Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-28
ECLI:NL:GHSHE:2024:3848
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Wraking
1,872 tokens
Dictum
gegeven op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gedateerd 12 november 2014, ingekomen ter griffie van het hof op 19 november 2024, in de belastingzaak met nummer [nummer] , in hoger beroep aanhangig bij dit gerechtshof, van
[verzoekster] ,
wonende aan [adres]
te [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster,
strekkende tot wraking van mr. T.A. Gladpootjes, raadsheer in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, team belastingrecht (hierna: de raadsheer).
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3501. De zaak is ingeschreven onder nummer [nummer] .
1.2.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft het hof verzoekster opgeroepen voor de mondelinge behandeling van haar appelzaak op 10 januari 2025. In die brief is de samenstelling van de behandelend kamer vermeld, waaronder dat de raadsheer daarvan deel uitmaakt.
1.3.
Bij op 19 november 2024 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster de wraking verzocht van de raadsheer. De raadsheer heeft op 20 november 2024
laten weten dat hij niet in de wraking berust.
1.4.
Aan verzoekster is bij brief van 20 november 2024 medegedeeld dat de behandeling van het wrakingsverzoek plaatsvindt op 25 november 2024.
Bij brief van 21 november 2024, ter griffie ontvangen op 22 november 2024, heeft verzoekster laten weten dat zij die dag al andere verplichtingen heeft en heeft zij gevraagd de zitting op een later tijdstip te plannen, bijvoorbeeld in januari 2025.
Bij brief van 22 november 2014, verzonden op diezelfde dag, is namens de wrakingskamer aan verzoekster medegedeeld dat de enkele mededeling dat verzoekster reeds andere verplichtingen heeft, onvoldoende is om de zitting aan te houden of te verplaatsen.
1.5.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 25 november 2024 ter zitting behandeld. Verzoekster is ter zitting niet verschenen. De raadsheer is ter zitting verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht.
1.6.
De wrakingskamer heeft bepaald dat binnen twee weken op het wrakingsverzoek wordt beslist.
2Het wrakingsverzoek en de beoordeling
2.1.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot wraking aangevoerd, kort weergegeven, dat de Belastingdienst jarenlang en stelselmatig de belastingrechtspraak heeft misleid, als gevolg waarvan verzoekster immateriële en materiële schade heeft geleden. De belastingrechtspraak heeft, mede omdat rechters niet constitutioneel mogen toetsen, geen rechtsbescherming kunnen bieden. Onafhankelijke rechtspraak is een illusie. Belastingplichtigen worden listig en vakkundig van hun rechten beroofd, zo ook verzoekster.
Specifiek ten aanzien van de raadsheer heeft verzoekster aangevoerd dat haar na onderzoek is gebleken dat deze raadsheer heel veel is gewraakt 'door eisers'. Verzoekster wijst in dit verband op twee zaken of uitspraken, één uit 2012 en de andere uit 2014. Volgens verzoekster ontbreekt het vertrouwen in de raadsheer, zodat een andere raadsheer haar zaak dient te behandelen.
2.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:15 van de Awb kan ieder van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.4.
Voor zover verzoekster aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd dat de handelswijze van de Belastingdienst onrechtmatig is en dat de rechtspraak daartegen geen rechtsbescherming biedt, voldoet het verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de vereisten van artikel 8:15 van de Awb. Het verzoek is immers in feite gericht tegen alle rechters en raadsheren die belast zijn met belastingrechtspraak in Nederland, terwijl een wrakingsverzoek, gelet op laatstgenoemd artikel, gericht moet zijn tegen de rechters die haar specifieke zaak behandelen. In zoverre is verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
2.5.
Voor zover het wrakingsverzoek specifiek betrekking heeft op de raadsheer is het verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer niet tijdig in de zin van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb gedaan. Daartoe overweegt de wrakingskamer dat verzoekster bij brief van 24 oktober 2024 is opgeroepen voor de behandeling van de hoofdzaak en dat haar in die brief is medegedeeld dat de raadsheer deel uitmaakt van de behandelend kamer. Pas bij verzoekschrift gedateerd op 12 november 2024, dat eerst op 19 november 2024 ter griffie van het hof is ontvangen, heeft verzoekster het onderhavige wrakingsverzoek ingediend. Tussen de oproeping in de hoofdzaak en de ontvangst van het wrakingsverzoek zijn aldus ruim drie weken gelegen. Daarmee is het verzoek tot wraking niet ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding waren voor het wrakingsverzoek haar bekend zijn geworden. Verzoekster is daarom ook niet-ontvankelijk in haar verzoek voor zover dat tegen de raadsheer is gericht.
2.6.
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog als volgt. De enkele omstandigheid dat de raadsheer, naar verzoekster heeft aangevoerd, in het verleden 'heel vaak' zou zijn gewraakt, is volstrekt onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de rechterlijke onpartijdigheid daardoor bij de behandeling van haar zaak schade zou kunnen lijden. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van de onpartijdigheid van deze rechter in haar zaak dan kan rechtvaardigen. Ook bij een inhoudelijke beoordeling zou het verzoek dus niet zijn gehonoreerd.
2.7.
Gelet op het hiervoor overwogene zal verzoekster niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek. Met deze beslissing kan het geding in de hoofdzaak worden voortgezet.
Dictum
Het hof:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, de raadsheer en de Belastingdienst.
Aldus in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024 door mrs. M.G.W.M. Stienissen (voorzitter), A.L. Bervoets en T. van de Woestijne (leden), bijgestaan door mr. A.J. Anker (griffier).
griffier, voorzitter,