Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3870
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,899 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.343.253/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/399863 / FA RK 23-5296
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in het hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W. Kolmans,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in het hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
Deze zaak gaat over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] . Hierna te noemen: [minderjarige 1] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.
[gezinhuisouder 1] en [gezinhuisouder 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: de gezinshuisouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juli 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het ingediende verzoek, niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de vader.
2.3.1.
De gezinshuisouders hebben het hof bericht dat ze niet tijdens de mondelinge behandeling zullen verschijnen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 maart 2024;
de brief van de gezinshuisouders d.d. 3 oktober 2024.
Beoordeling
3.1.
Uit de relatie van de ouders is [minderjarige 1] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] erkend. Nadien zijn de ouders met elkaar gehuwd.
3.2.
[minderjarige 1] verblijft sinds 26 juli 2021 in het gezinshuis van [instantie 1] te [plaats] . Sinds 16 december 2022 woont [minderjarige 1] in het huidige gezinshuis [instantie 2] in [plaats] .
3.3.
Bij beschikking van 4 mei 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige 1] benoemd. Bij beschikking van 17 november 2022 van dit hof is deze beschikking bekrachtigd.
3.4.
De moeder heeft uit een eerdere relatie met de heer [betrokkene] nog twee
kinderen:
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedatum] 2009. hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
2011, hierna te noemen: [minderjarige 3] .
3.5.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds september 2019 in een gezinshuis en bij beschikking van 30 oktober 2020 is het gezag van de ouders over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beëindigd en is de GI tot voogd over hen benoemd. Deze beschikking is op 27 mei 2021 bekrachtigd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
3.6.
[minderjarige 3] en [minderjarige 1] verblijven beiden in het gezinshuis [instantie 2] . [minderjarige 2] verblijft elders. [minderjarige 1] ziet [minderjarige 2] één keer in de vier weken tijdens het weekeinde bij zijn ouders.
3.7.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2023 is de volgende omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [minderjarige 1] :
- [minderjarige 1] verblijft eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de moeder;
- [minderjarige 1] verblijft tijdens de zomervakantie één week bij de moeder, waarbij de GI bepaalt welke week van de zomervakantie [minderjarige 1] bij de moeder verblijft, indien de moeder en de GI daar in onderling overleg geen overeenstemming over kunnen bereiken;
- de zeggenschap over de omgang tijdens overige schoolvakanties en overige feestdagen, waaronder Moederdag en Vaderdag, ligt bij de GI.
3.8.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 25 april 2023 voor wat betreft de weekendregeling en de zomervakantie gewijzigd en een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [minderjarige 1] waarbij:
- [minderjarige 1] eenmaal per vier weken van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de moeder verblijft;
- de zeggenschap over de omgang tijdens de zomervakantie bij de GI ligt.
3.9.
De moeder kan zich met de beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.10.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte de wijziging van omstandigheden aangenomen en de omgangsregeling beperkt. De omstandigheden zijn sinds de beschikking van 25 april 2023 niet rechtens relevant gewijzigd. De omgangsregeling werd goed uitgevoerd en liep al geruime tijd. [minderjarige 1] was om het weekend en een groot deel van de schoolvakanties bij zijn moeder. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de regeling blijft zoals die was. Sinds de beperking van de omgangsregeling verblijft [minderjarige 1] slechts één weekend in de maand bij de moeder. In dat weekend is het erg druk omdat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] er dan ook zijn. Er is nu geen weekend meer waarbij [minderjarige 1] alleen bij de moeder thuis is en zij alle aandacht aan [minderjarige 1] kan besteden. Bovendien geeft het [minderjarige 1] onrust dat zijn broer [minderjarige 3] , die ook in het gezinshuis verblijft, wel om het weekend een weekend weg is van het gezinshuis en [minderjarige 1] nu dus niet meer.
De moeder betwist dat er zorgen zijn in de thuissituatie. [instantie 3] heeft onderzoek gedaan naar de thuissituatie bij de moeder en dit is positief afgesloten. Bovendien is de moeder bereid om opvoedondersteuning te accepteren tijdens de weekenden met [minderjarige 1] . Dat zou een oplossing kunnen bieden voor de zorgen die de GI heeft. De moeder heeft begrepen dat er eveneens zorgsignalen zijn vanuit de gezinshuisouders. Zij weet niet waar deze signalen vandaan komen. De moeder neemt deze signalen serieus maar vindt het niet juist dat er direct maatregelen worden genomen in het kader van de omgangsregeling zonder dat er onderzoek naar is verricht. De moeder doet haar uiterste best om een betrokken ouder te zijn voor [minderjarige 1] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder aangegeven dat [instantie 3] opnieuw is ingeschakeld en dat zij op een wachtlijst staat.
Voor wat betreft de zomervakanties heeft de GI eveneens de regie en dit betekent dat de GI kan beslissen om ook de zomervakantie te beperken. De moeder wenst graag duidelijkheid en zou het fijn vinden als [minderjarige 1] in ieder geval één week in de zomervakantie bij de moeder verblijft.
3.11.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan.
[minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit, structuur en voldoende ondersteuning en stimulering. Dit kunnen zijn ouders niet bieden. De GI en de gezinshuisouders zien dat er sinds de beperking van de omgangsregeling een positieve verandering is in het gedrag van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is vrolijker, meer ontspannen en zit beter in zijn vel. Ook bouwt [minderjarige 1] minder spanning op in het weekend voordat hij naar zijn ouders gaat. Verder lijkt het dat [minderjarige 1] sinds de gewijzigde omgangsregeling niet meer hoeft te schakelen tussen het gezinshuis en de ouders. Hierdoor heeft [minderjarige 1] ook minder woede-uitbarstingen. Het gezinshuis merkt niet dat [minderjarige 1] onrustig wordt wanneer zijn broer [minderjarige 3] wel een weekend extra bij het gezinshuis weg is. Wanneer aan [minderjarige 1] wordt gevraagd wat hij ervan vindt dat [minderjarige 3] naar zijn grootouders gaat, geeft hij als antwoord dat het niet zijn grootouders zijn.
[instantie 3] heeft in het verleden de thuissituatie van de ouders onderzocht en aangegeven dat de weekenden prima verliepen, maar dat er ook zorgen waren. Vervolgens zijn er opnieuw zorgen gemeld door het gezinshuis. De GI wil graag dat [instantie 3] weer betrokken wordt zodat er meer zicht is op de thuissituatie en de omgang veilig kan plaatsvinden. Eventuele opvoedondersteuning zal de thuissituatie niet veranderen omdat de ouders niet leerbaar zijn en zij aan hun maximale opvoedcapaciteit zitten.
3.12.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan.
De vader sluit zich aan bij het standpunt van de moeder. Ook geeft de vader aan dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is dat er steeds een andere jeugdbeschermer is betrokken. Voor de vader is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over de vakantieregeling.
3.13.
De gezinshuisouders hebben bij brief van 3 oktober 2024 aangegeven dat zij niet aanwezig zullen zijn bij de mondelinge behandeling in hoger beroep omdat zij het niet in het belang van [minderjarige 1] vinden om aan te sluiten bij de juridische strijd. De gezinsouders geven aan dat ze ervaren dat het beter gaat met [minderjarige 1] nu hij zijn ouders minder ziet en dat zij het eens zijn met de beslissing van de rechtbank.
3.14.
De raad maakt zich zorgen over de signalen vanuit de gezinshuisouders en acht het van belang voor [minderjarige 1] dat [instantie 3] weer betrokken wordt.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.E.M. Beijersbergen en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
De raad ziet dat de ouders hun best voor de kinderen willen doen en vindt het positief dat de moeder open staat voor hulpverlening. Een goede samenwerking tussen de ouders en gezinshuisouders is volgens de raad nodig en de raad hoopt dat de communicatie tussen beiden snel verbetert. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij zich positief ontwikkelt en met die reden is de raad het eens met het verzoek van de GI. De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen.
3.15.
Het hof oordeelt als volgt.
3.15.1.
In geval van voogdij heeft de GI dezelfde bevoegdheid als de ouders om op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek wijziging van een regeling inzake de uitoefening van een omgangsrecht te verzoeken (ECLI:NL:HR:2017:943). Een wijziging van een vastgestelde omgangsregeling kan worden verzocht op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.15.2.
Aan het hof ligt allereerst de vraag voor of er sinds de beschikking van de rechtbank van 25 april 2023 sprake is van gewijzigde omstandigheden of dat er bij die beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het hof is – anders dan de moeder – van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Gezien werd dat de omgangsregeling van een weekend per twee weken niet meer aansloot op de behoeften van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] ervoer onvoldoende rust en stabiliteit. [minderjarige 1] liet gedragsveranderingen zien waaronder boos en agressief gedrag en het niet luisteren naar de regels van het gezinshuis. Dit komt niet ten goede aan de ontwikkeling van [minderjarige 1] .
3.15.3.
Het hof moet vervolgens beoordelen of door deze gewijzigde omstandigheden de bij de beschikking van 25 april 2023 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd moet worden. Het hof ziet dat de ouders hun best doen en het beste voor [minderjarige 1] willen. Het is positief dat zij [instantie 3] hebben ingeschakeld en bereid zijn om hieraan mee te werken. Ook accepteren zij het voor- en nabespreken van de omgangsmomenten met de jeugdbeschermer. Echter, het verzoek van de moeder moet worden beoordeeld vanuit de positie en het belang van [minderjarige 1] . Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof gebleken dat het terugbrengen van de frequentie van de omgang met de ouders ertoe heeft geleid dat het beter gaat met [minderjarige 1] . Hij heeft minder woede-uitbarstingen en het gaat beter met hem bij het gezinshuis en op school. Deze regeling heeft kennelijk een positief effect op het gedrag van [minderjarige 1] . Dit alles maakt dat het hof de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde gewijzigde omgangsregeling in het belang van [minderjarige 1] acht. Dit geldt ook voor de wijziging ten aanzien van de zomervakantie. Gelet op de zorgen over [minderjarige 1] die samenhangen met de omgang is het aan de GI om te bepalen of omgang tijdens de zomervakantie aansluit op de behoeften van [minderjarige 1] en dus in het belang is van [minderjarige 1] en zo ja, hoe die regeling er dan uitziet. Afgelopen zomervakantie heeft [minderjarige 1] in de door de ouders gewenste week bij de ouders verbleven. Het hof deelt de zorg van de moeder dat de GI zomaar de zomervakantie kan beperken daarom niet. De GI heeft het belang van [minderjarige 1] voorop te stellen.
3.16.
Het is voor het hof duidelijk geworden dat de communicatie tussen ouders en de gezinshuisouders verstoord is. Het hof acht het van belang dat hier aandacht voor is. Zowel de gezinshuisouders als de ouders zijn belangrijke personen in het leven van [minderjarige 1] . Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de communicatie tussen hen goed verloopt.
3.17.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het verzoek van de moeder afwijzen.