Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-31
ECLI:NL:GHSHE:2024:3844
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
2,408 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 31 oktober 2024
Zaaknummer : 200.346.017/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/333805/FT RK 24/384
in de zaak van
[appellant] h.o.d.n. [naam],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw te Roermond,
tegen
Stichting [stichting],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de stichting,
advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem.
Belanghebbende:
mr. M.M.H.J. Rompelberg,
hierna te noemen: de curator,
kantoorhoudende te Voerendaal.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 10 september 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij het verzoek van de stichting om appellant in staat van faillissement te verklaren is toegewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met bijlagen (producties 1 en 2),ingekomen op 17 september 2024, heeft appellant het hof verzocht voormeld vonnis van de rechtbank te vernietigen en alsnog het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen.
2.2.
Op 9 oktober 2024 vond de mondelinge behandeling in hoger beroep plaats. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- appellant, bijgestaan door mr. Van der Leeuw;
- de curator.
De stichting is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
- het V6-formulier van de curator van 7 oktober 2024 met brief van de curator van diezelfde datum en bijlagen a tot en met d.
- het V6-formulier van appellant van 9 oktober 2024 met toelichting en producties 3 tot en met 8;
- het V6-formulier van appellant van 24 oktober 2024 met begeleidende brief en akte uitlaten met producties 9 tot en met 20 en aanvulling productie 3, alsmede een productielijst;
- het e-mailbericht van de curator van 24 oktober 2024.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank Limburg heeft bij het bestreden vonnis op verzoek van de stichting appellant in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. J,. Scheurs- van de Langemheen tot rechter-commissaris en mr. M.M.H.J. Rompelberg tot curator. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant niet betwist dat de stichting een opeisbare vordering heeft, dat de belastingdienst ook een vordering heeft die onbetaald is gelaten en dat appellant niet in staat is deze schuldeisers te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is summierlijk gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van de stichting en van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat appellant verkeert in de toestand van opgehouden hebben te betalen en kan de hoogte van de bedragen vooralsnog in het midden blijven, omdat uit het verweer van appellant blijkt dat ook een eventuele lagere vordering niet betaald kan worden.
3.2.
Appellant kan zich met dit oordeel niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Daarbij heeft appellant het volgende aangevoerd. Appellant verkeert niet in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Hij heeft een levensvatbaar bedrijf en heeft over 2023 een winst voor belastingen gerealiseerd van € 26.485,61. Appellant meent op basis van correctie aangiften de verschuldigde pensioenpremies naar beneden bij te kunnen stellen. Hij kan daarnaast met door derden ter beschikking gestelde gelden tot een regeling met zijn schuldeisers komen.
3.3.
De curator heeft in zijn advies van 7 oktober 2024 en ter zitting naar voren gebracht dat het van de volgende handelingen, onderbouwd met verificatoire bescheiden, afhangt of de curator positief kan adviseren over vernietiging van het faillissement:
appellant moet aantonen dat er met elke schuldeiser een betalingsregeling is getroffen en dat hij niet meer verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen;
appellant kent inmiddels de correcte vorderingen van de aanvrager en de belastingdienst;
derden stellen voldoende financiële middelen ter beschikking om in ieder geval het salaris van de curator en zijn medewerkers te voldoen;
mr. Van der Leeuw kan aantonen dat het door derden ter beschikking gestelde bedrag is ontvangen op zijn derdengeldenrekening.
3.4.
Het hof overweegt het volgende.
3.5.
Appellant betwist dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
3.6.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het hof appellant in de gelegenheid gesteld om nader te onderzoeken of er een betalingsregeling kan worden getroffen met de schuldeisers, in het bijzonder de Belastingdienst en BsGW, en/of er voldoende financiële middelen bijeen kunnen worden gebracht om alle schuldeisers, inclusief de curator, te voldoen.
3.7.
In de akte uitlaten heeft mr. Van der Leeuw namens appellant vervolgens het volgende medegedeeld.
3.7.1.
In totaal heeft appellant een saldo van € 27.944,89 beschikbaar. Ten eerste staat er op de derdenrekening van de advocaat van appellant een bedrag van € 18.100,00. Daarnaast bedraagt het saldo op de ING bankrekening van appellant € 2.899,50 en het saldo op zijn ASN bankrekening € 264,38. Verder moet er door Sepay over de periode van september tot en 23 oktober 2024 nog een totaalbedrag van € 6.681,01 aan omzet naar appellant worden doorgestort.
3.7.2.
De totale schuldenlast van appellant bedraagt € 27.031,31. Deze is als volgt opgebouwd:
- Stichting [stichting] :
€ 9.676,88
- belastingdienst:
€ 3.143,50
- BsGW:
€ 3.547,20
- Gemeente Den Haag:
€ 137,30
- Mijndomein.nl:
€ 199,72
- Stadt Aachen:
€ 127,00
- Vattenfall:
€ 1.409,15
- ISD Brabantse Wal:
€ 300,00
- salaris curator:
€ 8.490,56
De belastingdienst is akkoord met een betalingsregeling van in beginsel maximaal zes maanden, waarbij de eerste termijn vervalt per 1 november 2024. BsGW is akkoord met een buitengerechtelijk akkoord of een langer lopende betalingsregeling. De curator is in beginsel bereid akkoord te gaan met een betalingsregeling voor een salaris door een omgaande betaling van tenminste € 6.000,00, waarbij het restant van € 2.490,56 binnen twee weken na vernietiging van het faillissement dient te zijn voldaan. Gelet op deze betalingsregelingen dient er op dit moment een bedrag van € 17.850,05 beschikbaar te zijn voor de schuldeisers. Dit kan worden betaald met het bedrag van € 18.100,00 dat op de derdenrekening van de advocaat van appellant is gestort.
3.7.3.
Daarnaast heeft appellant een achterstand in de betaling van zijn vaste lasten van
€ 3.749,22. Voor betaling hiervan zijn de saldi op de betaalrekeningen en het tegoed vanuit Sepay beschikbaar.
3.7.4.
Het voorgaande heeft appellant onderbouwd met onderliggende stukken.
3.8.
De curator heeft het hof bij e-mailbericht van 24 oktober 2024 bericht dat uit voornoemde akte met stukken blijkt dat appellant niet verkeert in de toestand dat hij is opgehouden te betalen. De curator adviseert daarom positief ten aanzien van de vernietiging van het faillissement.
3.9.
Op grond van de door mr. Van der Leeuw verschafte informatie en zijn als zodanig door het hof begrepen toezegging tot betaling van de schuldeisers (overeenkomstig bovenstaande) alsmede het daarop volgende advies van de curator stelt het hof vast dat appellant niet langer verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het hof zal daarom het bestreden vonnis en daarmee het faillissement van appellant vernietigen.
3.10.
Het hof zal het salaris van de curator overeenkomstig de opgave van de curator (productie 20 bij akte uitlaten van appellant) vaststellen op € 8.490,56 inclusief btw.