Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-09
ECLI:NL:GHSHE:2024:3209
Strafrecht
Hoger beroep
2,241 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-003428-23
Uitspraak : 9 oktober 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 december 2023 met parketnummer
02-148704-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarbij de politierechter een in verzekering doorgebrachte dag heeft gewaardeerd naar de maatstaf van € 50,00 per dag. Daarnaast heeft de politierechter een beslissing genomen ten aanzien van de in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten verbeurdverklaring van een weegschaal en onttrekking aan het verkeer van 26 stuks fust.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het tenlastegelegde. Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het hof de teruggave zal gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, bestaande uit een aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de strafoplegging, en met uitzondering van de opgelegde bijkomende straf van verbeurdverklaring en de maatregel van onttrekking. De toepasselijke wettelijke voorschriften worden dientengevolge opnieuw opgenomen.
Aanvulling overwegingen strafoplegging
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht om aan de verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Door de verdediging is subsidiair verzocht om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete. Meer subsidiair is verzocht om de geldboete te matigen naar een geldbedrag van € 250,00 met aftrek van het voorarrest.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 18 juni 2023 schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk, door ondanks dat aan haar een toegangsverbod was opgelegd voor de [bedrijf] te Tilburg, deze toch binnen te gaan. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van dit verbod en heeft door aldus te handelen inbreuk gemaakt op het recht van de [bedrijf] om te bepalen wie haar vestigingen mag betreden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 juli 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld en derhalve als first offender dient te worden beschouwd.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels in Spanje werkt en verblijft en dat de verdachte niet van plan is om terug te keren naar Nederland.
De advocaat-generaal heeft overeenkomstig de eis in eerste aanleg en de beslissing van de politierechter gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een geldboete ter hoogte van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van € 50,00 per dag. Uit hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep, begrijpt het hof dat zij met haar vordering is aangesloten bij de ‘Richtlijn voor strafvordering huis- en lokaalvredebreuk (2015R002) ‘bij winkelverbod i.v.m. diefstallen’. Het hof stelt vast dat uit het van het dossier uitmakende aan de verdachte uitgereikte winkelverbod blijkt dat dit winkelverbod aan haar was opgelegd, omdat/nadat de verdachte zich eerder op 2 juni 2023 schuldig zou hebben gemaakt aan winkeldiefstal bij de [bedrijf] . Dat van die winkeldiefstal niet blijkt uit haar strafblad, laat het gegeven dat het klaarblijkelijk is opgelegd in verband met een winkeldiefstal onverlet. Dat in het onderhavige dossier sprake was van een winkeldiefstal en de medeverdachte deze diefstal heeft bekend ten overstaan van de politie, maakt dit gegeven evenmin anders.
Gelet hierop kan het hof de strafoplegging van de politierechter alsmede de vordering van de advocaat-generaal volgen en acht het hof de eerder opgelegde straf onverkort passend en geboden. In de omstandigheden dat de verdachte -naar zeggen van de raadsvrouw- thans zou verblijven in Spanje en niet voornemens is terug te keren naar Nederland, ziet het hof geen aanleiding om die geldboete te matigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is overigens rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Beslag
Het hof heeft geconstateerd dat na de aanhouding van de verdachte een weegschaal (goednummer 2604858) en 26 stuks lege gripzakjes (goednummer 2604859) zijn aangetroffen in de koffer van de verdachte en dat deze voorwerpen vervolgens in beslag zijn genomen.
Ingevolge artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor verbeurdverklaring in beginsel vereist dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren. Verder vergt dit artikel een bepaalde relatie tussen het voorwerp en hetgeen bewezen is verklaard. Reeds omdat iedere relatie tussen het bewezenverklaarde en de inbeslaggenomen weegschaal en gripzakjes ontbreekt en daarmee niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden, kan van oplegging van deze bijkomende straf geen sprake zijn.
In artikel 36b, eerste lid, Sr zijn limitatief de gevallen opgesomd waarin inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden onttrokken aan het verkeer bij -onder meer- een rechterlijke uitspraak als het onderhavige arrest. Zo kan deze maatregel bij arrest worden opgelegd, indien iemand (1°) wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld, (2°) schuldig wordt verklaard zonder dat aan hem een straf wordt opgelegd en (3°) wordt vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, mits wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan. Voor zover van ten minste één van die gevallen sprake is, moet vervolgens worden nagegaan of het voorwerp op grond van artikel 36c of 36d Sr vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde bijkomende straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht:
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Weegschaal (Omschrijving: G2604858);
- 26 STK Fust (Omschrijving: G2604859);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.W. van Well, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 9 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.