Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-21
ECLI:NL:GHSHE:2024:3675
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,716 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 21 november 2024
Zaaknummer: 200.344.840/01 (hoofdzaak) en 200.344.840/02 (schorsingsverzoek)
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/401197 / FA RK 24-435
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.A.M.L. van Osch,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. I. van Meeteren.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om eventueel onder verbetering en aanvulling van de gronden de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende: 1. het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming tot verhuizing af te wijzen en haar te veroordelen om binnen drie maanden na de ten deze te wijzen beschikking terug te verhuizen naar [woonplaats vader] en omstreken;2. te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zal zijn;3. de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] en bijbehorende BSO. (zaaknummer 200.344.840/01)Voorts heeft de vader in zijn beroepschrift verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen. Dit verzoek is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.344.840/02.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 september 2024, heeft de moeder verzocht het hoger beroep en het schorsingsverzoek af te wijzen.
2.3.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier, met bijlagen, van de zijde van de vader;
de pleitaantekeningen die de advocaat van vader tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd en voorgedragen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Van Osch;
de moeder, bijgestaan door mr. Van Meeteren;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die in juli 2022 is beëindigd. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren.
3.2.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
3.3.
De moeder woont sinds november 2023 feitelijk in [woonplaats moeder] .
3.4.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 15 februari 2024 bepaald dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd en aan de vader is vervangende toestemming verleend om [minderjarige] op zijn adres in te schrijven.
3.5.
Partijen hebben op 17 april 2024 als gevolg van een mediationtraject een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is de volgende zorgregeling afgesproken:
4De omvang van het hoger beroep
4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep relevant -:
- bepaald dat de vaststellingsovereenkomst (zie 3.5) deel uitmaakt van de bestreden beschikking;
- aan de moeder toestemming verleend – ter vervanging van de toestemming van de vader – om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats moeder] en hem in te schrijven op basisschool [basisschool 2] in [woonplaats moeder] en de bij deze school behorende BSO;- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voortaan bij de moeder zal zijn.
4.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de vervangende toestemming verhuizing, school en BSO betreft alsmede de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en is hiervan in hoger beroep gekomen.
Beoordeling
Schorsingsverzoek vader 200.344.840/02
5.1.
De vader heeft het schorsingsverzoek tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Dit brengt met zich dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
Vervangende toestemming verhuizing
5.2. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Er was voor de moeder geen noodzaak om naar [woonplaats moeder] te verhuizen. Er is voldoende woonruimte beschikbaar in [woonplaats vader] en daarbij heeft de vader zijn eigen woning tijdelijk beschikbaar gesteld aan de moeder, tegen de huurprijs van haar huidige woning, zodat zij vanuit daar verder kan zoeken naar definitieve woonruimte. De moeder heeft niet met de vader overlegd over de voorgenomen verhuizing. De moeder is verhuisd en heeft voorgesorteerd op haar stellige overtuiging dat door tijdsverloop haar belang zal prevaleren boven de belangen van de vader en [minderjarige] . De situatie die de moeder door haar verhuizing in het leven heeft geroepen levert stress bij de vader op doordat hij wordt geconfronteerd met een langere reistijd en het risico dat hij zijn baan kwijtraakt omdat hij niet meer voor de volle 100% voor zijn werkgever inzetbaar is. Het enkele aanbod van de moeder om de vader via de kinderalimentatie financieel te compenseren is onvoldoende om de extra reisbewegingen te compenseren. Per reisbeweging heeft de vader 45 minuten tot één uur extra reistijd. De zorgregeling tussen de ouders is gelijkelijk verdeeld. [minderjarige] verblijft slechts een enkele dag vaker bij de moeder. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat [minderjarige] meer geworteld is in [woonplaats moeder] dan in
[woonplaats vader] . Het zwaartepunt van het leven van [minderjarige] ligt juist in [woonplaats vader] ; [minderjarige] gaat al sinds hij negen maanden oud is daar naar de kinderopvang en pas sinds november 2023 verblijft hij deels in [woonplaats moeder] .
5.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Na de relatiebeëindiging is de moeder tijdelijk samen met [minderjarige] in een kleine woning op het terrein van haar ouders in [plaats] gaan wonen. Omdat deze situatie niet langer houdbaar was heeft de moeder zich ingespannen om vervangende woonruimte voor haar en [minderjarige] te vinden. De moeder was opgelucht toen zij via haar netwerk een geschikte woning in [woonplaats moeder] kon krijgen vlakbij haar werk. Hoewel de vader het eens was met een tijdelijke verhuizing naar [plaats] , kon hij niet instemmen met een verhuizing naar [woonplaats moeder] . De moeder heeft geprobeerd te overleggen met de vader, maar ze kwamen er niet uit waarna een procedure bij de rechtbank is gevolgd. Wel is het partijen gelukt om een zorgregeling op te stellen met het belang van [minderjarige] voorop. De vader heeft de huidige zorgregeling grotendeels geïnitieerd omdat hij veelvuldig voor zijn werk in het buitenland is. Bij het opstellen van de zorgregeling is daarnaast rekening gehouden met het werk van de moeder, waarbij zij om kwart voor negen moet beginnen met lesgeven en [minderjarige] voor die tijd op de fiets naar school kan brengen. Daarnaast kan de vader op de dagen dat [minderjarige] bij hem is thuiswerken, waardoor de zorgregeling waarbij [minderjarige] naar school gaat in [woonplaats moeder] geen problemen hoeft te veroorzaken op het werk van de vader. De huidige afstand tussen de woningen van de ouders is niet dusdanig groot dat de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] fundamenteel verstoord of beperkt wordt.
Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] en hij is blij op zijn huidige school. Het is niet in zijn belang om nu weer te moeten wisselen en terug te moeten verhuizen, juist nu er eindelijk duidelijkheid is. In het geval de moeder dient terug te verhuizen zou dit tot gevolg hebben dat zij geen uitvoering meer kan geven aan de zorgregeling en een andere baan dient te zoeken. De moeder wenst geen gebruik te maken van het aanbod van de vader om tijdelijk in zijn woning te gaan wonen, omdat zij niet graag teruggaat naar die woning en daarnaast daardoor afhankelijk wordt van de vader.
5.4.
De raad adviseert – samengevat – als volgt. [minderjarige] woont inmiddels sinds twee jaar niet meer volledig in [woonplaats vader] . Na deze twee jaar weet [minderjarige] niet beter dan dat hij op twee plekken woont. Bij een kind van een dusdanig jonge leeftijd kan je nog niet spreken van geworteld zijn in een bepaalde woonplaats. De moeder heeft niet zorgvuldig gehandeld door met [minderjarige] te verhuizen zonder toestemming van de vader. De voorkeur gaat nu echter niet uit naar een terugverhuizing van [minderjarige] omdat hij net gewend is in [woonplaats moeder] , maar een terugverhuizing is ook niet onoverkomelijk.
Een eventuele terugverhuizing gaat de problemen tussen de ouders echter niet oplossen. De kern van het probleem is namelijk de moeizame communicatie tussen de ouders en de aanhoudende conflicten over diverse (kleine) onderwerpen. Een voorbeeld hiervan is de zorgregeling die de ouders samen zijn overeengekomen, maar waarbij de vader nu al de nodige kanttekeningen plaatst. De ouders moeten gaan leren communiceren als ouders. Het zal [minderjarige] ‘een worst wezen’ waar hij gaat wonen, als zijn ouders het maar regelen. Voor [minderjarige] is het namelijk het belangrijkste dat er duidelijkheid komt en dat zijn ouders weer leren met elkaar om te gaan.
5.5.
Het hof overweegt als volgt.
5.5.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader behoeft.
Als de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. Bij een dergelijke beslissing dient de rechter - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.
5.5.2.
Beoordeling
5.5.3.
De relatie tussen partijen is verbroken toen [minderjarige] net twee jaar oud was. Na het verbreken van de relatie is de moeder – met toestemming van de vader – tijdelijk met [minderjarige] in een (kleine) woonruimte op het perceel van haar ouders in [plaats] gaan wonen. Deze woning ligt hemelsbreed op 17 kilometer van [woonplaats vader] . Tussen partijen was helder dat deze verhuizing van de moeder tijdelijk was en dat de moeder in de tussentijd naar alternatieve (permanente) woonruimte zou uitkijken. In de periode dat de moeder en [minderjarige] in [plaats] verbleven, is [minderjarige] naar een kinderdagverblijf in [woonplaats vader] blijven gaan.
Vervolgens is de moeder in november 2023 eigenstandig verhuisd naar een particuliere huurwoning in [woonplaats moeder] terwijl zij wist, onder andere uit gevoerde gezamenlijke gesprekken met haar advocaat en de vader, dat de vader niet kon instemmen met een verhuizing naar [woonplaats moeder] . Het feit dat de moeder desondanks is verhuisd maakt het gevoel van de vader dat hij voor een voldongen feit is gesteld invoelbaar.
In beginsel leidt deze gang van zaken ertoe dat de moeder gehouden is terug te verhuizen naar [woonplaats vader] en omstreken. De vader heeft het hof in het geval van het gelasten van een terugverhuizing verzocht te bepalen dat de moeder dient te verhuizen naar
[woonplaats vader] en omstreken. De vader heeft echter niet gespecificeerd wat onder ‘en omstreken’ wordt verstaan. Gelet hierop zoekt het hof aansluiting bij de kort geding procedure die tussen partijen in februari 2024 aanhangig is geweest (zie 3.4). In die procedure heeft de vader gevorderd dat de moeder in een straal van (hemelsbreed) 15 kilometer rondom [woonplaats vader] dient te gaan wonen. De huidige woning van de moeder ligt in een straal van (hemelsbreed) 22 kilometer van [woonplaats vader] . Hoewel deze 22 kilometer een overschrijding is van de 15 kilometer die de vader (eerder) heeft gevorderd, leidt de hiernavolgende belangenafweging ertoe dat deze overschrijding gegeven de omstandigheden van het geval te gering is om de vervangende toestemming tot verhuizing te vernietigen en de terugverhuizing te gelasten. In dat kader is relevant dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat haar sociale netwerk en haar werk zich in [woonplaats moeder] bevinden en de huidige zorgregeling zodanig is ingericht dat zij [minderjarige] voorafgaand aan haar werk naar school kan brengen en dat [minderjarige] alleen op dinsdagmiddag gebruik hoeft te maken van de BSO. In het geval de moeder dient terug te verhuizen naar [woonplaats vader] resulteert dit in een onzekere situatie voor [minderjarige] nu het nog onduidelijk is in welke woonplaats de moeder een woning kan vinden en wat dat betekent voor haar sociale vangnet en haar werk en daarmee voor de (uitvoerbaarheid) van de zorgregeling. De zekerheid die de moeder [minderjarige] nu in de huidige situatie kan bieden weegt naar het oordeel op tegen de onzekere situatie die ontstaat in het geval de moeder dient terug te verhuizen naar een woning dichter bij de woning van de vader dan haar huidige woning. Dat de vader de moeder een tijdelijke woning heeft aangeboden doet daar niet aan af, omdat dit slechts een tijdelijke situatie is en ook in dat geval sprake is van de zojuist genoemde onzekerheid. Bovendien wenst de moeder, om haar moverende redenen geen gebruik te maken van het aanbod van de vader.
De praktische bezwaren van de vader tegen de uitvoerbaarheid van de zorgregeling kunnen evenmin leiden tot een vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de verleende vervangende toestemming tot verhuizing. Onder leiding van een mediator zijn de ouders in april 2024 een zorgregeling overeengekomen met het belang van [minderjarige] voorop. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat deze zorgregeling is opgesteld met zowel de mogelijkheid dat [minderjarige] in [woonplaats vader] zou wonen dan wel in [woonplaats moeder] . Dat de uitvoering van deze zorgregeling voor de vader nu kennelijk tegenvalt, kan niet van invloed zijn op de beslissing omtrent de vervangende toestemming tot verhuizing.
5.5.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover daarbij aan de moeder vervangende toestemming is verleend om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool en BSO en hoofdverblijfplaats
5.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader desgevraagd kenbaar gemaakt dat zijn verzoeken met betrekking tot de vervangende toestemming inschrijving basisschool en BSO alsmede de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] verzoeken zijn die los staan van de uitkomst van de beoordeling van het verzoek van de vader met betrekking tot de (terug-)verhuizing van de moeder. Gelet hierop zal het hof deze verzoeken van de vader inhoudelijk beoordelen.
5.7.
Hoewel er tussen de ouders sprake is van een co-ouderschapsregeling en de vader in zoverre navolgbaar heeft verzocht om de verzoeken ten aanzien van de vervangende toestemming inschrijving basisschool en BSO alsmede de hoofdverblijfplaats afzonderlijk van de uitkomst van het verzoek tot vervangende toestemming verhuizing te beoordelen, acht het hof toewijzing van deze verzoeken op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] gaat inmiddels ruim twee maanden in [woonplaats moeder] naar school en heeft het daar naar zijn zin. Zoals de raad terecht heeft gesteld is het niet onoverkomelijk om [minderjarige] van school te laten wisselen, maar het heeft ook niet de voorkeur om een jong kind dat net aan het wennen is op een school van school te laten wisselen. Van doorslaggevend belang is voor het hof dat partijen een zorgregeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige] gedurende de doordeweekse dagen meer bij de moeder verblijft dan bij de vader. Nu [minderjarige] aldus op de meeste schooldagen in de week door de moeder wordt gehaald c.q. gebracht van en naar school, is het in zijn belang dat hij in [woonplaats moeder] naar school en de BSO kan blijven gaan zodat de reisbewegingen voor hem zoveel mogelijk worden beperkt. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de aan de moeder verleende vervangende toestemming tot inschrijving van [minderjarige] op de basisschool en BSO betreft. Nu aldus zowel de vervangende toestemming verhuizing alsmede de vervangende toestemming inschrijving basisschool en BSO zullen worden bekrachtigd, bestaat geen aanleiding om ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.
Conclusie
5.8.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
in zaaknummer 200.344.840/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek;
in zaaknummer 200.344.840/01
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en F. Dunki Jacobs en is op 21 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.