Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-17
ECLI:NL:GHSHE:2024:2557
Strafrecht
Hoger beroep
79,737 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 81.250,00;
een geldbedrag van € 39.000,00.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 17 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. dr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001296-23
Uitspraak : 17 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-190414-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 impliciet subsidiair alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1 impliciet subsidiair), en
medeplegen van witwassen (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 7 februari 2024 en 3 juli 2024 en de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 februari 2024 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2024 bij deze vordering gepersisteerd.
De verdediging heeft, zowel ter terechtzitting van 7 februari 2024 als ter terechtzitting van 3 juli 2024, integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, doch de voorwaarden genoemd onder de nummers 7 (wekelijkse meldplicht) en 8 (inleveren van reisdocumenten) te schrappen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Susteren, in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen/buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, dan wel in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 125 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
telkens een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
en/of
van een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-),
gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of
heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of de medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij omstreeks 19 juli 2021 te Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet), ongeveer 125 kilogram hennep, een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit, zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 6 juli 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp (te weten geld, € 120.250,-) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en de medeverdachten wisten dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de ter terechtzitting van 7 februari 2024 overgelegde pleitnota en in de kern herhaald ter terechtzitting van 3 juli 2024 – kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van hennep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de hennep zou worden ingevoerd door een vrachtwagen uit het buitenland en dat ook niet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dit transport. Ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep is bepleit dat de verdachte niet aanwezig was op het moment dat de hennep werd aangetroffen in de loods, waardoor van zelfstandig plegen niet kan worden gesproken. Evenmin is sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een intensieve samenwerking, een taakverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten of van enige rol van de verdachte in de voorbereiding. De enkele omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep met de medeverdachten in de loods aanwezig is geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van een wezenlijke bijdrage aan het aanwezig hebben van de hennep. Bovendien heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het feit dat hij in de loods aanwezig was, welke verklaring naar de mening van de verdediging niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte betrokken is geweest bij gesprekken over een grote hoeveelheid geld doet daar niet aan af. De verdachte heeft geen enkele wetenschap gehad van een levering van hennep, waardoor niet aan de vereisten voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep kan worden voldaan en hij, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende vast.
Uit een ander opsporingsonderzoek kwam naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met respectievelijk een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] gebruik maken van twee loodsen voor de distributie van grote hoeveelheden cocaïne op de vroege maandagochtenden. Naar aanleiding van deze informatie zijn de loodsen, gelegen aan [adres 2] en [adres 3] , door de politie geobserveerd.
Op maandag 19 juli 2021 werd op de camerabeelden van [adres 2] het volgende waargenomen:
om 03.29 uur stopt een Volkswagen, type Transporter, met kenteken [kenteken 2] bij de loods. In het voertuig zitten twee personen, naar later blijkt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De poort aan de voorzijde van de loods wordt geopend en de bestelbus wordt de loods ingereden;
om 04.45 uur komt de verdachte aangereden in een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] en hij rijdt met het voertuig naar binnen. Er wordt waargenomen dat de drie aanwezigen in de deuropening van de poort blijven staan en naar de weg kijken, waarbij het er sterk op lijkt dat de verdachten ergens op staan te wachten;
om 06.22 uur stapt de verdachte in zijn voertuig en rijdt weg vanaf de locatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven achter in de loods. Zij verschijnen vaker in de deuropening van de poort en kijken daarbij naar de weg;
om 08.54 uur rijdt een vrachtwagen met een Spaans kenteken met aanhanger het terrein op. Te zien is dat twee mannen uit de vrachtwagen komen. Zij openen de achterdeur van de aanhangwagen. Vervolgens is te zien dat een heftruck, die wordt bestuurd door de verdachte [medeverdachte 2] , naar buiten komt rijden. In totaal worden 3 pallets uit de vrachtwagen gehaald en in de loods gereden. Op deze pallets zijn witte langwerpige dozen gestapeld. Nadat de 3 pallets zijn gelost, worden de deuren van de vrachtwagen gesloten en verlaat deze het terrein.
Naar aanleiding van deze informatie werd door de politie op 19 juli 2021 te 09.20 uur de loods gelegen aan [adres 2] ter inbeslagneming binnengetreden. Nadat de dozen van de pallets zijn geladen en onderzocht, bleken 62 van de 108 dozen gevuld te zijn met pakketten met zwarte zogenaamde strijkzakken met daarin elk twee afzonderlijk in doorzichtig plastic verpakte pakketten met hennep. Uit nader onderzoek is gebleken dat het nettogewicht aan hennep van elk pakket twee kilo betrof. In de loods werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden. De inzittenden in de vrachtwagen betroffen een Nederlandse chauffeur, te weten [betrokkene] , en een Spaanse bijrijder. Om 10.00 uur is de politie een doorzoeking in voormelde loods gestart. In een opbergvakje van het bestuurdersportier van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] lag onder andere een sleutelbos met daaraan drie sleutels.
Voor de doorzoeking ter inbeslagneming op [adres 3] omstreeks 10.50 uur werd de toegangspoort en de toegangsdeur tot het bedrijfspand geopend met sleutels, die aan de sleutelbos in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] uit zijn Volkswagen met het kenteken [kenteken 2] zaten. Tijdens de doorzoeking van dit pand sloeg de speurhond aan op daar aanwezige sealzakken. In één van die zakken werd groen plantaardig restmateriaal aangetroffen, waarvan de geur door de politie werd herkend als die van hennep. De speurhond sloeg eveneens aan op een doos met onder meer handschoenen. Voorts werd er een doos met onder meer nieuwe bigshoppers aangetroffen. Op 18 juli 2021 is de verdachte tijdens een observatie van deze loods gezien met een soortgelijke gevulde bigshopper in zijn linker hand, aan welke hand hij een handschoen droeg.
Op maandag 19 juli 2021 om 12.04 uur vond een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning van de verdachte, gelegen aan [adres 1] . Tijdens de doorzoeking werd in de woonkamer een contant geldbedrag van € 39.000,00 aangetroffen en in de kelder een contant geldbedrag van € 81.250,00. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung met als telefoonnummer
[telefoonnummer] en als Telegram user id [nummer] . Deze zijn onder de verdachte in beslaggenomen. Uit een automatisch door het systeem gegenereerde schermopname van deze telefoon op 19 juli 2021 te 11.28 uur blijkt een chatgesprek met het tegencontact genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’. Hieruit volgt dat de verdachte die dag contact heeft met ‘ [medeverdachte 3] ’, waarbij deze ‘ [medeverdachte 3] ’ om 10.18 uur “Complete?” heeft gestuurd en de verdachte hier om 10.19 uur op heeft geantwoord “Zijn nog bezig”. Vervolgens heeft de verdachte om 11.22 uur en 11.23 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”.
In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd onder andere een Apple iPhone 7 aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek aan die telefoon volgt dat de gebruiker van de iPhone 7 middels de applicatie Signal chatberichten verstuurde en ontving met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 5] ’. In deze telefoon stond een contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als telefoonnummer [telefoonnummer] en een Telegram contactpersoon genaamd ‘ [medeverdachte 4] ’ met als Telegram user id [nummer] .
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Uit de berichten in de chatapplicatie Signal op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 3] ’ volgt kort gezegd het navolgende:
naar aanleiding van een vraag van [medeverdachte 3] aan ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 of hij op 17 juli 2021 naar de [locatie] kan komen voor een overdracht van papieren, wordt een afspraak gemaakt voor die dag om 15.00 uur. Op verzoek van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft ‘ [medeverdachte 5] ’ op 16 juli 2021 een foto van een deel van een bankbiljet als ‘token’ gestuurd;
op 17 juli 2021 wordt door ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd “hij is er al” en “Vergeet de token niet” (14.39 uur) en “Zwarte Renault” (14.40 uur);
‘ [medeverdachte 5] ’ heeft in reactie daarop gestuurd “ik ben er” (14.43 uur) en “tegen over gamma parkeerplaats praksis bij ingang parkeerplaats” (14.45 uur);
kort daarna stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “is geroggeld” (14.48 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt ‘ [medeverdachte 5] ’ dan om 14.49 uur “Heb je Tel machine?”;
‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt met “Ja” om 14.50 uur;
‘ [medeverdachte 3] ’ stuurt “kun je ff natellen aub moet 124,200 zijn” (14.50 uur);
vervolgens stuurt ‘ [medeverdachte 3] ’ “ [medeverdachte 4] komt t rond 17.30 uur ophalen” (15.30 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ vraagt daarna aan ‘ [medeverdachte 5] ’ of het lukt met tellen (15.44 uur) en ‘ [medeverdachte 5] ’ antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ dat hij bezig is (16.10 uur);
in reactie daarop stuurt ‘ [medeverdachte 5] ’ “123.85” (16.21 uur);
‘ [medeverdachte 3] ’ reageert vervolgens met “350 tekort dus” (16.23 uur) en “pak er 2300 vanaf voor jezelf” (16.24 uur) en “2000 voor maandag 300 voor vandaag” (16.25 uur).
Uit de berichten in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] tussen de gebruiker ‘ [medeverdachte 5] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ blijkt het volgende:
op 16 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “moet weten of er maandag gewerkt moet worden” (12.33 uur);
op 17 juli 2021 stuurt ‘ [medeverdachte 4] ’ “er zou 124k bij jou liggen” (16.07 uur) en een minuut later “zou ik komen ophalen” (16.08 uur). Hierop antwoordt ‘ [medeverdachte 5] ’ met: “ik ben nog aant tellen” (16.08 uur).
Uit nader onderzoek naar de locatie waar de overdracht van het vermoedelijke geldbedrag had plaatsgevonden en om meer zicht te krijgen op de personen die hierbij betrokken waren, kwam de locatie van [locatie] Maastricht naar voren. Op de camerabeelden van dit filiaal van [locatie] van 17 juli 2021 is te zien dat om 14.42 uur een zwarte Renault met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats komt opgereden. Om 14.43 uur komt een grijze Volkswagen Combi met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de parkeerplaats opgereden. Een aantal minuten daarna verlaten de auto’s om respectievelijk 14.49 uur en 14.50 uur de parkeerplaats van deze [locatie] .
Het hof stelt voorts vast dat uit het onderzoek met betrekking tot de berichten kan worden geconcludeerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] onder de naam ‘ [medeverdachte 5] ’ chatberichten verstuurde, het contact ‘ [medeverdachte 4] ’ in de telefoon van [medeverdachte 1] en de bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ in de berichten verwijzen naar de verdachte en dat ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [medeverdachte 4] ’ dezelfde persoon zijn: de verdachte [verdachte] . Immers, uit de berichten van 17 juli 2021 volgt dat de persoon met de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ naar de medeverdachte [medeverdachte 1] het bericht heeft gestuurd dat ‘ [medeverdachte 4] ’ geld komt ophalen en diezelfde dag worden door ‘ [medeverdachte 4] ’ de berichten “er zou 124k bij jou liggen” en “zou ik komen ophalen” naar de medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd. ‘ [medeverdachte 5] ’ oftewel [medeverdachte 1] laat dan aan ‘ [medeverdachte 4] ’ weten dat hij nog aan het tellen is, hetgeen ook overeenkomt met het bericht van ‘ [medeverdachte 5] ’ aan ‘ [medeverdachte 3] ’ van 16.10 uur dat hij nog bezig is met tellen. Ten slotte wordt twee dagen later tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 120.250,00 aangetroffen, dat nagenoeg overeenkomt met het geldbedrag dat ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft geteld (€ 123.850,00) en waarvan hij € 2.300,00 mocht houden.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het bij de verdachte thuis gevonden geldbedrag – op ruim € 2.300,00 na – het geldbedrag is dat [medeverdachte 1] op 17 juli 2021 bij de [locatie] heeft opgehaald.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie worden getrokken dat de verdachte samenwerkte met een groep personen die zich bezig hield met de invoer van een partij hennep en een bij deze handel passende overdracht van geld. Ook de overige omstandigheden in het dossier wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij deze illegale handelingen. De verdachte heeft onder verzonnen gebruikers-namen via Signal contact gehad met zijn medeverdachten, die eveneens gebruik maakten van een verzonnen gebruikersnaam. In die berichten wordt de verdachte gevraagd om een contant geldbedrag van € 124.000,00 op te komen halen. De medeverdachte ‘ [medeverdachte 5] ’ heeft dat geldbedrag voor de medeverdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ op een parkeerplaats van een bouwmarkt in ontvangst genomen, waarbij een bankbiljet als zogeheten ‘token’ is gebruikt. Het geld is door ‘ [medeverdachte 5] ’ geteld met een geldtelmachine en de verdachte heeft dit geld vervolgens in bundels in een doos en een plastic zak in zijn woning bewaard. Nadat de verdachte gedurende ruim anderhalf uur met onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] in de loods – waar later die ochtend de softdrugs worden bezorgd – heeft doorgebracht en op grond van de camerabeelden op de uitkijk en in afwachting van de komst van de vrachtauto met de drugs lijkt te hebben gestaan, heeft de verdachte na vertrek bij de loods om 07:06:24 uur en om 09:06:07 uur telefonisch contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft hij een uur na binnenkomst van de 124 kilogram hennep in deze loods met diezelfde ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal contact over de vraag of het “complete?” is. Hij antwoordt ‘ [medeverdachte 3] ’ daarop “zijn nog bezig” en enige tijd later bericht hij aan deze ‘ [medeverdachte 3] ’ dat het foute boel is als hij de politie waarneemt.
Naar het oordeel van het hof passen al deze omstandigheden bij een (soft)drugstransactie binnen een crimineel samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon met de gebruikersnaam ‘ [medeverdachte 3] ’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zowel op 7 februari 2024 als op 3 juli 2024, ten stelligste ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de invoer van de hennep bij de loods. Hij heeft verklaard dat hij enkel in de loods aanwezig was, omdat hij in verband met zijn werkzaamheden naar Duitsland moest rijden en vanwege overstromingen in Duitsland de files ten gevolge van die overstromingen probeerde te vermijden. Met betrekking tot de berichten die op 19 juli 2021 zijn verstuurd heeft de verdachte verklaard dat ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Complete?” stuurde, omdat hij geld wilde ophalen bij de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij, als reactie op het bericht, in zijn bericht “zijn nog bezig” een schrijffout heeft gemaakt en daarmee heeft bedoeld “ben nog bezig”, omdat hij op dat moment nog bezig was met zijn werkzaamheden in Duitsland. Over de berichten “foute boel” en “kom net aan hier.. vol met politie” heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn woonadres was aangekomen, dat hij daar politie zag staan en dit vervolgens aan ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft bericht.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Ter terechtzitting van 3 juli 2024 heeft de verdachte nog een nadere verklaring gegeven, kort gezegd inhoudende dat hij voor half twaalf het begin van de Ferdinand Bolstraat kwam ingereden, dat hij uit de verte politie bij zijn woning zag staan en dat hij daarom een tijd in de straat heeft gewacht. Terwijl hij in zijn vrachtautootje (het hof begrijpt: de Mercedes-Sprinter met kenteken [kenteken 1]) aan het wachten was heeft hij de desbetreffende berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gestuurd, welke berichten zagen op de bij zijn woning aanwezig politie, en is hij eerst om 12.00 uur bij zijn woning aangekomen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank concreet is gevraagd naar het desbetreffende chatgesprek met ‘ [medeverdachte 3] ’ en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Eerst in hoger beroep, ter terechtzitting van 7 februari 2024, is de verdachte met een verklaring gekomen en op 3 juli 2024 heeft de verdachte over dit chatgesprek nog een aanvullende verklaring afgelegd.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte in strijd met de objectieve gegevens. Immers, de verdachte heeft om 10.19 uur naar ‘ [medeverdachte 3] ’ het bericht “Zijn nog bezig” gestuurd en later die ochtend, om 11.22 en 11.23 uur, “Foute boel” en “Kom net aan hier.. vol met politie”, terwijl uit het dossier volgt dat de woning van de verdachte pas om 12.04 uur werd binnengetreden. Niet volgt uit het dossier – en naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk bij een dergelijke actie – dat de politie circa 40 minuten voorafgaand aan het binnentreden van de woning van de verdachte al buiten bij die woning klaar stond. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde door de verdachte verstuurde berichten om die reden niet kunnen slaan op de situatie zoals door de verdachte geschetst, kort gezegd inhoudende dat hij ‘ [medeverdachte 3] ’ bericht over de politie bij zijn woning, maar dat die berichten zien op de aanwezigheid van de politie in de loodsen op [adres 2] en [adres 3] , waarvan op het moment dat de verdachte de berichten naar ‘ [medeverdachte 3] ’ verstuurde wel sprake was.
Het hof overweegt daarbij ook dat de afstand tussen de loods aan [adres 2] en de woning van de verdachte – blijkens de door iedereen te raadplegen site van Routenet – 27 minuten rijden is. Het hof acht het om die reden aannemelijk dat de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ via Signal heeft laten weten dat het een foute boel was bij de loods, dat daar heel veel politie aanwezig was en dat hij vervolgens naar zijn eigen woning is gereden. Dat de rit naar zijn woning met een kleine vrachtwagen veel langer duurt dan met de gemiddelde personenauto waarop Routenet zich baseert, zoals de verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2024 nog heeft aangevoerd, schuift het hof als niet aannemelijk ter zijde.
Bovendien heeft de verdachte niet willen uitleggen wie ‘ [medeverdachte 3] ’ is en waarom hij ‘ [medeverdachte 3] ’ überhaupt deze berichten heeft gestuurd. Ook de eerdere verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het sturen van de eerste berichten in verband met zijn werk nog in Duitsland was, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof schuift de wisselende verklaringen van de verdachte dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering bij de invoer in Nederland van de in de loods aangetroffen hennep. Het hof betrekt daarbij de aanwezigheid van de verdachte voorafgaand aan de levering van de hennep alsmede de berichten die tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsmede tussen de verdachte en ‘ [medeverdachte 3] ’ zijn verstuurd, waaronder de berichten over de overdracht van een groot geldbedrag, als ook de aanwezigheid van een nagenoeg even groot geldbedrag in de woning van de verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de invoer van de hennep en is sprake geweest van een samenwerkingsverband. Hoewel niet alle gedragingen in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, acht het hof de rol die de verdachten hebben vervuld, waaronder mede begrepen de rol van de verdachte, van zodanig gewicht – in materiële dan wel intellectuele zin, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof acht daarmee het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Verlengde invoer
Op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat voor de invoer van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen wordt begrepen, maar ook de op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de levering van de hennep vanuit Spanje naar de loods in Nederland en de verdere handelingen die daar hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht om de hennep na de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook sprake van de verlengde invoer van de hennep.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene en op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft op gronden zoals nader verwoord in de op 7 februari 2024 overgelegde pleitnota het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige, indien het hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en/of onbetrouwbaar acht. Met de verklaring van [medeverdachte 1] wordt immers het alternatieve scenario van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods op 19 juli 2021 gesteund.
Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte vindt immers zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. In dat licht acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige [medeverdachte 1] te (doen) horen.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 125 kilogram hennep in Nederland. Daarnaast heeft de verdachte, eveneens samen met anderen, een bedrag van ruim € 120.000,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Over de invoer van deze softdrugs en het verkrijgen van voornoemd geldbedrag onderhield de verdachte contact met dezelfde personen, die de drugs en het geld in ontvangst namen. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale handel in softdrugs en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom die handel ontvouwt. De grootschalige handel in softdrugs gaat daarnaast gepaard met vele andere vormen van (vermogens)criminaliteit en het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Het handelen van de verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het witwassen van criminele gelden, hetgeen een bedreiging vormt voor de legale economie en voorts de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2024. Daaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat de verdachte in België bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2019 ter zake van illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij tot april 2023 fulltime als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, dat hij momenteel werkloos is en op zoek is naar werk, doch daarin wordt beperkt door de aan zijn schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen en een kleinkind heeft, dat hij getrouwd is en in een huurwoning woont.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet, gelet op de strafoplegging, geen aanleiding om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin reden om de schorsing van dat bevel op te heffen. Hierom is door de advocaat-generaal overigens ook niet verzocht. Het hof is van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient voort te duren onder de door de rechtbank op 8 september 2022 bepaalde voorwaarden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om de onder nummers 7 en 8 genoemde voorwaarden, ziende op de wekelijkse meldplicht bij de politie en het inleveren van alle reisdocumenten, te wijzigen. Het verzoek van de verdediging daartoe wordt afgewezen.
Beslag
De onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 81.250,00 en € 39.000,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze twee geldbedragen derhalve verbeurd verklaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften