Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-12
ECLI:NL:GHSHE:2024:3950
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,840 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 december 2024 (bij vervroeging)
Zaaknummer: 200.333.030/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/400360 FA RK 22-3556
in de zaak in hoger beroep van:
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: voorheen mr. G.H.M. van Laarhoven, thans mr. J.A.M. van Weely.
5De beschikking d.d. 21 maart 2024
Bij die beschikking heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.333.018/01 (echtscheiding) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep voor zover dat ziet op de tussen partijen uitgesproken echtscheiding en heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.333.030/01 (verdeling) iedere verdere beslissing aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. Van Reeven-Özer;
-de vrouw, bijgestaan door mr. Van Weely.
7De verdere beoordeling
7.1.
De man heeft, voor zover thans nog van belang, in principaal hoger beroep negen grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking (de eerste grief van de man zag op de uitgesproken echtscheiding en is behandeld in de beschikking van 21 maart 2024). De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:
inboedelgoederen (grief 2 van de man, grief van de vrouw);
bankrekeningen (grief 3 van de man);
de sieraden (grief 4 t/m 8 van de man);
de Mercedes (grief 9 van de man);
de creditcardschuld (grief 10 van de man).
7.2.
Het hof zal hierna de grieven per onderwerp bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, zal het hof eerst ingaan op de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in hoger beroep.
Ontvankelijkheid
7.3.
De vrouw stelt in haar verweerschrift dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Zij voert daartoe, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan. Nu de man door het hof bij beschikking van 21 maart 2024 niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek in hoger beroep tegen de door de rechtbank bij de bestreden beschikking van 4 juli 2023 uitgesproken echtscheiding, brengt dat met zich dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep tegen de in het lichaam van de in die beschikking genomen eindbeslissingen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De beschikking van de rechtbank is immers in zoverre slechts een tussenbeschikking.
7.4.
De man weerspreekt deze stelling van de vrouw en voert aan dat nu hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitgesproken echtscheiding, hij tevens in hoger beroep mocht komen van de eindbeslissingen van de rechtbank in het lichaam van de beschikking.
7.5.
Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid. De beschikking van 4 juli 2023 is een eindbeschikking, voor zover de rechtbank in het dictum echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken, de kinderalimentatie heeft bepaald en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning heeft toegekend. In zijn daartegen ingestelde hoger beroep kon de man ook de verdeling van de huwelijksgemeenschap betrekken, ook al is de beschikking van de rechtbank in zoverre nog slechts een tussenbeschikking (zie Hoge Raad 20 januari 2006 ECLI:NL:HR:2006:AU7513 rov. 4.5).
Rechtsmacht en toepasselijk recht
7.6.
De man en de vrouw hebben beiden de Nederlandse en Turkse nationaliteit. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlands rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is.
7.7.
Omdat het verzoekschrift van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 10 augustus 2022), wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de verzoeken kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). Aangezien de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake de echtscheiding volgt uit het bepaalde in art. 3 aanhef, sub a onder i Brussel II-ter brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo ook rechtsmacht mee met betrekking tot het verdelingsverzoek.
7.8.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
De grieven
Het hof stelt voorop dat de partijen zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
Inboedelgoederen (grief 2 van de man, grief van de vrouw)
7.9.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen over de hierna te noemen inboedelgoederen afspraken gemaakt. De man heeft toegezegd de fietsen van de kinderen, de fiets van de vrouw, de mixer, het keyboard en de bureaustoel aan de vrouw af te geven. De advocaten van partijen zullen daarvoor een afspraak maken. De bespreking van grief 2 van de man en de grief van de vrouw kan hiermee verder achterwege blijven.
De bankrekeningen (grief 3 van de man)
7.10.
Grief 3 keert zich tegen rov. 4.50 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek tot verdeling van de banksaldi op de door haar voorgestane wijze ingetrokken. Het verzoek van de man inhoudende dat ieder zijn/haar bankrekening behoudt zonder nadere verrekening van de saldi ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed. Aan het verzoek van de man op de mondelinge behandeling om alsnog tot verrekening van de saldi over te gaan gaat de rechtbank in dit stadium van de procedure als in strijd met de goede procesorde voorbij.”
7.11.
In de toelichting op zijn grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat ieder zijn/haar bankrekening behoudt zonder nadere verrekening van de saldi, terwijl hij tijdens de mondelinge behandeling had verzocht om alsnog tot verdeling van de banksaldi over te gaan. Hij verzoekt het hof in hoger beroep te bepalen dat ieder van partijen zijn of haar eigen bankrekening behoudt met verdeling van de saldi daarvan op de peildatum.
7.12.
De vrouw heeft de stellingen van de man weersproken. De rechtbank heeft op juiste gronden haar beslissing genomen ten aanzien van het niet verdelen van de banksaldi van partijen.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 4 juli 2023, doch uitsluitend voor zover daarbij in die beschikking:
in rov. 4.50 is beslist dat ieder zijn/haar bankrekening behoudt zonder nadere verrekening van de saldi;
in rov. 4.51 tot en met 4.53 is beslist dat de sieraden aan de man moeten worden toegedeeld tegen € 50.000,-- onder de gehoudenheid de helft van dit bedrag, zijnde € 25.000,--, aan de vrouw te voldoen,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat ieder van partijen de eigen bankrekeningen behoudt, waarbij de saldi van de bankrekeningen per peildatum 10 augustus 2022 bij helfte dienen te worden verdeeld;
wijs af het inleidend verzoek van partijen tot verdeling van de sieraden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, M.J. van Laarhoven en C.M.J. Peters, en is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Zij verzoekt het hof de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen op dit punt.
7.13.
Het hof overweegt als volgt.
De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat het hof het verzoek van de man tot verdeling van de banksaldi alsnog zal beoordelen. Het hof stelt vast dat partijen hebben nagelaten stukken in het geding te brengen waaruit de hoogte van de banksaldi op de peildatum blijkt. Het hof zal daarom bepalen dat ieder de eigen bankrekeningen behoudt, waarbij de saldi van de bankrekeningen per peildatum 10 augustus 2022 (zijnde datum indiening verzoekschrift echtscheiding) bij helfte dienen te worden verdeeld. Grief 3 van de man slaagt in zoverre.
De sieraden (grief 4 tot en met 8 van de man)
7.14.
De grieven 4 tot en met 8 keren zich tegen rov. 4.51 tot en met 4.53 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen:
“4.51. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de Islamitische huwelijksceremonie sieraden aan de vrouw zijn geschonken en dat deze in de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap vallen. Evenmin is in geschil dat de sieraden een waarde vertegenwoordigen van € 50.000,=. Wel is in geschil wie de sieraden in bezit heeft.
Volgens de man wordt gezegd dat de vrouw deze zonder zijn medeweten deels heeft weggegeven of verkocht aan derden of een juwelier. Het restant is zij kennelijk verloren. De man vermoedt echter dat de vrouw de sieraden gewoon in haar bezit heeft. Zij mag ze houden, maar zij moet dan wel € 25.000,= aan hem voldoen, aldus de man.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man de sieraden achterhoudt. In dit verband beroept de vrouw zich op een door haar in het geding gebrachte geluidsopname waaruit volgens haar blijkt dat de man op de hoogte is waar de sieraden zijn en er dus over kan beschikken.
4.52.
Na het beluisteren van de geluidsopname op de mondelinge behandeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren. Anders dan de man heeft aangevoerd, ziet de rechtbank in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw geen aanleiding om aan te nemen dat er aan de geluidsopname veranderingen zijn aangebracht en/of dat de geluidsopname zou zijn opgenomen tijdens de samenleving van partijen. Evenmin volgt de rechtbank de man in zijn standpunt dat niet vast te stellen is waar partijen over discussiëren en dat daarvoor de gehele discussie beschikbaar moet zijn. Immers, van belang is enkel of uit de geluidsopname blijkt dat de man sieraden voor de
vrouw verborgen houdt.
4.53.
De geluidsopname en transcriptie daarvan luiden, voor zover van belang, als volgt
Vrouw: Hoezo als ik weet waar het is. Waar heb je het gestopt dan he
Man: Wat?
Vrouw: Zoek maar.
Man: Zoek maar. Kijk maar hoe ik erbij kon komen. (onverstaanbaar)
Vrouw: Het zit toch op je werk? Dat heb je toch gezegd?
Man: Nee ook niet meer. Denk je dat ik het daar laat? Hé chappie. Ook niet meer. Met de foto
die je laatst stuurde (onverstaanbaar) denk je dat het op mijn werk is?
Vrouw: Waar is het dan? Bij je moeder?
Man: Ook niet. Ook niet... Haar goud heb ik ook. Zij weet ook niet waar haar goud is. Ik heb
verstopt. Op een hele veilige plek. Waar alleen ik bij kon. Het is niet op mijn werk, het is niet bij mijn ouders, het is niet in mijn huis.
Vrouw: Fijn het is van ons allebei en we kunnen delen.
Man: Naja het is van mij. Ik weet waar het is. En that’s it.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit voldoende dat de vrouw op zoek is naar haar sierraden en dat de man ze, net als het goud van zijn moeder, verborgen houdt en weet waar ze zijn. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank vast komen te staan dat de man over de sierraden beschikt en zal deze toedelen aan de man tegen een waarde van € 50.000,=. De man is gehouden aan de vrouw te voldoen de helft hiervan oftewel € 25.000,=.”
7.15.
In de toelichting op zijn grieven voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij over de sieraden beschikt en dat deze aan hem moeten worden toegedeeld tegen een waarde van € 50.000,--, onder gehoudenheid om de helft daarvan aan de vrouw te voldoen. Hij betoogt dat uit de geluidsopname en de transcriptie daarvan niet de conclusie kan worden getrokken dat hij over de sieraden beschikt. Uit het geluidsfragment kan weliswaar worden afgeleid dat de man iets voor de vrouw verborgen houdt, maar dat dit de sieraden betreffen kan op geen enkele wijze aan de hand van dit fragment worden afgeleid. Niet duidelijk is verder wanneer het geluidsfragment is opgenomen en onder welke omstandigheden. Mogelijk is er geknipt in het fragment. De geluidsopname begint namelijk midden in een conversatie. De man vermoedt dat het fragment is opgenomen in de tijd dat partijen nog samen waren. In het geluidsfragment is duidelijk hoorbaar dat er op de achtergrond tekenfilmgeluiden spelen, waarbij de kinderen mogelijk televisie aan het kijken zijn. Nu de vrouw zelf heeft gesteld dat zij en de kinderen op stel en sprong de woning hebben moeten verlaten en dat zij nadien niet meer teruggekeerd zijn, kan het geluidsfragment niet zijn opgenomen in de tijd dat de vrouw al met de kinderen uit de woning was vertrokken. Verder merkt de man op dat de waarde van de sieraden in eerste aanleg in geschil was. De rechtbank had de man daarom niet mogen veroordelen tot het voldoen van de helft van de waarde van de sierraden.
7.16.
De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank.
Over de context van de geluidsopname merkt zij het volgende op. De vrouw wilde de sieraden verdelen zodat zij daarmee in haar extra oplopende reiskosten kon voorzien. De datum van het gesprek was medio april 2022 en de locatie van het gesprek was in de hal van de woning van partijen. De vrouw heeft de voice-recorder op haar Apple Watch aangezet om het hoogoplopende gesprek met de man op te nemen. Zij vraagt aan de man waar hij het verstopt heeft waarmee ze bedoelt waar de man de sieraden (het huwelijksgoud) verstopt heeft. Als de man niet bereid was om een financiële bijdrage te leveren aan de vrouw voor haar dagelijkse reiskosten van haar verblijfsadres bij haar moeder in [plaats ] naar de school van de kinderen in [plaats ] , dan wilde de vrouw de sieraden verdelen zodat zij de voor haar oplopende kosten kon bekostigen. In de geluidsopname is niet geknipt. Voor wat betreft de waarde van de sieraden is zij het eens met de daaraan door de rechtbank toegekende waarde van € 50.000,--.
7.17.
Het hof overweegt als volgt.
7.17.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de peildatum 10 augustus 2022 de (gouden) sieraden tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Partijen houdt verdeeld wie van hen over de sieraden beschikt, wat de waarde hiervan is en aan wie de sieraden moeten worden toegedeeld. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld wie van partijen over de sieraden beschikt. Het hof zal hierna uitleggen waarom.
7.17.2.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de man over de sieraden beschikt, beroept de vrouw zich op een door haar in het geding gebrachte geluidsopname van een gesprek tussen haar en de man. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de geluidsopname onvoldoende steun biedt voor de stelling van de vrouw.
Inleiding
De geluidsopname dateert van medio april 2022, ruim vier maanden vóór de indiening door de vrouw van het verzoek tot echtscheiding op 10 augustus 2022, zijnde de peildatum voor de vaststelling van de omvang van de huwelijksgemeenschap. Voor zover uit de geluidsopname al kan worden afgeleid dat de man op dat moment over de sieraden beschikte, kan niet worden vastgesteld dat dit ook het geval was op de peildatum. Nu partijen voor het overige geen andere stukken in het geding hebben gebracht waaruit kan worden afgeleid wie over de sieraden beschikt en wat de waarde daarvan is, brengt dat mee dat het hof het inleidend verzoek van partijen tot verdeling van de sieraden alsnog zal afwijzen. De grieven 4 tot en met 8 van de man slagen mitsdien.
De Mercedes (grief 9 van de man)
7.18.
Grief 9 keert zich tegen rov. 4.55 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen:
“4.55. Niet in geschil is dat de Mercedes aan de man kan worden toebedeeld. Partijen twisten over de waarde waartegen dit moet gebeuren. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw dat de waarde € 6.000,= bedraagt als onvoldoende gemotiveerd betwist. De man heeft immers de door hem gestelde waarde ter hoogte van € 4.000,= op geen enkele wijze, al dan niet met stukken, onderbouwd hetgeen wel op zijn weg had gelegen omdat de auto in zijn bezit is. De man is dan ook aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 3.000,=.”
7.19.
In de toelichting op zijn grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de Mercedes heeft vastgesteld op € 6.000,--. Gelet op de leeftijd van de Mercedes, de kilometerstand en de staat van onderhoud bedraagt de waarde van de Mercedes tussen de € 1.825,-- en € 3.376,--. De man verzoekt het hof de waarde van de Mercedes in die orde van grootte vast te stellen.
7.20.
De vrouw heeft de grief van de man gemotiveerd weersproken. Nu de man de Mercedes onder zich heeft had het op zijn weg gelegen de door hem gestelde lagere waarde van de Mercedes aan te tonen. Bijvoorbeeld door middel van een waardebepaling door een BOVAG-garage. Dit heeft hij nagelaten, zodat uitgegaan moet worden van de door de rechtbank vastgestelde waarde van € 6.000,--. Verder is de man te laat met zijn stelling dat de Mercedes een waarde kent van tussen de € 1.800,-- en € 3.376,--. Het is voor een autobedrijf niet mogelijk om de waarde van de Mercedes op de peildatum vast te stellen. Niet bekend is wat toen de kilometerstand was. Evenmin is bekend welke reparaties er nadien wel of niet hebben plaatsgevonden, of er schade is toegebracht aan de auto en of de Mercedes de noodzakelijke onderhoud heeft gehad.
7.21.
Het hof overweegt als volgt.
De man heeft nagelaten om stukken in het geding te brengen waaruit kan worden opgemaakt dat de waarde van de Mercedes slechts tussen de € 1.825,-- en € 3.376,-- bedraagt. De door hem in dit verband toegezegde stukken heeft de man niet in het geding gebracht. Het had op zijn weg gelegen zijn stelling dienaangaande te onderbouwen met concrete en verifieerbare bescheiden (bijvoorbeeld uitdraaien van advertenties van een vergelijkbare Mercedes als die van de man). Dit heeft hij nagelaten, hetgeen voor zijn eigen rekening en risico komt. De grief van de man faalt mitsdien.
De creditcardschuld (grief 10 van de man)
7.22.
Grief 10 keert zich tegen rov. 4.56 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen:
“4.56. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw zich niet verzet tegen het verzoek van de man om te bepalen dat enkel hij draagplichtig is voor de creditcardschuld en dat hij de aflossing zonder nadere verrekening met de vrouw geheel voor zijn rekening neemt.”
7.23.
In de toelichting op zijn grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zonder nadere verrekening met de vrouw de aflossing van de creditcardschuld voor zijn rekening neemt. De handelswijze van de vrouw maakt dat de man niet langer bereid is om de creditcardschuld van partijen voor zijn rekening te nemen. De man verzoekt het hof alsnog te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de creditcardschuld.
7.24.
De vrouw heeft de grief van de man gemotiveerd weersproken. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg afgesproken dat de man de creditcardschuld voor zijn rekening zou nemen. Op die afspraak kan de man in hoger beroep nu niet terugkomen.
7.25.
Het hof overweegt als volgt. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg staat vermeld:
“f. Creditcard
Partijen verklaren gezamenlijk: De man neemt de aflossing van de creditcard voor zijn rekening. De vrouw hoeft niets bij te dragen.”
Het hof stelt op basis hiervan vast dat partijen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg overeenstemming hebben bereikt over de draagplicht van de creditcardschuld, waarbij partijen zijn overeengekomen dat enkel de man draagplichtig is voor de creditcardschuld en dat hij de aflossing hiervan zonder nadere verrekening met de vrouw geheel voor zijn rekening neemt. Gesteld noch gebleken is uit hoofde van welke rechtsgrond de man niet langer aan deze overeenkomst gehouden zou kunnen worden. Derhalve faalt grief 10 van de man.
8De slotsom
8.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.
8.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.