Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-22
ECLI:NL:GHSHE:2024:3423
Strafrecht
Hoger beroep
8,226 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002589-23
Uitspraak : 22 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 september 2023, in de strafzaak met parketnummer
02-109398-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van ‘medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad’ (het onder 2 primair tenlastegelegde) en ‘medeplegen van eenvoudige mishandeling’ (het onder 3 primair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde een beschermde vrijspraak betreft en heeft gevorderd dat het hof voor het overige het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden.
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde een beschermde vrijspraak betreft. Daarnaast heeft de verdediging primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover dat in hoger beroep nog aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
2.hij in of omstreeks de periode van 22 november 2018 tot en met 23 november 2018 te Wernhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel te weten: meerdere ontbrekende tanden en/of (tweedegraads) brand- en/of snijwonden met blijvende littekens en/of een of meerdere gaten in de knieschijven en/of de benen heeft toegebracht, door opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg:
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of te schoppen/trappen en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand en/of in de benen en/of knieën te steken en/of te snijden en/of
- meermalen, althans eenmaal, een heet strijkijzer, althans een heet voorwerp, op het been van die [slachtoffer 1] te zetten en/of te drukken en/of
- meermalen, althans eenmaal, een brandende peuk op de arm en/of het been van die [slachtoffer 1] uit te drukken en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een boormachine/elektrische schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de knie en/of de/het be(e)n(en) te boren en/of te steken en/of
- meermalen, althans eenmaal, zout in de bij die [slachtoffer 1] ontstane wonden te strooien en/of te wrijven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meerdere onbekend gebleven dader(s) in of omstreeks de periode van 22 november 2018 tot en met 23 november 2018 te Wernhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel te weten: meerdere ontbrekende tanden en/of (tweedegraads) brand- en/of snijwonden met blijvende littekens en/of een of meerdere gaten in de knieschijven en/of de benen heeft/hebben toegebracht, door opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg:
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of te schoppen/trappen en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand en/of in de benen en/of knieën te steken en/of te snijden en/of
- meermalen, althans eenmaal, een heet strijkijzer, althans een heet voorwerp, op het been van die [slachtoffer 1] te zetten en/of te drukken en/of
- meermalen, althans eenmaal, een brandende peuk op de arm en/of het been van die [slachtoffer 1] uit te drukken en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een boormachine/elektrische schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de knie en/of de/het be(e)n(en) te boren en/of te steken en/of
- meermalen, althans eenmaal, zout in de bij die [slachtoffer 1] ontstane wonden te strooien en/of te wrijven,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 november 2018 tot en met 23 november 2018 te Wernhout, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door: (als bestuurder van een auto) met die een of meerdere onbekend(e) gebleven dader(s) naar de woning van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te rijden en/of bij die [slachtoffer 2] te blijven terwijl hij hoorde dat die [slachtoffer 1] schreeuwde en/of au riep en/of geluiden hoorde die erop wezen dat tegen [slachtoffer 1] meermalen (met een of meerdere voorwerpen) geweld werd toegepast en/of toe te laten dat die een of meerdere onbekend(e) gebleven dader(s) (ernstig) geweld uitoefen(t)(en) op die [slachtoffer 1] , althans toen en daar aanwezig te zijn en/of te blijven, gedurende dat er door de een of meerdere onbekend gebleven dader(s) geweld werd uitgeoefend op die [slachtoffer 1] en/of op geen enkele wijze ervoor gezorgd heeft dat het geweld tegen die [slachtoffer 1] zou stoppen en/of (als bestuurder van een auto) met die een of meerdere onbekend(e) gebleven daders vanaf de woning van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] weg te rijden;
3.hij op of omstreeks 22 november 2018 te Wernhout, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd te stompen en/of te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meerdere onbekend gebleven dader(s) in of omstreeks de periode van 22 november 2018 tot en met 23 november 2018 te Wernhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, omdat er geen nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen de verdachte en de twee jongens die het geweld hebben uitgeoefend. Daarnaast heeft de verdachte nooit de opzet gehad op de mishandeling van de slachtoffers. In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen waaruit volgt dat op voorhand voor de verdachte duidelijk had moeten zijn dat deze geweldshandelingen zouden worden gepleegd. De verdachte kon zich hieraan voorts niet onttrekken, omdat zijn vluchtgedrag bij de beantwoording van de schuldvraag negatief voor de verdachte zou uitvallen. Daarnaast is het onzinnig om te veronderstellen dat de slachtoffers dan niet zouden zijn mishandeld, aldus de verdediging. Tot slot had [medeverdachte] exact dezelfde rol als de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde en de zaak tegen hem is geseponeerd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast. Allereerst stelt het hof vast dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde al tientallen jaren in de hennephandel zat. Hij was bekend met de grote hoeveelheden geld, die daarin omgaan en de daarmee gepaard gaande enorme belangen. In deze zaak ging het naar zijn zeggen om de diefstal van hennep met een waarde van meer dan € 100.000,00 die hij bij de aangever liet drogen. De aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn er in de zomer van 2018 mee akkoord gegaan dat boven de garage bij hun woning aan [adres 2] een hennepdrogerij zou worden opgestart. De verdachte was bij deze hennepdrogerij betrokken doordat hij onder meer en de henneptoppen naar de garage van aangever [slachtoffer 1] bracht en de gedroogde hennep daar weer ophaalde, hij de contactpersoon was voor aangever [slachtoffer 1] in geval van calamiteiten en hij aangever [slachtoffer 1] betaalde voor het gebruik van de droogruimte.
Op 22 november 2018 constateerde [slachtoffer 1] dat het slot van het drooghok eruit lag en hij wist meteen dat het mis was. [slachtoffer 1] heeft direct de verdachte hierover geïnformeerd, zoals was afgesproken. Hierop is de verdachte naar de woning aan [adres 2] gekomen waar hij heeft geconstateerd dat er hennep ter waarde van meer dan € 100.000,00, weg was. Hij is boos geworden op [slachtoffer 1] en heeft hem geslagen. Daarna vertrok de verdachte, maar keerde later op de avond met zijn zakenpartner [medeverdachte] en twee onbekende mannen weer terug nadat hij, naar zijn zeggen, van zijn opdrachtgevers, die volgens de verdachte een gewelddadige reputatie hadden, te horen had gekregen dat hij en [medeverdachte] samen met twee anderen verhaal moesten gaan halen bij [slachtoffer 1] . Het geld moest linksom of rechtsom terug, aldus de verdachte. Hij verwachtte dat er een paar tikken uitgedeeld zouden worden en dat er bedreigingen zouden worden geuit. Bij aankomst aan de [adres 2] heeft de verdachte richting [slachtoffer 1] aangegeven dat hij hem verdenkt van de diefstal van de hennep. Toen [slachtoffer 1] de diefstal ontkende, trokken de verdachte en de twee onbekende mannen handschoenen aan. Daarop begonnen de twee onbekend gebleven mannen [slachtoffer 1] te slaan, onder meer met een vuist in zijn gezicht. Eén van hen haalde uit de meegebrachte tas duct tape en een wapen, waarmee later werd geschoten. [slachtoffer 1] werd meegenomen naar het washok en [slachtoffer 2] bleef achter bij de verdachte. [slachtoffer 1] werd in het washok onder druk gezet om de diefstal te bekennen. Hij werd hierbij vastgebonden. Ondertussen werd hij geslagen en geschopt. Hij werd met een schroevendraaier in zijn been gestoken, met een stanleymes in zijn handen en benen gesneden en er werd zout in zijn wonden gestrooid. Ook werd er een strijkijzer tegen zijn been gezet en een brandende peuk op zijn arm en been gedrukt. [slachtoffer 2] werd ondertussen door de verdachte onder druk gezet om de diefstal van de hennep te bekennen. Eén van de onbekende mannen sloeg haar met zijn vuist tegen haar hoofd. Ze werd meegenomen om bij haar partner [slachtoffer 1] te gaan kijken waarna zij een mand over haar hoofd kreeg. Ze werd geslagen op haar hoofd, de mand werd weggehaald en ze sloegen in haar gezicht tot de verdachte tegen de mannen zei dat het genoeg geweest was. Eén van de twee onbekende mannen bracht tussendoor verslag uit aan de verdachte door hem te vertellen dat [slachtoffer 1] wel begon te praten. Uiteindelijk heeft de verdachte gezegd: “Wij gaan weg.”
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde dient te worden gekwalificeerd, in het bijzonder of er sprake is van medeplegen.
Rol van de verdachte
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen als uitgangspunt geldt dat er sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeplegers. Dat betekent dat bij een bewezenverklaring van medeplegen van het tenlastegelegde delict er bij de verdachte sprake dient te zijn van een – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict die van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof op grond daarvan heeft vastgesteld is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de twee onbekend gebleven mannen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De mishandeling van [slachtoffer 1] door de beide onbekend gebleven mannen heeft, ook gelet op de vele letsels, langere tijd geduurd. De verdachte is – anders dan medeverdachte [medeverdachte] , die volgens aangever toen niet meer aanwezig was – gedurende de gewelddadigheden in de woning van de aangevers gebleven en heeft ondertussen telkens zicht gehouden op [slachtoffer 2] en op haar ingepraat, terwijl die [slachtoffer 2] op de achtergrond de martelingen van haar partner hoorde. De verdachte heeft weliswaar ten tijde van het bewezenverklaarde zelf geen geweld toegepast, maar hij had wel een duidelijke, essentiële en onmisbare rol in het geheel met als doel om uiteindelijk met grof geweld “verhaal te halen”. De onderlinge rolverdeling is door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep treffend verwoord als een situatie van “good cop, bad cop”. Daar komt bij dat de verdachte de twee onbekend gebleven mannen een aantal keren aanwijzingen heeft gegeven die kennelijk werden opgevolgd, waarbij hij ook op momenten heeft aangegeven dat het geweld genoeg was. Volgens [slachtoffer 2] had de verdachte “de overhand”. Het was de verdachte die uiteindelijk zei: “Wij gaan weg.” Dat de verdachte uit angst zich niet eerder aan de situatie heeft onttrokken, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.
Met zijn gedragingen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof op álle door de medeverdachten toegepaste geweldshandelingen minst genomen voorwaardelijk opzet gehad.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 22 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.V. Pelsser en mr. J. de Leijer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Dictum
Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat:
- de verdachte in de ochtend voorafgaand aan het bewezenverklaarde [slachtoffer 1] ook zelf heeft mishandeld, nadat hij was geconfronteerd met de diefstal van de partij hennep,
- hij daarna met de opdrachtgever heeft gesproken, waarvan hij wist dat deze een gewelddadige reputatie had en die hem liet weten het er niet bij te laten zitten,
- het geld (het hof begrijpt: de waarde van de verdwenen partij hennep: ongeveer
€ 100.000,00) volgens de verdachte linksom of rechtsom terug moest,
- de verdachte zich vervolgens door de opdrachtgever met twee onbekend gebleven mannen op pad heeft laten sturen om bij de slachtoffers verhaal te gaan halen,
- de twee onbekend gebleven mannen in de woning vrijwel van meet af aan geweld hebben gebruikt richting de beide aangevers in het bijzijn van de verdachte.
Gelet op het voorgaande is het hof derhalve van oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen.
Het hof ziet zich vervolgens ambtshalve voor de vraag gesteld of het letsel van [slachtoffer 1] , zoals dat is tenlastegelegd onder 2 primair, als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof stelt aan de hand van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de letselbeschrijving door forensisch arts [naam arts] , de verklaringen afgelegd door de aangever bij de politie d.d. 23 november 2018, 25 november 2018 en per e-mail op 12 augustus 2020 en bij de rechter commissaris d.d. 11 mei 2022, de verklaringen van zijn partner [slachtoffer 2] , het aanvullende proces-verbaal met betrekking tot bevindingen letsel d.d. 20 november 2020 en de eigen waarnemingen van het hof met betrekking tot de foto’s op de pagina’s 166 en 167 van het dossier vast dat aangever [slachtoffer 1] in zijn eigen woning door meerdere personen is gemarteld. Daarbij is letsel aan hem toegebracht over zijn hele lichaam (hoofd, gezicht, romp, armen en benen), bestaande uit onder meer (volledig) uitgeslagen snijtanden in het bovengebit, twee tweedegraads brandwonden op zijn linkerbeen en één op zijn linkerarm, een veelvoud van steek- en snijverwondingen op zijn armen en benen alsmede bloeduitstortingen in het gezicht met name rondom de rechteroogkas. Het letsel aan het gebit is zonder medisch ingrijpen blijvend van aard en was drie-en-een-half jaar later nog altijd niet hersteld. De aangever heeft bovendien drie-en-een-half-jaar zijn normale beroepsbezigheden niet kunnen verrichten. De tweedegraadsbrandwonden op het been van aangever, afkomstig van een heet strijkijzer, zijn drie-en-een-half-jaar later nog altijd zichtbaar en daarmee blijvend van aard. Volgens aangever [slachtoffer 1] is er sprake van meerdere blijvende littekens.
Het hof is van oordeel dat de (volledig) uitgeslagen snijtanden in het bovengebit, bezien in combinatie met het vereiste medisch ingrijpen, de aard en grote hoeveelheid van andere toegebrachte letsels, de blijvende littekens en de langdurige herstelperiode, zonder meer als zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 Sr moet worden aangemerkt. Het hof komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Voorbedachte raad ten aanzien van feit 2 primair
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de twee onbekend gebleven mannen planmatig hebben gehandeld. De verdachte heeft met de aangevers afgesproken dat hij die avond langs zou komen nadat hij al sinds die ochtend wist dat een partij hennep met een waarde van ongeveer € 100.000,00 verdwenen was. De verdachte heeft van tevoren met zijn opdrachtgever overlegd en is welbewust verhaal gaan halen met twee onbekend gebleven mannen. Hij hield daarbij al rekening met het toepassen van geweld en bedreigingen. De verdachte en de twee onbekend gebleven mannen hebben kort nadat ze gearriveerd waren handschoenen aangetrokken en hadden voorwerpen als duct tape en een wapen meegenomen. Zij hadden tijdens de gebeurtenissen ieder een eigen rol. Eenmaal ter plaatse hebben zij niet of nauwelijks overlegd over wie wat zou doen, zo volgt uit de verklaringen van de aangevers. Dat [slachtoffer 1] werd gemarteld was voor alle betrokkenen kenbaar. Zoals hiervoor is overwogen was de nodige tijd gemoeid met de uitvoering van de verschillende geweldshandelingen. Deze vonden met tussenpozen plaats, waarbij betrokkenen zich ook naar en van andere ruimten in de woning hebben begeven en voorwerpen hebben gepakt en gebruikt. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling was geen sprake. De verdachte heeft ruim de tijd en de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap gegeven. Dat de verdachte dat ook heeft gedaan, volgt uit zijn eigen verklaring waaruit blijkt dat hem er alles aan gelegen was dat aangevers de schuld zouden krijgen van de verdwenen hennep en dat die schuld niet bij hem zou worden neergelegd. Eerst na voltooiing van het bewezenverklaarde zei de verdachte: “Wij gaan weg.”
Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte samen met de twee onbekend gebleven verdachten aan aangever [slachtoffer 1] met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Dictum
Het hof ziet geen contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang beschouwd met de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 2 primair en 3 primair heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.
Het onder 3 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging en met voorbedachte raad toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer [slachtoffer 1] . Hij heeft samen met zijn mededaders [slachtoffer 1] vastgebonden, geslagen, bedreigd, gesneden, gebrandmerkt met een strijkijzer en sigarettenpeuken en zout in zijn wonden gestrooid. [slachtoffer 1] heeft over zijn hele lichaam verwondingen en hij mist voortanden. Om [slachtoffer 1] nog meer onder druk te zetten zijn er vlak bij hem ook nog twee schoten gelost. Hetgeen [slachtoffer 1] heeft meegemaakt is een ware marteling geweest. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij heel angstig was en dacht dat hij en zijn partner het niet zouden overleven. In de tussentijd werd ook zijn partner [slachtoffer 2] mishandeld. Ook zij is gedurende de mishandeling angstig geweest, niet alleen voor zichzelf maar ook doordat haar partner eerst in haar bijzijn en later binnen gehoorafstand in het washok ernstig werd mishandeld. Zij wist niet wat er daar gaande was en na het horen van de schoten was zij zelfs korte tijd in de veronderstelling dat haar partner niet meer leefde. Duidelijk is dat deze gebeurtenis een enorme impact moet hebben gehad op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarvan zij psychisch nog lange tijd last hebben gehad blijkens hun verklaringen een aantal jaar na het incident bij de politie en de rechter-commissaris.
Over het motief voor dit buitensporige geweld is ter terechtzitting gebleken dat de verdachte wilde dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schuld zouden bekennen aan de diefstal van een partij hennep met een waarde van ongeveer € 100.000,00 zodat hij hiervan niet zelf de schuld zou krijgen. De verdachte erkent de bedoeling van zijn bezoek aan de aangevers samen met twee onbekende mannen, namelijk verhaal halen. Het geld moest linksom of rechtsom terug. Hij erkent ook wat aangevers daar is overkomen. Zijn rol maakt hij hierin echter kleiner dan deze in werkelijkheid is geweest. De verdachte heeft de aangevers aangesproken op de diefstal en na hun ontkenning zijn de medeverdachten meteen overgegaan tot het gebruik van buitensporig geweld. De verdachte heeft hier in het geheel niet op gereageerd behalve in een sturende rol op het moment dat hij vond dat er genoeg geweld tegen aangeefster [slachtoffer 2] was gebruikt en wanneer hij zegt: “Wij gaan weg”. Hij had op elk moment die avond kunnen ingrijpen en zich kunnen distantiëren, maar heeft dat nagelaten. Het belang om de schuld van de gestolen hennep van zich af te schuiven woog kennelijk zwaarder dan de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Het hof rekent de verdachte de feiten zeer zwaar aan.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 augustus 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor geweldsdelicten is veroordeeld. Wel is de verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk veroordeeld voor Opiumwetdelicten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij inmiddels op het rechte pad is. Zo heeft hij een fulltime baan heeft bij [bedrijf] in [plaatsnaam] , waarbij hij intern een opleiding volgt. Hij gebruikt sinds tweeëneenhalf jaar geen verdovende middelen meer. Hij is daarvoor eerder onder behandeling geweest en heeft diverse cursussen gevolgd.
Alles overziende en in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn waarbinnen de openbare behandeling van de strafzaak had moeten plaatsvinden, is overschreden. Er is sprake van een overschrijding van ruim 2 jaar. De verdachte is in deze zaak op 9 juli 2019 in verzekering gesteld, zijnde het moment dat hij ermee bekend is geraakt dat tegen hem een strafvervolging zou kunnen worden ingesteld. Het vonnis dateert van ruim 4 jaren later, te weten 15 september 2023. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.
Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.