem niet betwist, zodat niet valt in te zien hoe de eventuele nadere verklaring van deze getuige op dit punt, welke verklaring blijkens de motivering door de verdediging wordt gepresenteerd als een ontlastende verklaring, redelijkerwijs de positie van de verdediging kan verstevigen en de uitkomst in de strafzaak op een voor de verdachte positieve manier kan beïnvloeden, zodat het hof van oordeel is dat de verdachte door het afwijzen van dit verzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad. Daarenboven heeft het hof de verklaring van deze getuige niet voor het bewijs gebruikt, zodat vastgesteld wordt dat de verklaring van deze getuige van geen belang voor de bewezenverklaring is geweest.
Het hof wijst af de verzoeken tot het horen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige. De getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn in eerste aanleg door de rechter-commissaris gehoord, doch niet in de onderhavige zaak.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 10 (tien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Apple iPhone A1778, IBN [beslagnummer] .
beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Aldus gewezen door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 7 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. G.C. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Dictum
Het hof stelt vast dat de raadsman van de verdachte bij het verhoor van [medeverdachte 2] aanwezig is geweest en bij het verhoor van de getuige [medeverdachte 1] is namens de raadsman als waarnemend raadsvrouw mr. Ameziane aanwezig geweest.
Tijdens het verhoor van de getuige [medeverdachte 1] zijn door mr. Ameziane vragen aan hem gesteld en deze heeft zij beantwoord gekregen. Dat betekent dat ten aanzien van [medeverdachte 1] al eerder een adequate en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft bestaan. Door de verdediging is onvoldoende gemotiveerd waarom deze getuige opnieuw zou moeten worden gehoord.
Tijdens het verhoor van de getuige [medeverdachte 2] zijn door de verdediging geen vragen aan de getuige gesteld. Aangenomen mag worden dat daartoe echter wel de gelegenheid heeft bestaan. Het is het hof immers ambtshalve bekend dat bij het kabinet van de rechter-commissaris – gelijk als in hoger beroep – een raadsman van een medeverdachte die als toehoorder aanwezig is bij een getuigenverhoor desgewenst in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens het verhoor vragen aan de getuige te stellen, hoewel deze op dat moment formeel niet in de zaak van de verdachte als getuige wordt gehoord. Dat is immers ook tijdens het verhoor van de getuige [medeverdachte 1] gebeurd.
Bovendien kan uit het verhoor worden afgeleid dat aan de getuige vragen zijn gesteld met betrekking tot de rol van de verdachte en deze vragen zijn door de getuige beantwoord.
In een dergelijke situatie, als de getuige een verklaring aflegt die ook relevant zou kunnen zijn voor de zaak tegen de verdachte, mag van de verdediging die bij het verhoor aanwezig is, worden verlangd dat zij duidelijk kenbaar maakt ook op eigen titel de getuige te willen ondervragen en dat zij daartoe een verzoek doet, onmiddellijk tijdens het verhoor door de rechter-commissaris.
Uit de omstandigheid dat de verdediging noch bij de rechter-commissaris noch nadien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting de wens heeft kenbaar gemaakt om deze getuige te ondervragen, mag worden aangenomen dat zij afstand heeft gedaan van haar recht om deze getuige te horen.
Het hof wijst ten slotte af het verzoek tot het horen van [getuige 2] als getuige. Hoewel de getuige [getuige 2] in eerste aanleg door de rechter-commissaris is gehoord en de verdediging in de gelegenheid is geweest deze getuige vragen te stellen en op enkele van die vragen antwoord heeft gekregen, merkt het hof de ondervragingsgelegenheid van deze getuige, nu de getuige zich verder grotendeels op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, niet als voldoende adequaat en effectief aan om zijn verklaring op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen. Echter acht het hof door het niet nader horen van deze getuige de verdachte niet in zijn verdediging geschaad, nu de verklaring van deze getuige slechts op één onderdeel voor het bewijs is gebruikt, te weten dat hij weleens gebruik maakte van de Mazda van de verdachte, maar dat de verklaring van de getuige op dit onderdeel door de verdachte niet wordt betwist. Daarenboven valt uit het vorenstaande af te leiden dat de betekenis van deze verklaring voor het bewijs niet van doorslaggevende betekenis is geweest.
Het hof heeft, bij de beoordeling van voormelde voorwaardelijke verzoeken, tevens de vraag betrokken of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat dit het geval is.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit om een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zo nodig aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel en/of een taakstraf. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende bepleit. De verdachte heeft zich in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de aan hem opgelegde schorsingsvoorwaarden gehouden en is sindsdien niet meer met de politie in aanraking gekomen. Ook is de verdachte voor vergelijkbare feiten als de onderhavige niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Verder heeft de verdachte – sinds hij zijn baan is kwijtgeraakt door zijn veroordeling – nieuw werk gevonden en zet hij alles op alles om een belangrijke rol in het leven van zijn zoon te kunnen vervullen. Ten slotte is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van het voorbereiden van metamfetamineproductie (feit 1), het medeplegen van metamfetamineproductie (feit 2), en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van metamfetamine (feit 3).
Het is een feit van algemene bekendheid dat de drug metamfetamine vanaf het eerste gebruik direct verslavend is en dat gebruikers snel meer gebruiken om de euforische effecten te kunnen blijven ervaren. Metamfetamine heeft een verwoestend effect op de gezondheid van de gebruikers. Niet alleen is er zichtbare lichamelijke schade door bijvoorbeeld huid- en gebitsproblemen, ook kan veelvuldig gebruik zorgen voor psychische klachten. Bij langdurig gebruik kan metamfetamine dodelijk zijn.
De verdachte heeft zich om al deze gevolgen kennelijk niet bekommerd en met zijn handelen mede het aanbod van dit zeer schadelijke middel in stand gehouden.
De productie van, de handel in en het gebruik van drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden met regelmaat beschermd door geweld en/of bedreiging daarmee.
Dictum
Ook van het witwassen van de grote winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de maatschappij.
Ten slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs gepaard met direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegale dumpingen en lozingen, en bestaat er brand- en ontploffingsgevaar bij het onprofessioneel opslaan en bewerken van diverse chemicaliën. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en er ook geen enkele blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.
Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daaruit blijkt voor de productie van een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram harddrugs waarbij geen sprake is van productie in de context van een criminele organisatie, als oriëntatiepunt een gevangenisstraf vanaf 50 maanden is geformuleerd. Bij productie waarbij sprake is van een context van een criminele organisatie geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf vanaf 72 maanden.
Het hof betrekt hierbij dat de verdachte als facilitator een belangrijke rol had in het drugslab. Hij heeft contacten onderhouden met medeverdachten, sprak met [medeverdachte 2] over zuren en te betalen geldbedragen, vertelde [medeverdachte 1] dat hij niet in het achterste gedeelte van de loods mocht komen en stelde voertuigen ter beschikking aan enkele medeverdachten. In het nadeel van de verdachte wordt voorts betrokken dat sprake is van een zeer professioneel laboratorium waarin op grote schaal metamfetamine kon worden geproduceerd en ook aanzienlijke hoeveelheden metamfetamine en afval behorend bij metamfetamineproductie zijn aangetroffen.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 augustus 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten – niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Het hof heeft hieraan een enigszins matigende invloed op de uiteindelijk op te leggen straf toegekend.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte werkt, geen schulden heeft buiten een hypotheekschuld.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 12 maart 2020 met de inverzekeringstelling van de verdachte, en is geëindigd op 19 september 2022 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden in eerste aanleg overschreden met ongeveer 6 maanden en 1 week.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 27 september 2022 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte, en eindigt heden, 7 november 2024, met het wijzen van het onderhavige arrest. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden in hoger beroep met ongeveer 5 weken overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
Resumé
Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden hebben geacht. Echter, gelet op voormelde overschrijding is het hof – alles afwegende – van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Bij arrest van heden wordt de verdachte veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk bereiden van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet alsmede het medeplegen van het opzettelijk bereiden van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 43,28 kilogram van een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 10 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Gezien het extreem lucratieve karakter van deze bewezenverklaarde feiten en het daarmee samenhangende gevaar voor herhaling, acht het hof het noodzakelijk bij arrest de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
De vrijheidsbeneming van de verdachte komt behalve op het gevaar voor herhaling, te rusten op artikel 5 lid 1 sub a van het EVRM. Dat betekent dat niet zonder meer van kracht is het recht van de verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu die berechting door een daartoe bevoegde rechter heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft ambtshalve de persoonlijke belangen van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, gewogen tegen de strafvorderlijke belangen en gezien het vorenstaande en de duur van de op te leggen straf, acht het hof de strafvorderlijke belangen van zwaarder gewicht, zodat het hof bij afzonderlijke beschikking de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal bevelen met ingang van heden.
Verbeurdverklaring
Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp dat aan de verdachte toebehoort, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften