Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3869
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,820 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 december 2024
Zaaknummers : 200.346.724/01 en 200.346.724/02
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/327739 / JE RK 24-262
in de zaak in hoger beroep en in het incidentele verzoek van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Smeets,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- [de moeder], hierna te noemen: de moeder.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) in de procedure gekend.
In het kort
De vader is het er niet mee eens dat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend ten behoeve van de 9-jarige [minderjarige 1] en de 3-jarige [minderjarige 2] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 30 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang weer worden teruggeplaatst bij de vader, dan wel niet uit huis worden geplaatst voor zover [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog bij vader verblijven. Het hof heeft hieraan zaaknummer 200.346.724/01 verbonden.
Bij aanvullend verzoek met producties, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2024, heeft de vader verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking te schorsen voor de duur van de procedure.
Het hof heeft hieraan zaaknummer 200.346.724/02 verbonden.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 november 2024, heeft de GI verzocht de vader in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de moeder, telefonisch bijgestaan door een tolk in de taal Khmer, mevrouw Yin Prum.
De raad heeft zich afgemeld voor de mondelinge behandeling.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 16 september 2024;
de brief met bijlagen van de raad van 5 november 2024;
het V-formulier van 8 november 2024 met bijlagen van de advocaat van de vader.
Beoordeling
3.1.
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:
[minderjarige 1] te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015;
[minderjarige 2] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
Vanaf juni 2023 wonen de ouders niet meer samen en woont de vader alleen met de kinderen.
3.2.
Sinds 3 mei 2023 staan de kinderen onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 3 mei 2025.
Bij de rechtbank
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om de kinderen in een gezinshuis (een accommodatie voor jeugdhulp 24 uurs) c.q. een voorziening voor pleegzorg te plaatsen met ingang van 30 september 2024 tot 30 januari 2025.
Iedere verdere beslissing is aangehouden tot een nader te bepalen zitting in januari 2025. Dit ziet op het resterende verzoek van de GI om de kinderen uit huis te plaatsen tot 3 mei 2025.
Bij het hof
3.4.
De vader kan zich met de beslissing ten aanzien van de uithuisplaatsing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert hij – samengevat – het volgende aan.
Dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging staat niet ter discussie, maar de noodzaak van de uithuisplaatsing wel. Er zijn geen (nieuwe) zorgsignalen naar voren gekomen en de uithuisplaatsing is niet nodig om de vader te ontlasten. De moeder heeft weer een grote rol in het leven van de kinderen en neemt zorgtaken op zich. De kinderen zijn iedere week vier dagen bij de vader en drie dagen bij de moeder. De ouders kunnen de zorg voor de kinderen samen verdelen en de kinderen kunnen afwisselend bij vader en moeder wonen. De ontwikkelingsbedreiging had op een andere manier weggenomen kunnen worden. Als de GI vindt dat de hulpverlening niet van de grond komt had de GI ook anders kunnen handelen, bijvoorbeeld door de vader een schriftelijke aanwijzing te geven of de rechter te verzoeken een dwangsom op te leggen of vervangende toestemming voor een behandeling te verlenen. Dat is allemaal niet gebeurd. De vader heeft een andere kijk op de hulpverlening en dat weet hij van zichzelf. Het is onjuist dat de vader hulpverlening zou weigeren. Mevrouw [medewerkster hulpverlener] van [instantie 1] is betrokken geweest bij de vader in de thuissituatie tot maart 2024. Nadien is geen vervanger dan wel andere hulpverlening voor de vader door de Gl ingezet. De [instantie 2] heeft de vader verzocht om zijn toestemming voor het afnemen van persoonlijkheidsonderzoeken bij de kinderen. De vader heeft dit geweigerd; het zijn voor de kinderen belastende onderzoeken en de vader wil niet meewerken als dit hem wordt opgedrongen. Als dit nodig is om een uithuisplaatsing van de kinderen te voorkomen, zal de vader zijn toestemming alsnog geven. De vader had de moeder gevraagd om op de avond voor de uithuisplaatsing (31 oktober 2024) bij hem en de kinderen te logeren, omdat hij het de moeder gunde om nog een laatste avond en nacht met de kinderen te kunnen doorbrengen. De ochtend erna liep het uit de hand en kregen de ouders ruzie. De kinderen waren hierbij aanwezig. Het ging heel goed met de kinderen voordat zij uithuisgeplaatst werden, ook met de spraak-taalontwikkeling van [minderjarige 2] . Er was helemaal niets aan de hand. Het klopt dat de vader in december 2023 een echtscheidingsverzoek heeft ingediend dat hij in februari 2024 weer heeft ingetrokken, maar de vader heeft de kinderen daar niet mee belast. De kinderen hadden de echtscheiding van de ouders al een plekje gegeven. Of de ouders nu wel of niet gaan scheiden maakt de vader niet uit. Het gaat hem erom dat de ouders allebei, in een co-ouderschap, voor de kinderen kunnen zorgen. Als de moeder wil scheiden is dat ook goed, daar geeft hij haar alle ruimte toe. Het is juist dat de vader nog een sleutel heeft van de woning van de moeder. Zij vindt het niet erg als hij ongevraagd binnenkomt, want hun verstandhouding is goed. Bovendien belt hij altijd eerst aan. Als de moeder het niet prettig zou vinden dat de vader binnenkomt, zou dat nieuw zijn voor hem.
De vader doet tot slot een beroep op artikel 1:265k BW, artikel 8 van het EVRM, artikel 16 lid 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties, artikel 23 lid 1 van het BUPO-verdrag, artikel 9 lid 1 van het IVRK en artikel 3.3. van de Jeugdwet.
3.5.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, aan dat de zorgen nog niet zijn opgeheven. De GI heeft op 18 juli 2024 via een schriftelijke aanwijzing de opvoedtaken van de moeder vastgelegd. Zorgaanbieder [zorgaanbieder] heeft pedagogische begeleiding ingezet voor het uitvoeren van het perspectiefonderzoek bij beide ouders. Hij is één keer bij de vader thuis geweest en drie keer bij de moeder. Omdat de hulpvraag van de vader uitblijft, is het persoonlijkheidsonderzoek voor [minderjarige 1] en de [instantie 4] ( [instantie 4] ) voor [minderjarige 2] nog niet gestart. Het lijkt of de vader meewerkt, maar indirect stagneert hij alsnog de nodige hulpverlening. Dit heeft tot gevolg dat [instantie 4] voor [minderjarige 2] niet meer de juiste hulpverlening is, omdat zij inmiddels bijna 4 jaar oud is. De vader werkte niet mee met de aanmelding van de kinderen bij de [instantie 2] . Hij neemt een zodanige houding aan dat de zorgaanbieders zich niet prettig en zelfs onveilig voelen in de samenwerking met hem. Hij laat jegens hen grensoverschrijdend gedrag zien. De vader heeft een andere visie en met name zijn manier van het delen van die visie zet de samenwerking met de GI (en met andere hulpverlening) op scherp. De vader deelt de zorgen die de GI en de hulpverlening zien, zoals het belasten van de kinderen met volwassen problematiek, parentificatie, balans werk/privé, emotionele beschikbaarheid, mogelijke problemen in de hechting en het niet adequaat kunnen uitoefenen van het ouderlijk gezag, niet. Als de kinderen niet worden geplaatst in een professionele opvoedsituatie zullen de ontwikkelingsbedreigingen niet worden weggenomen. De rechtbank heeft de schriftelijke aanwijzing van de GI bekrachtigd om de vader te laten meewerken met de hulpverlening. Dit heeft geen verschil gemaakt. De GI ontving op 1 november 2024 opnieuw een melding van Veilig Thuis over (voortdurend) huiselijk geweld tussen de ouders. De vader heeft nog steeds de sleutel van de voormalige echtelijke woning waar de moeder nu in verblijft. Hij komt binnen terwijl de moeder dat niet wil. Dat is zorgelijk. De moeder krijgt in december 2024 de sleutel van haar nieuwe woning. De kinderen zijn op 1 november 2024 samen geplaatst in een gezinshuis in [plaats] . Het is opvallend dat zij niet hebben gehuild tijdens de uithuisplaatsing en ook niet tijdens de autorit naar het gezinshuis. Het gaat goed met de kinderen in het gezinshuis. [minderjarige 2] vertoont soms typisch gedrag; op opmerkingen van de gezinshuisouders zoals ‘je bent een klein draakje’ kan [minderjarige 2] onevenredig hysterisch en langdurig boos reageren. De gezinshuisouders zijn er bij [minderjarige 1] vooral op gericht dat zij kind mag zijn. De gezinshuisouders zien dat [minderjarige 1] een begin heeft gemaakt met het loslaten dat ze voor [minderjarige 2] moet zorgen. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed en haar spraakontwikkeling is vooruit gegaan. Ze gaat nu vijf dagen per week naar het kinderdagverblijf, dus het is logisch dat er nu een vooruitgang waarneembaar is. [minderjarige 2] functioneert echter nog steeds niet leeftijdsadequaat. De GI wil hulp inzetten en onderzoeken wat de kinderen nodig hebben en of de ouders dat kunnen bieden.
Dictum
Het hof:
in zaaknummer 200.346.724/01
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
in zaaknummer 200.346.724/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink, L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, de griffier.
Beoordeling
De GI wil [instantie 3] benaderen om de persoonlijkheidsonderzoeken bij de kinderen af te nemen. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor beide kinderen noodzakelijk.
3.6.
De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij de kinderen bij zich wil hebben; bij een ander wonen geeft niet genoeg warmte, niet zoals bij een echte ouder.
Het hof overweegt het volgende.
Omvang van het geschil
3.7.
De vader heeft zijn incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken. Het hof zal de vader in dit verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Inhoudelijke beoordeling
3.8.1.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de Gl (bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet), die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.8.2.
Voorop gesteld wordt dat niet in geschil is dat sprake is van een ontwikkelingsdreiging bij de kinderen. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen al geruime tijd gevaar liep toen zij nog thuis bij de vader woonden. De GI beschrijft in het inleidend verzoek (16 februari 2024) dat er bij [minderjarige 1] zorgen zijn over parentificatie en over haar hechtingsontwikkeling. De vader belastte de kinderen, met name [minderjarige 1] , met volwassen problematiek. Beide kinderen kampten met ontwikkelingsachterstanden. Daarnaast kregen beide kinderen veel mee van de spanningen en conflicten van en tussen hun ouders rondom de (mogelijke) echtscheiding, woningproblematiek en financiën. De kinderen zijn meerdere keren getuige geweest van gewelddadige ruzies tussen hun ouders. De raad had vorig jaar (rapport 17 april 2023) al ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen, omdat de vader de moeder in januari 2023 bij de nek had gegrepen. Ondanks de veiligheidsafspraken die de GI met de ouders had gemaakt (zij mogen niet samen met de kinderen zijn), waren de kinderen aanwezig bij een uit de hand gelopen ruzie tussen hun ouders op de ochtend van de uithuisplaatsing. Al met al was er al zeker anderhalf jaar lang sprake van een zeer onveilige en onstabiele opvoedsituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hulpverlening was dringend noodzakelijk.
3.8.3.
Uithuisplaatsing is een uiterst middel dat alleen wordt ingezet als andere hulpverlening niet toereikend is gebleken. Daarvan is in dit geval sprake. Naar aanleiding van het verzoek van de GI om de kinderen uit huis te plaatsen, heeft de rechtbank eerst een tussenbeschikking gegeven (18 april 2024) en het verzoek voor het overige een half jaar aangehouden. In de tussenliggende periode zijn de hiervoor genoemde zorgen niet weggenomen en is de hulpverlening voor de kinderen niet op gang gekomen. Hoewel de vader op de mondelinge behandeling bij het hof eerst onderschrijft dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, verklaart hij later ook dat er ‘niets aan de hand is’ met de kinderen. Dat wisselend beeld blijkt uit het algehele procesdossier (ook bij de zitting bij de rechtbank) en draait er steevast op uit dat de vader, als het erop aankomt, niet meewerkt met de hulpverlening. Deze situatie is nog steeds actueel, zelfs nadat de rechtbank op 24 januari 2024 de schriftelijke aanwijzing van de GI van 4 december 2023 heeft bekrachtigd voor (onder meer) de onderdelen die betrekking hadden op de aanmeldingen van de kinderen bij de [instantie 2] en van [minderjarige 2] bij [instantie 4] (in verband met zorgelijke taalontwikkeling) en voor de bij beide kinderen af te nemen persoonlijkheidsonderzoeken. Ook werkte de vader niet mee aan diagnostisch onderzoek voor [minderjarige 1] en de inzet van [instantie 1] . Op de mondelinge behandeling heeft de vader toegelicht waarom hij niet wil meewerken met de [instantie 2] . Hij is daar volstrekt helder in. Gelet op zijn gedrag en houding tot nu toe richting de hulpverlening heeft het hof geen vertrouwen dat de vader hierin zal veranderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben echter dringend hulpverlening nodig. Als hen dat vanuit de thuissituatie niet kan worden geboden resteert er geen andere optie dan een uithuisplaatsing. Verder uitstel dulden de kinderen niet. Zij hebben al te lang gewacht op passende hulpverlening; [minderjarige 2] is inmiddels al te oud voor de inzet van [instantie 4] . Het verlopen van de tijd sinds de kinderen onder toezicht staan heeft uitgewezen dat de vader de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening niet wil inzetten en dat de moeder het niet kan. De moeder lijkt niet onwillig, maar omdat zij de Nederlandse taal niet beheerst, kan zij zich niet voldoende zelfstandig redden in de samenleving. De moeder weet niet welke wegen ze moet bewandelen en hoe ze ervoor kan zorgen dat de kinderen de hulpverlening krijgen die zij nodig hebben. De moeder heeft momenteel nog veel hulp van de GI en Maatschappelijk Werk nodig om zichzelf staande te houden en om los te komen van de vader.
3.8.4.
Ondanks dat de hulpverlening nog op gang moet komen, zijn de positieve effecten van de uithuisplaatsing al zichtbaar geworden bij de kinderen. Het is duidelijk dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was om de kinderen tot ontwikkeling te laten komen. [minderjarige 1] heeft langere tijd voor haar vader en haar zusje gezorgd. Dat is een ongezonde en onwenselijke situatie voor een kind. Sinds de uithuisplaatsing ervaart [minderjarige 1] dat ze kind mag zijn en dat ze niet langer gebukt hoeft te gaan onder verantwoordelijkheden die ze niet kan – en ook niet hoeft – te dragen. Voor [minderjarige 2] geldt dat zij nog steeds kampt met achterstanden, maar dat ze wel bezig is deze in te halen sinds ze verblijft bij professionele opvoeders in het gezinshuis en vijf dagen per week naar het kinderdagverblijf gaat. Beide kinderen komen nu tot een positieve ontwikkeling in een emotioneel gezonde omgeving; dit was niet zo toen ze nog thuis woonden bij de vader.
3.8.5.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Ten aanzien van het beroep van de vader op het IVRK en het EVRM oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden voldoende vast is komen te staan dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten. Van strijd met de andere verdragen en/of artikelen die de vader noemt, is evenmin sprake. Al het overige kan niet tot een ander oordeel leiden.