Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3875
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
4,746 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 5 december 2024
Zaaknummer : 200.347.465/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/01/404041 / FT RK 24/284 (verzoek dwangregeling)
Zaaknummers eerste aanleg : C/01/404042 / FT RK 24/285 (verzoek wsnp)
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,
belanghebbenden:
a. Stichting [stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [stichting] ,
Centraal Justitieel Incassobureau,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. J.H. van der Weide te ‘s-Gravenhage.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de vonnissen van 17 oktober 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de rechtbank het verzoek dwangregeling en het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met twee bijlagen heeft [appellant] primair verzocht het vonnis over de dwangregeling te vernietigen en de verzochte dwangregeling uit te spreken. Subsidiair heeft [appellant] verzocht het vonnis over de schuldsanering te vernietigen en te bepalen dat hij alsnog wordt toegelaten tot de WSNP.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
Ten aanzien van de dwangregeling:
[appellant] , bijgestaan door mr. Slaats;
mevrouw [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] , beiden werkzaam bij de gemeente [gemeente] ;
mevrouw mr. [betrokkene 3] en de heer [betrokkene 4] , namens Stichting [stichting] en
de heer mr. [betrokkene 5] namens het CJIB, bijgestaan door mrs. Van der Weide en J. Jansen.
Ten aanzien van het wsnp-verzoek:
[appellant] , bijgestaan door mr. Slaats en
mevrouw [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] , beiden werkzaam bij de gemeente [gemeente] .
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
Ten aanzien van de dwangregeling:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 9 oktober 2024;
- de aanvullende producties (nr. 3 t/m 6) van [appellant] ;
- de aanvullende producties (nr. 7 t/m 8) van [appellant] ;
- de brief van 25 november 2024 met producties (nr. 1 t/m 4) zijdens het CJIB;
- de aanvullende productie 9 zijdens [appellant] ;
- de e-mail van 25 november 2024 van mr. Jansen over de dubbele gestuurde stukken;
- de door mr. Vincent ter zitting overgelegde volmacht en
- de ter zitting door mr. Jansen overgelegde en voorgelezen pleitnota.
Ten aanzien van het wsnp-verzoek:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 9 oktober 2024;
- de aanvullende producties (nr. 3 t/m 9) van [appellant] en
- de producties 10 en 11 als na de mondelinge behandeling toegezonden, met toestemming van het hof.
Beoordeling
3.1.
Namens [appellant] is op 30 april 2024 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling een verzoek dwangregeling ingediend (zie artikel 287a lid 1 Fw). [appellant] heeft – kort gezegd – verzocht om [stichting] , die weigert mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen hiermee in te stemmen. [appellant] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat [stichting] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. Daartoe heeft [appellant] aangevoerd dat met uitzondering van [stichting] alle schuldeisers met de schuldregeling akkoord zijn gegaan.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep (C/01/404041 / FT RK 24/284 (verzoek dwangregeling)) is het verzoek van [appellant] om [stichting] te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat [stichting] in redelijkheid tot weigering van instemming met de namens [appellant] aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen.
3.3.
[appellant] heeft in het beroepschrift ten aanzien van de afwijzing van het dwangakkoord – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd:
Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van het CJIB in de weg staat aan een dwangregeling en ook dat het verzoek van [appellant] zich ook zou moeten richten tegen het CJIB. Het CJIB en [stichting] mogen in het minnelijk traject instemmen met de aangeboden schuldregeling. De instemming van het CJIB moet worden opgevat als een toestemming om met de overige schuldeisers een schuldregeling aan te gaan. De weigering van [stichting] om in te stemmen met een dwangregeling moet daarom op zichzelf worden beoordeeld (grief 3).
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het enkele bestaan van de CJIB-schuld in de weg staat aan de aangeboden dwangregeling. Dit is een uitleg van de wettelijke regels die de wetgever niet voor ogen heeft gehad. [appellant] stelt dat de argumenten van [stichting] inhoudelijk moeten worden beoordeeld en dat vervolgens moet worden geoordeeld dat [stichting] niet in redelijkheid tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen (grief 4).
3.3.1.
[betrokkene 1] heeft ter zitting aangegeven dat zij het algemeen bekend veronderstelt dat het CJIB een voorrangspositie heeft bij een dwangakkoord. Zij heeft niet kunnen bevestigen dat in dit geval de schuldeisers die zijn aangeschreven wisten van de voorrangspositie van het CJIB.
3.4.
Het CJIB heeft ter zitting – kort weergegeven – aangevoerd dat het vanwege de op hem rustende executieplicht niet gedwongen kan worden om toe te treden tot een minnelijk akkoord waarbij het (gedeeltelijk) afstand moet doen van zijn strafrechtelijke vordering. Deze bijzondere positie van het CJIB hoeft er evenwel niet bij voorbaat aan in de weg te staan dat andere crediteuren gedwongen kunnen worden om deel te nemen aan de minnelijke schuldregeling. Volgens het CJIB heeft de rechtbank dat miskend.
3.5.
[stichting] heeft ter zitting – kort weergegeven – aangevoerd dat zij namens [appellant] wel een overzicht van crediteuren heeft ontvangen, maar dat [stichting] niet op de hoogte was van het CJIB als bijzondere crediteur gezien de schadevergoedingsvordering. Daarnaast heeft [stichting] nog onvoldoende vertrouwen dat de arbeidsovereenkomst van [appellant] wordt verlengd.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Dwangakkoord algemeen
3.6.1.
Ingevolge het in artikel 287a lid 5 Fw bepaalde wordt een verzoek om in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt daarbij is dat het elke schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat honderd procent van zijn of haar vordering wordt voldaan en dat een schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen om in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden dwangakkoord (vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799; zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 28 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0359).
3.6.2.
Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol (kunnen) spelen (vgl. ook de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman vóór Hoge Raad 14 december 2012, LJN BY069, nr. 2.6. e.v.):
is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;
is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;
is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;
bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming; hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;
staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 18, is de in artikel 287a lid 5 Fw neergelegde toets die de rechter toepast alvorens het verzoek om een gedwongen schuldregeling toe- of af te wijzen “zeer zorgvuldig”, mede in aanmerking genomen dat de gedwongen schuldregeling een beperking vormt “op het eigendomsrecht die in algemene zin voldoet aan de vereisten van het EVRM.”
3.6.3.
Op grond van de inhoud van het procesdossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep door partijen is aangedragen, is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellant] om een dwangakkoord moet worden afgewezen, omdat de schuldeisers aan wie het voorstel is gedaan niet volledig zijn geïnformeerd. Het hof licht dit toe.
3.6.4.
Namens [appellant] is bij brieven van 13 februari 2024 door de Schulddienstverlening
[plaats] aan in totaal zestien concurrente schuldeisers en twee preferente schuldeisers een
schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling van 8,51% respectievelijk 17,02%
tegen finale kwijting (prognosevoorstel).
Beoordeling
4.1.
Nu het hof het primaire verzoek afwijst, komt zij toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek.
4.2.
Bij vonnis waarvan beroep (C/01/404042 / FT RK 24/285 (verzoek wsnp)) is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat de politierechter, bij vonnis van 2 juni 2020, aan [appellant] een maatregel heeft opgelegd tot vergoeding van schade aan één of meer slachtoffers van oplichting (afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub c Fw) en de rechter geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen (artikel 288 lid 3 Fw).
4.3.
[appellant] heeft in het beroepschrift ten aanzien van de afwijzing van het wsnp-verzoek – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd:
Volgens [appellant] staat artikel 288 lid 2 sub c Fw niet in de weg aan toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat de schade en daarmee de verplichting om deze te vergoeden al in 2017 en dus ruim buiten de termijn van vijf jaar van artikel 288 lid 2 sub c Fw zijn ontstaan (grief 1).
[appellant] doet een beroep op de hardheidsclausule, omdat hem al langer geen gebrek aan inzet meer kan worden verweten. Voor het goed functioneren op een werkplek is hij ook mede-afhankelijk van werkgever en collega's (grief 2). Dat hij nu (nog) parttime werkt maakt dit niet anders.
4.4.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
4.4.1.
Artikel 288 lid 2 sub c Fw bepaalt dat een verzoek tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen wanneer de schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van minder dan vijf jaar voor de indiening van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
4.4.2.
Daarvan is in dit geval sprake. De politierechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft namelijk bij onherroepelijk vonnis van 2 juni 2020 aan [appellant] een maatregel opgelegd tot vergoeding van schade aan één of meer slachtoffers van oplichting, meermalen gepleegd. Bij brief van 24 april 2024 geeft het CJIB aan dat vanwege de schadevergoedingsmaatregel een vordering van in totaal € 27.706,55 openstaat – 51,40% van de totale schuldenlast van € 53.907,10 –. Zolang deze schuld niet is afgelost, staat deze (tot vijf jaar nadat de schademaatregel is opgelegd) op grond van artikel 288 lid 2 aanhef en onder c Fw in de weg aan toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
4.4.3.
Het argument van [appellant] dat de verplichting tot schadevergoeding (ver) voor 2 juni 2020 is ontstaan, gaat niet op. De norm is namelijk niet wanneer de strafbare feiten zijn gepleegd, maar wanneer de onherroepelijke veroordeling is uitgesproken. De schuld uit hoofde van die veroordeling ontstaat pas met die uitspraak. Dat kan worden afgeleid uit de woorden ‘schulden (…) welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling’ in voormeld artikel.
4.4.4.
Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan de rechter op deze regel een uitzondering
maken. De schuldenaar moet dan voldoende aannemelijk maken dat hij de omstandigheden
die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder
controle heeft gekregen (de hardheidsclausule). Hierbij is in het algemeen vereist dat de
schuldenaar een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die laat zien dat de
schuldenaar grip heeft gekregen op de omstandigheden die hem in de financiële problemen
hebben gebracht. Er dient sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering, waardoor in
redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de
oorzaak daarvan is weggenomen.
4.4.5.
[appellant] heeft een beroep op deze hardheidsclausule gedaan. Het hof ziet (nog) onvoldoende aanleiding om tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan.
4.4.6.
Het hof stelt voorop dat [appellant] op de goede weg lijkt te zijn, omdat er sprake lijkt te zijn van een kentering ten goede aan de kant van [appellant] . [appellant] heeft namelijk sinds 1 april 2024 – en naar zijn zeggen per 1 februari 2024 via het uitzendbureau – voor gemiddeld 27 uur per week een arbeidscontract voor de duur van één jaar. Daarnaast heeft zijn werkgever per brief van 25 november 2024 bevestigd dat zijn contracturen per 1 december 2024 worden verhoogd naar 36 uur per week. Bovendien heeft [appellant] ter zitting aangegeven dat hem mondeling is toegezegd dat dit arbeidscontract zal worden verlengd. Het hof heeft daarvan echter nog geen keiharde schriftelijke bevestiging gezien. Weliswaar heeft [appellant] na de mondelinge behandeling alsnog stukken overgelegd, maar de als productie 10 overgelegde Model Werkgeversverklaring bevat nog diverse voorbehouden, zoals ‘gelijkblijvend functioneren’ van [appellant] maar vooral ook ‘ongewijzigde bedrijfsomstandigheden’. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de urenverhogingen die [appellant] heeft ontvangen blijkens zijn eigen verklaring rechtstreeks samenhangen met ziekte van een collega (naar 27 uur) en het ontslag van een collega (naar 36 uur). Niet uitgesloten is dat in dat opzicht ten nadele van [appellant] iets verandert de komende weken, bijvoorbeeld als een nieuwe collega wordt aangenomen of de zieke collega zich beter meldt.
4.4.7.
Hoewel [appellant] dus op de goede weg lijkt te zijn, is naar het oordeel van het hof (nog) geen sprake van een voldoende bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek – onder meer door terugval in inkomen doordat arbeidscontracten niet werden verlengd – zich in de toekomst niet zal herhalen. [appellant] werkt namelijk nog niet eens een jaar bij deze werkgever en het hof heeft niet definitief bevestigd gezien dat zijn arbeidscontract wordt verlengd. Bovendien zijn in 2022 en 2023 nog nieuwe schulden ontstaan ondanks dat budgetbeheer was opgestart. Het is naar het oordeel van het hof nog te vroeg om met een voldoende mate van zekerheid aan te nemen dat [appellant] geen nieuwe schulden zal laten ontstaan.
4.4.8.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] op dit moment niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, nu al in voldoende mate onder controle heeft gekregen. Het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4.4.9.
Het hof merkt echter op dat het voorgaande niet betekent dat, indien en voor zover de nu stijgende lijn die [appellant] lijkt te hebben ingezet verder wordt bestendigd, ook op een later moment geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule gedaan kan worden. Indien [appellant] nu zich vanaf nu gedraagt als ware hij tot de schuldsaneringsregeling toegelaten en overeenkomstig ten behoeve van aflossing van zijn crediteuren spaart, kan de beslissing dan mogelijk anders uitvallen. [appellant] kan dan ook om een beperking van de duur van de schuldsaneringsregeling verzoeken. Het zal echter steeds aan de dan oordelend rechter zijn om de beslissen op grond van de dan geldende feiten en omstandigheden.