Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3860
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,903 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.336.546/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/314770 / FA RK 23-617
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.J. Huizinga.
Deze zaak gaat over:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 januari 2024, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man om partijen voortaan gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 maart 2024, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de door de advocaat van de vrouw nagezonden exemplaren van het beroepschrift en het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen op 26 januari 2024, 5 en 14 februari 2024;
- een e-mailbericht van Bureau mediation d.d. 20 maart 2024, inhoudende dat partijen kenbaar hebben gemaakt aan mediation te willen deelnemen;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 31 augustus 2023, ingekomen op 7 oktober 2024.
2.4.
Bij de mondelinge behandeling op 28 juni 2024 zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Remport Urban;
- mr. Huizinga namens de man;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling op 28 juni 2024 een aanhoudingsverzoek gedaan vanwege een (op dat moment nog) lopend mediationtraject van partijen. Het hof heeft hierop besloten dat in het belang van partijen dit verzoek wordt toegewezen en dat een nieuwe mondelinge behandeling zal plaatsvinden, tenzij mediation tot een oplossing leidt.
2.6.
Bureau mediation heeft op 26 augustus 2024 aan het hof bericht dat partijen door middel van mediation geen overeenstemming hebben bereikt.
2.7.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Remport Urban en een tolk in de Hongaarse taal, V. Molnár (tolkennummer 1743);
- de man, bijgestaan door mr. Huizinga;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.8.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling op 8 oktober 2024 is beslist, worden de app-berichten in de Hongaarse taal die de advocaat van de vrouw op 7 oktober 2024 aan het hof heeft gestuurd niet tot de processtukken toegelaten.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] woont bij de vrouw. Tot de datum van de bestreden beschikking heeft de vrouw van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] uitgeoefend.
De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Hongaarse nationaliteit.
3.2.
Bij beschikking van 28 februari 2022 heeft de rechtbank Limburg een eerder vastgestelde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] elke veertien dagen van vrijdag tot zondag bij de man verblijft.
De omvang van het geschil
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 10 oktober 2023 heeft de rechtbank, op verzoek van de man, de man en de vrouw gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
3.4.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De vrouw voert in het beroepschrift het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank besloten dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] dienen uit te oefenen. Er is sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen haar ouders. De vrouw heeft dat tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg uitgelegd. Zij verzoekt al hetgeen zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 oktober 2024 heeft de vrouw aanvullend,
samengevat, het volgende gesteld. De communicatie tussen partijen is zo slecht dat dat een behoorlijke of minimale samenwerking tussen hen in de weg staat. De ingezette mediation heeft geen resultaat gehad. Ook met eerdere hulpverlening is het niet gelukt om de onderlinge verstandhouding blijvend te verbeteren. Die hulpverlening leidde er wel toe dat de communicatie tussen partijen een aantal maanden beter verliep, maar daarna kwamen er weer verwensingen van de man richting de vrouw. Het is moeilijk om tot een verandering van deze situatie te komen. De vrouw zou dat wel graag willen.
Verder ervaart de vrouw geen interesse van de man in de (school)activiteiten van [minderjarige] en onvoldoende medewerking van hem aan te nemen gezagsbeslissingen over [minderjarige] . In de afgelopen maanden heeft de man het toestemmingsformulier voor een vakantie van [minderjarige] met de vrouw naar het buitenland pas op het laatste moment getekend, terwijl zij dat formulier al eerder per whatsapp aan hem heeft gestuurd. Het lukt partijen wel om uitvoering te geven aan de zorgregeling voor [minderjarige] .
3.6.
De man voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
De rechtbank heeft een juiste beslissing genomen. De man erkent dat sprake is van communicatieproblemen tussen partijen, maar ook zonder gezamenlijk gezag bestaat het risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt. Eenhoofdig gezag door de vrouw lost dit niet op.
De man ervaart dat de vrouw het contact tussen hem en [minderjarige] probeert te belemmeren en dat frustreert hem. Hij heeft het gevoel dat hij zonder gezag buiten spel gezet kan worden door de vrouw. De man betwist dat hij geen interesse zou tonen in [minderjarige] , maar door de woonafstand en communicatieproblemen tussen partijen is hij niet op de hoogte van de (school)activiteiten van [minderjarige] . De vrouw informeert de man niet over de school van [minderjarige] en zij wil ook niet dat de man contact opneemt met die school. De man heeft alleen van [minderjarige] informatie over haar school ontvangen.
De man heeft het toestemmingsformulier voor een vakantie van [minderjarige] met de vrouw naar het buitenland getekend toen [minderjarige] dat formulier tijdens een omgangsweekend meebracht. De vrouw was zelf laat met het verstrekken van dat formulier. Zij had het formulier ook eerder per post kunnen opsturen. De zorgregeling voor [minderjarige] verloopt goed, al komt het voor dat de vrouw er niet is op het moment dat de man [minderjarige] terugbrengt. Daar ontstaat ruzie over. De man was bereid om zich in te zetten voor het mediationtraject waar partijen voor waren aangemeld, maar na een afspraak is dit verder niet van de grond gekomen. Hij staat open voor deelname aan een nieuw hulpverleningstraject.
3.7.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
Het uitgangspunt is gezamenlijk gezag door de ouders. De raad ziet wel aanwijzingen voor een risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt – beide partijen maken kenbaar dat hun communicatie niet goed verloopt en uit het raadsrapport uit 2022 blijkt dat [minderjarige] destijds al aangaf dat zij last heeft van de communicatieproblemen tussen partijen –, maar dit wordt niet opgelost door eenhoofdig gezag. Ook bij eenhoofdig gezag door de vrouw zou [minderjarige] last houden van de communicatieproblemen tussen partijen.
De man is betrokken bij [minderjarige] . Gezamenlijk gezag door partijen brengt mee dat de man aan zijn betrokkenheid meer invulling kan geven en hij meer mogelijkheden heeft om zelf informatie over [minderjarige] te verkrijgen. Dat is ook in het voordeel van [minderjarige] .
De raad adviseert partijen wel om opnieuw te gaan werken aan het verbeteren van hun communicatie door middel van een hulpverleningstraject gericht op oudercommunicatie, met zowel gezamenlijke als individuele gesprekken voor partijen. Een andere mogelijkheid is dat partijen in een viergesprek, met bijstand van hun advocaten, concrete afspraken maken met betrekking tot hun onderlinge communicatie. Daarnaast zou het helpend kunnen zijn als de vrouw aan de man een aantal maanden informatie verstrekt over [minderjarige] , bijvoorbeeld over haar school, om dat proces op gang te brengen en de vrouw kan zien dat de man zich daarin gaat verdiepen.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.8.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd.
3.9.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht.
Verzoek tot gezamenlijk gezag
3.10.
In het beroepschrift is de grief van de vrouw niet onderbouwd. Eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw een onderbouwing van de grief naar voren gebracht.
Nu de advocaat van de man daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en tijdens de mondelinge behandeling op de standpunten van de vrouw heeft gereageerd, zal het hof het hoger beroep inhoudelijk beoordelen.
3.11.
Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de man mede met het gezag over [minderjarige] te belasten.
3.11.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.11.2.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet gebleken is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen als zij gezamenlijk worden belast met het gezag of dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
3.11.3.
Gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] is passend bij de geldende substantiële zorgregeling tussen partijen, waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijft. Partijen oefenen inmiddels een jaar samen het gezag uit. Weliswaar verklaren beide partijen dat sprake is van onderlinge communicatieproblemen, maar niet gebleken is dat deze in de weg staan aan de gezamenlijke uitoefening van het gezag. De man heeft geen (gezags)beslissingen die voor het dagelijkse leven van [minderjarige] van belang zijn geblokkeerd. De door de vrouw verzochte toestemming voor een vakantie van [minderjarige] naar het buitenland heeft de man verleend. Voorts is naar voren gekomen dat partijen in het afgelopen half jaar in onderling overleg de tijden van de zorgregeling hebben aangepast en dat zij regelmatig overleg hebben over het tijdstip waarop [minderjarige] in het omgangsweekend door hem/haar wordt (terug)gebracht.
Gezien de problemen die zich in de samenwerking en communicatie tussen partijen nog wel voordoen en de last die [minderjarige] hiervan heeft, is het belangrijk dat partijen zich (opnieuw) inspannen om dit te verbeteren. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling advies gegeven op welke wijze partijen hiermee aan de slag kunnen en zij zien hiervan het belang in.
3.12.
Op grond van het voorgaande slaagt de grief van de vrouw niet en zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Proceskosten
3.13.
Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel, die inhoudt dat de proceskosten tussen partijen in familierechtelijke zaken worden gecompenseerd.
Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure wordt daarom afgewezen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 oktober 2023;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, C.N.M. Antens en H. van Winkel en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.