Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-06-20
ECLI:NL:GHSHE:2024:2018
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,127 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-Hertogenbosch
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 20 juni 2024
Zaaknummer: 200.329.542/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/297824 / FA RK 21-4033
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.H.M. Nijsten,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] (België),
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.M.F. Statnik.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
5De beschikking van 11 januari 2024
5.1.
Bij die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren en te rapporteren over de navolgende vragen:
- welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad voor gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] ?
- wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen weg te nemen?
- wat is het advies van de raad ten aanzien van het gezag?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in het kader van de voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.2.
Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport van de raad van 27 februari 2024, ingekomen ter griffie op 29 februari 2024;
- het V8-formulier met bijlage namens de moeder, ingekomen ter griffie op 11 maart 2024;
- het V8-formulier namens de vader, ingekomen ter griffie op 12 maart 2024;
- de brief namens de GI van 25 april 2024, ingekomen ter griffie op 30 april 2024.
6.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 mei 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- mr. B.H.M. Nijsten;
-de vader, bijgestaan door zijn voormalig advocaat mr. E.F.M. Van Swaaij;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
6.2.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet op de mondelinge behandeling verschenen. De GI is, hoewel behoorlijk opgeroepen met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
6.3.
Bij beschikking van 15 maart 2024 van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, is [minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar met ingang van 15 maart 2024.
7De verdere beoordeling
7.1.
De raad komt in het raadsrapport tot de conclusie dat gezamenlijk gezag in het belang is van [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad dit nog nader toegelicht. Hoewel de raad ziet dat de uitvoering van het gezamenlijk gezag momenteel onder druk staat en [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders, is de raad van mening dat deze zorgen niet worden weggenomen door het belasten van een van beide ouders met het eenhoofdig gezag. Het belasten van de moeder met het eenhoofdig gezag zal niet tot gevolg hebben dat de complexe ex-partnerstrijd tussen ouders zal afnemen. De raad is bovendien bezorgd dat de rol van vader in het gedrang komt op het moment dat moeder met het eenhoofdig gezag belast wordt. Ook is een oplossing in het solo parallel ouderschap nog mogelijk. Gezien is dat de hulpverlening moeilijk bij de vader binnenkomt. Thans zegt vader uitdrukkelijk mee te willen werken aan hulpverlening, voor hemzelf alsook voor [minderjarige] . In het belang van [minderjarige] moet de vader gegund worden te laten zien dat hij dat doet. Belangrijk is dat de vader de behoefte van [minderjarige] voorop stelt en bereikbaar is voor de jeugdbeschermer en de betrokken hulpverlening. Doordat de vader eveneens met het gezag is belast, kan het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling zo nodig worden ingezet om in contact te komen en te blijven met de vader en sturing te geven aan de vader via bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing. De raad adviseert de bestreden beschikking waarvan hoger beroep te bekrachtigen en acht een aanhouding van de beslissing in deze zaak, zoals verzocht door de moeder, niet in het belang van [minderjarige] .
7.2.
De moeder kan zich niet vinden in het advies van de raad. De vader weigert iedere hulpverlening voor zichzelf en hij heeft ook de hulpverlening voor [minderjarige] vanuit [instantie] stopgezet. Verder zijn er problemen geweest rondom de zomervakantie en heeft de vader geen toestemming verleend voor de wijziging van de school van [minderjarige] . De vader werkt nergens aan mee. Bovendien is de communicatie tussen de ouders minimaal en er is geen enkel overleg mogelijk. Hierdoor ontstaat een situatie waarbij [minderjarige] klem en verloren raakt zoals de raad zelf immers ook concludeert in het raadsrapport. Reden waarom alleen de moeder met het ouderlijk gezag dient te worden belast dan wel dient subsidiair de zaak voor de duur van een half jaar te worden aangehouden om te zien hoe de ondertoezichtstelling verloopt en of de jeugdbeschermer en de betrokken hulpverlening in contact komt en blijft met de vader.
7.3.
De vader kan zich vinden in het advies van de raad. De vader heeft het afgelopen jaar een moeilijke periode doorgemaakt vanwege zijn ziekte. De vader maakt zich veel zorgen over de risico’s van de operatie die hij zal moeten ondergaan en wat dat betekent voor zijn gezagspositie en zijn rol als vader vanwege de te verwachten lange revalidatie. De vader heeft alles op alles moeten zetten om een (juridische) positie in het leven van [minderjarige] te krijgen. Dat maakt dat vader in het verleden handelde zoals hij heeft gedaan. Het feit dat de vader een moeilijk periode doormaakt en de moeder juist een groei heeft laten zien mag geen reden zijn dat de vader niet met het gezag wordt belast. Het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed en recent is [minderjarige] op verzoek van de moeder vanwege vakantie buiten de reguliere zorgregeling tien dagen bij hem verbleven. Anders dan de moeder stelt, heeft de vader nooit toestemming geweigerd voor zaken die [minderjarige] aangaan. De vader heeft alleen de toestemming voor de verlenging van de hulpverlening voor [minderjarige] vanuit [instantie] geweigerd omdat de vader een slechte verhouding heeft met de betrokken hulpverlener. Wanneer een andere hulpverlener wordt ingezet is de vader bereid zijn medewerking te verlenen aan de hulpverlening van [minderjarige] . De vader ziet ook in dat [minderjarige] deze hulpverlening nodig heeft. Verder was het om praktische redenen onmogelijk vanwege een dichtgetimmerde voordeur om de hulpverlening en de raad binnen te laten. Het contact met de hulpverlening en de raad verliep daardoor via een digitale verbinding. Inmiddels is de voordeur gerepareerd.
De vader acht het van belang dat beide ouders een gelijkwaardige positie hebben door het gezamenlijk gezag, ook in het kader van de thans lopende ondertoezichtstelling en de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen door de jeugdbeschermer. Een eventuele aanhouding van de procedure is niet in het belang van [minderjarige] omdat er dan sprake is van een open einde. De grieven van de moeder moeten falen.
7.4.
Het hof overweegt als volgt.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 april 2023;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.P. de Beij, M.A. Stammes en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2024 door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.