Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-08-01
ECLI:NL:GHSHE:2024:2482
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,100 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.335.680/01
zaaknummer rechtbank : C/01/391341 / FA RK 23-1224
beschikking van de meervoudige kamer van 1 augustus 2024
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K.G.I.M. Schröder te Utrecht,
tegen
[de vrouw]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
voor wie zich geen advocaat heeft gesteld.
Vooraf
Dit geschil gaat over de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. In deze zaak heeft de vrouw geen bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 11 september 2023 – hersteld bij beschikking van 8 december 2023 – uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 11 december 2023 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 11 september 2023, welke beschikking is hersteld bij beschikking van 8 december 2023.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
Bij het hof is verder nog ingekomen een V6-formulier van de zijde van de man van 18 juni 2024 met twee bijlagen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 26 juni 2024 plaatsgevonden. Daarbij is verschenen de man, bijgestaan door mr. K.G.I.M. Schröder. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.5.
Na de mondelinge behandeling is van de zijde van de man nog ingekomen een V6-formulier d.d. 19 juli 2024. Bij dit formulier zijn overgelegd:
het exploot betekening beschikking d.d. 11 september 2023;
de publicaties in de Staatscourant d.d. 26 oktober 2023 (art. 820 Rv) en 27 oktober 2023 (art. 54 Rv);
het exploot betekening van de op 8 december 2023 verbeterde beschikking d.d. 11 september 2023;
de publicatie in de Staatscourant ex art. 820 en 54 Rv d.d. 9 juli 2024;
het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand d.d. 16 juli 2024.
Feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
Partijen zijn op 1 november 2017 te [plaats] met elkaar gehuwd;
Op 22 maart 2023 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 11 september 2023 onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 16 juli 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De echtscheidingsbeschikking is op 23 oktober 2023 betekend aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie en op 26 oktober 2023 gepubliceerd in de Staatscourant.
4De omvang van het geschil
Het verzoek bij de rechtbank
4.1.
De man heeft bij de rechtbank , samengevat, verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen als volgt:
(1) het huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de man toe te kennen;
(2) de inboedelgoederen in de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] toe te delen aan de man;
(3) de (waarde van de) economische deelgerechtigdheid van de man in de vennootschap onder firma [V.O.F.] toe te delen aan de man;
(4) de bankrekeningen bij de ING Bank onder rekeningnummer [rekeningnummer 1]
en bij de ABN AMRO Bank onder rekeningnummer [rekeningnummer 2] toe te delen aan de man;
(5) te bepalen, althans te verklaren voor recht, dat de vrouw uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap van goederen niets van de man te vorderen heeft.
(6) te verklaren voor recht dat de vrouw gehouden is om de schade die zij heeft aangericht aan de gemeenschap van goederen aan de gemeenschap te vergoeden;
(7) te verklaren voor recht dat de man en de vrouw over en weer geen behoefte hebben aan
een door de ander te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud;
(8) te verklaren voor recht dat partijen tijdens hun huwelijk geen (ouderdoms)pensioen hebben opgebouwd dat valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
4.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de man, ter zake van het huurrecht (1) en de inboedelgoederen (2) toegewezen. De rechtbank heeft het verzoek van de man ter zake van de bankrekeningen (4) begrepen als een verzoek om de saldi van die betreffende rekeningen aan de man toe te delen en dit verzoek eveneens toegewezen. De overige verzoeken zijn door de rechtbank afgewezen.
Het verzoek in hoger beroep
4.3.
De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te vernietigen, voor zover daarbij zijn verzoeken zoals hierboven in rov. 4.1 weergegeven onder (3), (5) en (6) heeft afgewezen en, opnieuw rechtdoende:
(A)
1. de verdeling vast te stellen van de opbrengst van de verkoop van zijn economische gerechtigdheid in de v.o.f. en de vordering op de mede-vennoot tot betaling van € 90.506,-- aan hem toe te delen;
2. de verdeling vast te stellen van de onroerende zaken in Thailand en de bankrekeningen van de vrouw en die zaken toe te delen aan de vrouw,
en voorts te bepalen, althans voor recht te verklaren dat de vrouw uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap van goederen niets meer van de man te vorderen heeft;
(B)
Primair: de vrouw te veroordelen aan de gemeenschap van goederen de schade te vergoeden als bedoeld in art. 1:164 BW en in dat verband aan de gemeenschap te vergoeden een bedrag van € 200.000,-- door betaling aan de man van een bedrag van € 100.000,--.
Subsidiair: te verklaren voor recht dat de vrouw gehouden is om de schade die zij heeft aangericht aan de gemeenschap van goederen aan de gemeenschap te vergoeden.
Motivering
Bevoegdheid
5.1.
Nu het verzoekschrift door de man is ingediend na 1 augustus 2022 is de Verordening (EG) Nr 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) van toepassing. Ingevolge art. 3 sub a onder ii) Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter ter zake van de echtscheiding rechtsmacht indien de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten ligt in Nederland en een van hen daar nog verblijft. Aangezien de laatste gewone verblijfplaats van partijen in Nederland lag en de man daar nog steeds verblijft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.2.
Ingevolge art. 5 lid 1 van De Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (hierna: HuwvermVo) brengt rechtsmacht in de scheidingszaak rechtsmacht met zich mee om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het scheidingsverzoek verband houden.
5.3.
Aldus komt ook ter zake van de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
5.4.
Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlandse recht van toepassing is. Daarom kan ook het hof uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Vaststaat dat tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap de volgende goederen behoren:
a. het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] ;
b. de inboedelgoederen in de onder a genoemde woning;
c. de opbrengst van de economische deelgerechtigdheid van de man in de vennootschap onder firma [V.O.F.] V.O.F. (hierna: de v.o.f) c.q. de vordering uit dien hoofde op de mede-vennoot;
d. het (positieve dan wel negatieve) saldo op de bankrekening bij de ING Bank onder rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;
e. het (positieve dan wel negatieve) saldo op de bankrekening bij de ABN AMRO Bank onder rekeningnummer [rekeningnummer 2] .
Verder zou, aldus de man, tot de huwelijksgemeenschap behoren:
-onroerend goed op naam van de vrouw in Thailand
-banksaldi op naam van de vrouw in Thailand
-de verkoopopbrengst van een vakantiewoning van partijen welke zou zijn gestort op een bankrekening op naam van de vrouw in Thailand.
Samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap
5.6.
Onder verwijzing naar rov. 4.2 en 4.3 stelt het hof vast dat thans in hoger beroep enkel ter beoordeling voorligt (de verdeling van) de opbrengst van de economische deelgerechtigdheid van de man in voornoemde v.o.f. en de verkoopopbrengst van de vakantiewoning, het onroerend goed en de banksaldi in Thailand.
5.7.
Het hof kan, bij gebrek aan verificatoire bescheiden (de man heeft nagelaten bijvoorbeeld IB-aangiften waaruit de bezittingen van partijen en de waarde/omvang daarvan blijken, over te leggen) niet vaststellen of de (ontbonden) huwelijksgemeenschap méér goederen en/of schulden omvat dan hierboven in rov. 5.5. uiteengezet. Het hof kan evenmin vaststellen of het door de man gestelde onroerend goed in Thailand (en de daaraan door hem verbonden waarde van € 100.000,--) en de banksaldi in Thailand tot de huwelijksgemeenschap behoren. Reeds gelet hierop dient het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de vrouw uit hoofde van de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap niets meer van de man te vorderen heeft, afgewezen te worden.
Vaststelling van de verdeling
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man naar voren gebracht dat de verkoopopbrengst van zijn economische gerechtigdheid in de v.o.f. om en nabij € 70.000,-- bedroeg en dat hij graag wil dat dit aan hem wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw. De verkoopopbrengst van de vakantiewoning in Thailand [vakantiewoning] kan aan de vrouw worden toegedeeld zonder nadere verrekening met de hem.
5.9.
Ingevolge art. 3:185 BW kan de rechter de verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Het hof begrijpt het verzoek van de man om de verdeling vast te stellen op de wijze zoals door hem tijdens de mondelinge behandeling is verzocht. Het hof zal dit verzoek – met inachtneming van hetgeen in rov. 5.7. is overwogen – toewijzen, nu dit verzoek het hof noch ongegrond noch onrechtmatig voorkomt (mede gelet op het bepaalde in art. 1:100 BW). Daarbij heeft het hof betrokken dat de verkoopopbrengst van de vakantiewoning in Thailand ( [vakantiewoning] ) blijkens de door de man als productie 3 in het geding gebrachte verkoopovereenkomst, in dezelfde orde van grootte is als de opbrengst van de verkoop van de economische gerechtigdheid in de v.o.f.. Aldus wordt de opbrengst van de verkoop van de economische gerechtigheid in de v.o.f. aan de man toegedeeld zonder nadere verrekening met de vrouw en de verkoopopbrengst van de vakantiewoning in Thailand aan de vrouw, zonder nadere verrekening met de man.
5.10.
De man heeft voorts verzocht om de vrouw op de voet van art. 1:164 BW te veroordelen de aan de gemeenschap aangerichte schade te vergoeden ten bedrage van € 200.000,--, door betaling aan hem van een bedrag van € 100.000,--, dan wel subsidiair voor recht te verklaren dat de vrouw gehouden is om de schade die zij heeft aangericht aan de gemeenschap te vergoeden.
5.11.
Het hof stelt vast dat de man niet heeft onderbouwd, op welke wijze de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld (is sprake van verspilling, zijn er lichtvaardig schulden gemaakt of heeft de vrouw rechtshandelingen verricht als bedoeld in art. 1:88 BW zonder de vereiste toestemming van de man of beslissing van de rechtbank daarvoor?). Verder heeft de man niet onderbouwd hoe het door hem gevorderde bedrag van € 200.000,-- tot stand is gekomen (daarover heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij dit bedrag niet kan onderbouwen). De man heeft het hof ook geen inzicht gegeven in de periode waarin de benadeling van de huwelijksgemeenschap zou hebben plaatsgevonden (art. 1:164 BW bepaalt dat het moet gaan om de periode vanaf de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding of binnen zes maanden daarvóór). De man heeft enkel gesteld dat de vrouw bankrekeningen “leeggeplunderd” heeft, dat de vrouw onroerend goed in Thailand heeft en dat hij niet weet waar alles is gebleven. Daar staat tegenover dat de man tijdens de mondelinge behandeling ook naar voren heeft gebracht dat de vrouw iedere keer als ze op vakantie ging € 10.000,-- meenam en maandelijks € 2.500,-- overboekte naar een bankrekening in Thailand, maar dat hij dat prima vond, aangezien zij getrouwd waren.
Weliswaar heeft de vrouw, die zowel bij de rechtbank als het hof niet is verschenen, geen verweer gevoerd tegen deze vordering van de man, maar het hof kan desondanks alleen de vordering toewijzen voor zover deze hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het hof kan niet vaststellen dat de vordering hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De stellingen van de man kunnen immers zijn vordering niet dragen en stukken waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten ex art. 1:164 BW ontbreken. Voor zover de man naar voren heeft gebracht dat hij met zijn verzoek heeft beoogd om, gelet op de in art. 1:164 lid 2 BW neergelegde vervaltermijn van drie jaar, zichzelf in rechte te beschermen tegen een (toekomstige) vordering van de vrouw, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Aldus dient het door de man in rov.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 11 september 2023 (hersteld bij beschikking van 8 december 2023 van die rechtbank) voor zover daarbij het verzoek van de man om de waarde van zijn economische deelgerechtigdheid in de vennootschap onder firma [V.O.F.] V.O.F. aan hem toe te delen is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de verdeling van de waarde van de economische deelgerechtigdheid van de man in de vennootschap onder firma [V.O.F.] V.O.F. vast overeenkomstig rov. 5.9 van deze beschikking;
stelt aanvullend de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in Thailand ( [vakantiewoning] ) vast overeenkomstig rov. 5.9 van deze beschikking;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, A.J.F. Manders en R.W.J. van Veen, en is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2024 door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.