Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-09-18
ECLI:NL:GHSHE:2024:3585
Strafrecht
Hoger beroep
2,252 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-003285-23
Uitspraak : 18 september 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208912-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzetheling’ (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., te weten het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 34 en 35, aan te vullen door na de zin “Zij hadden (…) fiets getroffen” in te voegen:
Omstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ) hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de [supermarkt] aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.
Verbetering van de bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.
Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman van de verdachte bepleit aan te sluiten bij de straf zoals is gevorderd door de advocaat-generaal.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat plegers van diefstallen geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 18 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.