Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-03
ECLI:NL:GHSHE:2024:3100
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,441 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.308.978/01
zaaknummer rechtbank : C/01/357018 / FA RK 20-1347
beschikking van de meervoudige kamer van 3 oktober 2024
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. L.D.M. Rubens-Snijders,
als vervolg op de door het hof gegeven beschikkingen van 7 september 2023 en 15 februari 2024.
12De beschikkingen van 7 september 2023 en 15 februari 2024
12.1.
Bij de beschikking van 7 september 2023 heeft het hof, voor zover nu nog van belang, als volgt overwogen en beslist:
“Schuldbekentenis (grief 1 tot en met 3)
De grieven van de man slagen. Het hof zal hierna uitleggen waarom.
Nietigheid
5.6.1.
Het beroep van de vrouw op nietigheid van de schuldbekentenis gaat niet op. Anders dan de vrouw betoogt, is art. 1:100 BW niet van toepassing. Deze bepaling ziet op de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar van enige huwelijksgemeenschap is geen sprake. Partijen hebben iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De schuldbekentenis kan daarom niet nietig zijn vanwege art. 1:100 BW.
5.6.2.
Evenmin is de schuldbekentenis nietig in de zin van art. 1:115 BW. De schuldbekentenis vormt geen (wijziging van) huwelijkse voorwaarde(n). De schuldbekentenis bevat geen verplichting die afwijkt van hetgeen partijen voorafgaand aan het huwelijk zijn overeengekomen. In het bijzonder blijft de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onaangetast (de vrouw is en blijft enig eigenaar van haar woning). De vrouw heeft op zich genomen de man een geldsom van ten minste € 75.000,-- te betalen in nader specifiek omschreven gevallen (samengevat: bij verkoop van de woning of op het moment dat de man dit eist). Deze verbintenis tot betaling van een geldsom, die partijen zelf hebben aangemerkt als schuldbekentenis, is geen huwelijkse voorwaarde.
Tekst van de schuldbekentenis
5.6.3.
Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de tekst van de schuldbekentenis in de weg staat aan toewijzing van het verzoek van de man. Uit de tekst volgt dit niet. Toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG 4158, NJ 1981, 635) leidt er eveneens toe dat partijen (ook) in de situatie dat de vrouw de woning niet wil verkopen, de bedoeling hebben gehad dat de vrouw aan de man een bedrag van € 75.000,-- of 22% van de vraagprijs van de woning zal voldoen. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat partijen iets anders hebben bedoeld, heeft de vrouw niet aangevoerd.
Misbruik van omstandigheden
5.6.4.
Volgens art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Krachtens art. 150 Rv rust de stelplicht – en bij voldoende gemotiveerde betwisting ook de bewijslast – van misbruik van omstandigheden op de vrouw.
5.6.5.
Voor een gerechtvaardigd beroep op misbruik van omstandigheden geldt dat sprake moet zijn van een situatie, waarin (in dit geval) de man wist of moest begrijpen dat de vrouw door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis, terwijl die wetenschap de man had moeten weerhouden van het bevorderen van dat ondertekenen. De vrouw heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk in een afhankelijke en kwetsbare positie verkeerde en dat zij de schuldbekentenis heeft getekend onder invloed van alcohol en druk van de man. Deze – betwiste – stellingen zijn echter op geen enkele wijze door de vrouw onderbouwd, zodat haar beroep op misbruik van omstandigheden niet kan slagen.
Conclusie
5.6.6.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de vrouw op (1) nietigheid van de schuldbekentenis, (2) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek en (3) het bestaan van een wilsgebrek (misbruik van omstandigheden), niet op gaat. Dit betekent dat de grieven van de man slagen en dat het hof het verzoek van de man zal toewijzen.
Overeenkomstig het verzoek van de man is het hof thans voornemens een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren en – bij voorkeur eensluidend – voorstellen te doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige. Het hof zal de zaak daartoe aanhouden. Gelet op het bepaalde in de schuldbekentenis komen de kosten van de deskundige voor rekening van de vrouw. Partijen zullen ook in de gelegenheid worden gesteld zich over de peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning uit te laten.”
12.2.
In de beschikking van 15 februari 2024 heeft het hof als volgt overwogen en beslist:
“10.1 In de tussenbeschikking van 7 september 2023 is geoordeeld dat “het beroep van de vrouw op (…) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek (…) niet op gaat.”; (mede) op die grond is geoordeeld dat de grieven 1-3 van de man slagen en is, tot slot, overeenkomstig het verzoek van de man beslist dat het hof het voornemen heeft “een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning” (rov. 5.6.6).
10.2
Hiermee heeft het hof een geschilpunt, namelijk voor zover dit ziet op de inhoud van de schuldbekentenis, tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
10.3
Het hof ziet aanleiding om de zojuist weergegeven (bindende) eindbeslissing in heroverweging te nemen omdat deze mogelijk berust op een onjuiste juridische/feitelijke grondslag.
De vrouw heeft namelijk ook nog, zonder dat het hof daarop is ingegaan, aangevoerd dat:
- er alleen een verplichting jegens de man tot verrekening was in geval van “scheiding” (verweerschrift in hb, pt. 15);
- in de overeenkomst de vraagprijs van de woning als uitgangspunt is genomen voor de bepaling van de vordering met een minimum van € 75.000,--; een vraagprijs nooit uitgangspunt is bij waardering van woningen in het geval van verdelingen of verrekeningen; het een feit van algemene bekendheid is dat de waarde van de woning in het economisch verkeer uitgangspunt is en niet de vraagprijs (id., pt. 18).
Voorts maakt de (bindende) eindbeslissing niet duidelijk op welk moment “de vraagprijs” van de woning moet worden bepaald (hierna: de peildatum). De peildatum kan echter niet los worden gezien van de zin die partijen, ook overigens, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de schuldbekentenis mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Die onverbrekelijke samenhang blijkt ook uit de uitlatingen van partijen na de beschikking van 7 september 2023. De vrouw stelt bijvoorbeeld dat zij diverse verbouwingen heeft verricht, maar dat deze buiten de aan de man uit te keren overwaarde gehouden dienen te worden, aangezien deze hebben plaatsgevonden na het uiteengaan van partijen (in 2006). De man weerspreekt dit. Volgens hem maakt de schuldbekentenis geen onderscheid tussen autonome waardestijgingen en waardestijgingen veroorzaakt door verbouwingen.
10.4
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen, zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de in rov. 5.6.6 genomen eindbeslissing zoals hiervóór in rov. 10.1 weergegeven.”
13Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Na voormelde tussenbeschikking van 15 februari 2024 zijn de volgende stukken ter kennis van het hof gebracht:
de reactie van de man van 12 maart 2024 op het voornemen van het hof terug te komen van de bindende eindbeslissing;
de reactie van de vrouw van 13 maart 2024 op het voornemen van het hof terug te komen van de bindende eindbeslissing;
de reactie van de vrouw van 10 april 2024 op de uitlating van de man;
de reactie van de man van 11 april 2024 op de uitlating van de vrouw.
14De verdere beoordeling
Schuldbekentenis
14.1.
Partijen hebben bij de onder 13 genoemde correspondentie gebruik gemaakt van de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de bindende eindbeslissing in de tussenbeschikking van 7 september 2023 als bedoeld in rov. 10.1 van de tussenbeschikking van 15 februari 2024.
14.2.
De man voert in dit verband het volgende aan. Van alleen een verplichting jegens de man tot verrekening in geval van “scheiding” is geen sprake. Ten onrechte baseert de vrouw zich hierbij op de door haar handgeschreven en ondertekende schuldbekentenis van 21 november 2005. Deze schuldbekentenis is vervallen met de daarna door partijen opgestelde en ondertekende schuldbekentenis van 10 december 2005. Deze schuldbekentenis is ruimer omdat daarin is opgenomen dat de afspraak tussen partijen niet uitsluitend is beperkt tot de situatie van een echtscheiding, maar ook ziet op scheiding van tafel en bed en anderszins. De schuldbekentenis van 10 december 2005 zou wat dat betreft kunnen worden beschouwd als een aanvulling op de schuldbekentenis van 21 november 2005.
Partijen hebben in de schuldbekentenis bewust de term ‘vraagprijs’ opgenomen. Partijen hebben hiermee bedoeld de waarde in het economisch verkeer, zijnde de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. Reden hiervoor is dat de term ‘waarde in het economisch verkeer’ zou kunnen worden uitgelegd als een verkoopprijs. Hiermee zou de indruk kunnen worden gewekt dat het de bedoeling van partijen zou zijn geweest dat de woning zou moeten worden verkocht. Dat is niet het geval. De vrouw is geenszins verplicht de woning te verkopen of in het openbaar ter verkoop aan te bieden.
Partijen hebben bij het opstellen van de schuldbekentenis niet gesproken over dat eventuele verbouwingen/renovaties bekostigd door de vrouw of door de man separaat tot uitdrukking dienden te komen bij de bepaling van de waarde van de woning. Partijen hebben met de schuldbekentenis bedoeld een vaststaande aanspraak van de man te formuleren los van de door de man of vrouw in de woning geïnvesteerde kosten op welke wijze dan ook.
Als peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning moet primair worden uitgegaan van de datum van opname door de deskundige. Subsidiair heeft te gelden dat partijen in de schuldbekentenis drie situaties hebben benoemd waarop de man aanspraak kan maken op een bedrag. Een van die situaties is de ontbinding van het huwelijk. Partijen zijn op 6 mei 2022 gescheiden. Die datum zou daarom subsidiair als peildatum kunnen worden genomen.
14.3.
De vrouw heeft zich als volgt uitgelaten.
Dictum
Het hof:
15.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de volgende vraag:
wat is per peildatum 28 september 2006 de waarde in het economisch verkeer van de woning aan [adres] ?
15.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van die vraag:
de heer [betrokkene]
[naam]
[adres]
[plaats]
telefoon: [telefoonnummer]
e-mail: [e-mailadres]
15.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige toezendt;
15.4.
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking aan de deskundige zullen verstrekken de door hem gewenste stukken en inlichtingen;
15.5.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
15.6.
wijst de deskundige erop dat de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis dient te nemen van de “Leidraad deskundigen in civiele zaken”, te raadplegen op rechtspraak.nl;
15.7.
bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de advocaten van de partijen;
15.8.
bepaalt dat de deskundige de partijen en hun advocaten, indien zij dat wensen, in de gelegenheid zal stellen aanwezig te zijn bij de opname voor de bepaling van de waarde in het economisch verkeer;
15.9.
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
15.10.
bepaalt dat partijen binnen twee weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
15.11.
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;
15.12.
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op twee maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
15.13.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.000,-- inclusief BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
15.14.
bepaalt dat de vrouw wordt belast met genoemd voorschot van € 1.000,--;
15.15.
bepaalt dat de vrouw het voorschot van € 1.000,-- zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
15.16.
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
15.17.
benoemt mr. G.J. Vossestein tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
15.18.
bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst van het definitieve deskundigenrapport hun reactie schriftelijk aan het hof kenbaar kunnen maken;
15.19.
houdt iedere verdere beslissing aan tot 16 januari 2025 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en M.A. Ossentjuk, en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Conclusie
In 2006 zijn partijen uit elkaar gegaan, pas in 2020 is de echtscheiding aangevraagd. Voor de peildatum is in de overeenkomst geen concrete bepaling opgenomen. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de vrouw met de man zou moeten verrekenen op basis van de waarde die de woning op dit moment heeft, terwijl partijen al in 2006 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft nadien alle kosten van de woning gedragen en heeft bovendien nog diverse verbouwingen en verbeteringen aan de woning verricht, die zij geheel heeft bekostigd en waar de man in het geheel niets aan heeft bijgedragen. De peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning dient daarom te worden gesteld op het moment dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Dat was in 2006. Als peildatum kan dan worden genomen 1 januari 2006.
14.4.
Het hof overweegt als volgt.
In geschil is de uitleg van de door partijen op 10 december 2005 opgestelde en ondertekende schuldbekentenis (hierna: de schuldbekentenis). Het hof stelt het volgende voorop.
14.5.
Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van een overeenkomst mede te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:
“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”
In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de artt. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in het convenant is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen(HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).
14.6.
In de schuldbekentenis is onder meer het volgende bepaald:
“(…). Bij verkoop van het pand [adres] , kadastraal nummer [nummer] d.d. 25 april 1980, zal om welke reden dan ook 22% van de vraagprijs of minimaal euro 75.000.-- (vijf en zeventig duizend euro), direct betaald worden aan haar echtgenoot [de man] .
Ook indien een van de partijen eist of indien het gewenst is, dat het huis verkocht dient te worden i.v.m. bijvoorbeeld dat het huwelijk zal worden ontbonden, ook scheiding van tafel en bed, of anderszins, zal 22% van de vraagprijs of het minimale bedrag van euro 75.000.-- per direct aan hem betaald worden, ook als door eigenares dan bepaald wordt dat het pand dan niet wordt verkocht en zij erin blijft wonen of het gaat verhuren. (…)”
14.7.
Naar het oordeel van het hof hebben partijen met de schuldbekentenis beoogd de gevolgen van het beëindigen van hun relatie te regelen. Het hof wijst daarbij onder meer op de verklaring van de man dat partijen de schuldbekentenis hebben opgesteld omdat in die periode in hun vrienden- en kennissenkring sprake was van meerdere echtscheidingsgevallen (pt. 5 bs). Dat partijen die bedoeling hebben gehad kan tevens worden afgeleid uit de eerder door de vrouw handgeschreven en ondertekende schuldbekentenis van 21 november 2005 die kort vooraf ging aan, en is vervangen door, de schuldbekentenis van 10 december 2005 waarin een financiële regeling is getroffen is in het geval van “scheiding”. En voorts ook uit de gronden genoemd in de schuldbekentenis (ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed). Het “anderszins” houdt dan, anders dan de man betoogt, niet in dat de man zonder meer, ongeacht hoe de relatie er voor staat en wanneer het hem goeddunkt € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs” van de vrouw kan eisen. Zo hoefde de vrouw de schuldbekentenis niet te begrijpen. Dit temeer niet, nu de man nergens duidelijk maakt hoe partijen op het bedrag van € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs” zijn gekomen en in het bijzonder in welke feiten de afgesproken betalingsverplichting haar grond vindt, en hoe partijen zijn uitgekomen op het bedrag van € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs”. Veeleer moet het “anderszins” als een uitbreiding van gevallen waarin sprake is van beëindiging van de relatie (direct aan het “anderszins” voorafgaand noemt de schuldbekentenis: einde huwelijk; scheiding tafel en bed) worden aangemerkt, zoals de vrouw heeft betoogd, namelijk bij “feitelijk uit elkaar gaan”. Op dat moment kon de man meteen aanspraak maken op het bedrag en tegen dat moment zal nu ook de bepaling van de “vraagprijs” (waaronder hier moet worden verstaan de waarde in het economisch verkeer, zie pt. 18 vws vrouw en reactie man d.d. 12 mrt 2024) van de woning moeten plaatsvinden.
14.8.
Partijen zijn het erover eens dat zij in 2006 feitelijk uit elkaar zijn gegaan (zie brief vrouw d.d. 3 nov 2023 en brief man d.d. 11 apr 2024). Nu de man daarbij onweersproken heeft gesteld dat hij op 28 september 2006 de woning heeft verlaten, dient als peildatum voor de waardering van de woning 28 september 2006 te worden gehanteerd.
14.9.
Bij journaalbericht van 2 oktober 2023 heeft de man het hof voorgesteld de heer [betrokkene] van makelaarskantoor [naam] te [plaats] te benoemen als deskundige voor de waardering van de woning. Bij brief van 4 oktober 2023 heeft de vrouw hiermee ingestemd. Nu partijen het hierover eens zijn zal het hof overgaan tot benoeming van de heer [betrokkene] als deskundige (waarover ook rov. 5.4 en 5.6.6 bs van 7 september 2023).
14.10.
Anders dan de vrouw (zie brief d.d. 4 okt 2023), ziet het hof geen aanleiding om de door haar aan de man te betalen vergoedingsrechten van € 6.014,98 en € 5.769,82 in mindering te brengen op de door de deskundige te bepalen waarde van de woning. De man heeft de stelling van de vrouw betwist terwijl onvoldoende gesteld is dat de vermogensverschuivingen die de grond vormden voor de vergoedingsrechten, hebben geleid tot relevante waardevermeerdering van de woning (het betrof o.m. de plaatsing van een schouw; dubbelglas (voor een bedrag van fl. 1.000,--); en een factuur van [bedrijf] van fl. 965,--). Deze uitgaven van in totaal € 5.769,82, alle uit 1996, kunnen, zonder nadere toelichting door de vrouw, die ontbreekt, niet gezegd worden 10 jaar later, op de peildatum, het waardevermeerderend effect te hebben gehad waarop de vrouw zich beroept. Dit geldt evenzeer voor het vergoedingsrecht van € 6.014,98 (dat een uitgave aan een keuken betrof).
Beleggingsportefeuille Theodoor Gillissen Bank N.V.
14.11.
In de beschikking van 7 september 2023 heeft het hof in rov. 5.10 als volgt geoordeeld:
“De man heeft de stelling van de vrouw, dat beide partijen gerechtigd waren tot het saldo op de beleggingsrekening, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Mede gelet op hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht ter zake het gezamenlijke inkomen van partijen, lag het op de weg van de man om nader uit te leggen waarom de beleggingsrekening op naam van beiden stond als alleen hij gerechtigd zou zijn tot het saldo daarvan. Dat heeft hij nagelaten. Grief 4 van de man faalt mitsdien.”
14.12.
De man verzoekt het hof om heroverweging hiervan.