Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-12
ECLI:NL:GHSHE:2024:3952
Civiel recht
Hoger beroep
2,446 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 12 december 2024
Zaaknummer : 200.336.970/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10516931 \ EZ VERZ 23-174
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [verweerster] ,
advocaat: mr. F.H. Kuiper te Heerlen,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenbeschikking van 22 augustus 2024 in het hoger beroep van de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 november 2023.
5De beschikking van 22 augustus 2024
In die beschikking heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
Erflater ( [erflater] , geregistreerd partner van [verweerster] en vader van [appellante] ) heeft bij testament een tweetrapsmaking gemaakt en [verweerster] tot enig erfgenaam, de bezwaarde, benoemd en [appellante] tot verwachter. [appellante] heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.
Het hof heeft overwogen dat [appellante] op grond van de redelijkheid en billijkheid recht heeft op en belang heeft bij afgifte van de door haar gevraagde informatie.
Partijen zijn het niet eens over tegen welke waarde de vordering op [appellante] (de geldlening) en de waarde van de vof per sterfdatum van erflater in de boedelbeschrijving opgenomen dient te worden. [verweerster] heeft een bepaalde deskundige voorgesteld. Omdat [appellante] nog niet op dit voorstel had gereageerd is zij vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Verder mocht [appellante] in haar reactie aangeven welke andere punten nog aandacht behoeven van het hof of de deskundige. [verweerster] is door het hof in de gelegenheid gesteld om op deze punten nog te reageren.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft na de tussenbeschikking van 22 augustus 2024 kennis genomen van:
- de reactie van mr. Hamburger namens [appellante] , bij het hof binnengekomen op 6 september 2024;
- de reactie van mr. Kuiper namens [verweerster] , bij het hof binnengekomen op 8 oktober 2024.
6.2.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
7De verdere beoordeling
7.1.
[appellante] heeft in haar reactie aangegeven dat de door [verweerster] voorgestelde deskundige de huisaccountant van [verweerster] is en daarom niet onpartijdig kan zijn. [appellante] verzoekt het hof dan ook een onafhankelijke deskundige te benoemen, die – naar bevind van zaken – mag communiceren met de accountants van partijen.
Daarnaast geeft [appellante] aan dat zij nimmer de in haar brief van 29 mei 2024 genoemde gegevens onder punten 2, 3 en 4 (verstrekking van de bankgegevens van de vof met uitleg) van [verweerster] heeft ontvangen en vraagt of de deskundige aan deze punten volledige aandacht besteedt zodat de vragen van [appellante] beantwoord kunnen worden en er een correcte boedelbeschrijving kan plaatsvinden, waardoor [appellante] haar erfdeel juist en precies kan berekenen.
7.2.
[verweerster] heeft in haar reactie betwist dat de door haar voorgestelde deskundige niet onpartijdig zou zijn. Voor zover het hof de door [verweerster] voorgestelde deskundige niet tot deskundige benoemt verzoekt [verweerster] een deskundige te benoemen die goed thuis is in de midden- en kleinbedrijf en het voorschot voor de kosten van de deskundige te bepalen op maximaal € 1.500,-.
7.3.
Nu partijen het niet eens zijn over de door [verweerster] voorgestelde deskundige zal het hof zelf een onafhankelijke deskundige benoemen. Het hof heeft [deskundige] , registeraccountant, bereid gevonden om onderzoek te verrichten naar de waarde van de geldlening (zie overwegingen 3.11 tot en met 3.13 van de tussenbeschikking van 22 augustus 2024) en de waarde van de onderneming per sterfdatum, het mede aan de hand van een daartoe op te stellen jaarrekening 2020 per genoemde sterfdatum ( [sterfdatum] 2020) (zie overwegingen 3.14 en 3.15 van genoemde tussenbeschikking).
[verweerster] heeft – hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld – niet gereageerd op het verzoek van [appellante] dat de deskundige aan de punten in haar brief van 29 mei 2024 aandacht besteedt waardoor er een correcte boedelbeschrijving gemaakt kan worden en het erfdeel/legitieme portie van [appellante] becijferd kan worden. Het hof overweegt dat de deskundige deze punten – met name mogelijk verborgen schenkingen aan de vof, verklaring hoge kostenposten en mogelijke verkoop voorraden voor een te lage prijs – ook in het onderzoek dient te betrekken zodat er een juiste boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater opgemaakt kan worden.
7.4.
Zoals in overweging 3.17. van genoemde tussenbeschikking is opgenomen komen de kosten van de deskundige voor rekening van [verweerster] . Het hof wijst het verzoek van [verweerster] tot maximering van de kosten van de deskundige af, aangezien de door het hof te benoemen deskundige een duidelijke begroting heeft opgesteld, die op een hoger bedrag uitkomt. Partijen kunnen hier eventueel bezwaar tegen maken op de wijze zoals in het dictum onder 8.9. is vermeld.
7.5.
Na het deskundigenrapport zullen partijen in de gelegenheid gesteld worden om hierop te reageren. [appellante] zal hiertoe als eerste in de gelegenheid worden gesteld waarna [verweerster] hierop kan reageren.
7.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dictum
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
8.1.
benoemt tot deskundige:
[deskundige] , werkzaam bij [bedrijf] B.V.
[adres]
[plaats]
T. [telefoonnummer]
[e-mailadres]
8.2.
bepaalt dat de deskundige onderzoek verricht zoals in overweging 7.3. is vermeld;
8.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige toezendt;
8.4.
bepaalt dat beide partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking ieder (een afschrift van) de processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en dat partijen alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken, waarbij gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij;
8.5.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
8.6.
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
8.7.
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
8.8.
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
8.9.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op € 5.808,- inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
8.10.
bepaalt dat [verweerster] laatstgemeld bedrag zal voldoen binnen twee weken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
8.11.
verzoekt de deskundige, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
8.12.
benoemt mr. R.R.M. de Moor tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
8.13.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024.